← Alle verhalen
Stout 10 minuten lezen

Het Snoepwinkeltje van Mevrouw Bom

Mevrouw Bom verkocht het lekkerste snoep van het dorp. Maar Tess vroeg zich af: waar haalde ze die rare kleuren vandaan?

Het snoepwinkeltje van mevrouw Bom stond op de hoek van de Lindelaan, en het rook altijd naar suikerspin en vergeten geheimen. De ramen waren versierd met grote glazen potten vol snoepjes in onmogelijke kleuren: neon-groene zuurstokken, paars-met-oranje gestreepte ballen, en kleine geldige diamantjes van kristalsuiker zo helder als ijs.

Mevrouw Bom zelf was klein en rond en straalde een soort vriendelijkheid uit die naar elastiekjes rook. Ze had altijd één lok haar die over haar voorhoofd hing en wapperde alsof er ergens een ventilator stond. Haar glimlach was te breed. Haar wangen waren te roze. En ze had een gewoonte: ze tikte elk kind dat de winkel binnenkwam zachtjes op het hoofd en zei: "Wat een lekker kindje, wat een lekker kindje."

Tess was tien en hield van snoep zoals alle kinderen van snoep houden. Ze ging twee keer per week naar mevrouw Bom. Maar Tess had ook een eigenschap die andere kinderen niet hadden: ze was achterdochtig. Niet onaardig. Gewoon — ze keek twee keer, en dan nog een derde keer.

Wat Tess had opgemerkt: in het straatje achter het winkeltje stonden 's avonds altijd flessen. Niet één of twee. TIENTALLEN. Donkergroene flessen, bruine flessen, kleine doorzichtige flesjes met dopjes erop. En ze roken — als je je neus dichtbij hield, wat Tess in juni had gedaan toen mevrouw Bom haar afval buiten zette — naar iets wat héél raar was. Iets als vis. Iets als verf. Iets als oude badwater.

"Mama," had Tess die avond gezegd, "waar maakt mevrouw Bom haar snoep van?"

Haar moeder had haar schouders opgehaald. "Vast van suiker en kleurstof, schat."

Maar dat was geen antwoord, vond Tess. Want geen kleurstof rook naar oud badwater.

Dus Tess deed wat Tess deed: ze plande een onderzoek. Met haar vriendje Noah, die ze al kende sinds peuterklas en die mee deed met alles wat zij bedacht omdat hij van haar ideeën hield. Op een vrijdagavond — toen de winkel dicht was, toen mevrouw Bom naar bed was — klommen ze de schutting over en gluurden door het raampje van haar werkplaats.

Wat ze zagen, vergat Tess nooit meer.

Mevrouw Bom was niet naar bed. Mevrouw Bom stond aan een grote kopren ketel. Ze had haar lok haar opzij geveegd. Ze stond met een grote houten lepel te roeren in een dampende, paars-groene massa. En in die massa, dreven... dingen. Onaangename dingen. Kleine grijze stukjes. Bruine schubjes. Iets wat heel veel op een afgeknipt teennagels leek.

Mevrouw Bom keek op, leek heel even recht in het raampje te kijken — maar Tess en Noah doken weg net op tijd — en zei iets tegen zichzelf. Iets dat klonk als: "Nog drie kindjes en dan heb ik genoeg voor het jaar."

Tess en Noah keken elkaar aan met grote ogen. Ze fietsten naar huis zonder een woord te zeggen. Maar de volgende dag had Tess een plan.

Op zaterdagmiddag ging ze naar het politiebureau. De agente die ze ontmoette, een vriendelijke vrouw met rood haar genaamd agent Brink, luisterde met opgetrokken wenkbrauwen. "Tess," zei ze, "ik geloof je. Maar ik kan niet zomaar een winkel doorzoeken. Heb je BEWIJS?"

Tess had geen bewijs. Maar Tess had wel iets anders: ze had Noah, en een idee.

Op maandag ging Tess naar het winkeltje. Ze kocht een grote zak van die paars-met-oranje gestreepte ballen. Heel vriendelijk. Mevrouw Bom tikte haar op het hoofd. "Wat een lekker kindje, wat een lekker kindje." Tess glimlachte breed terug.

Eenmaal buiten stopte ze één balletje in haar zakje, één balletje in haar schoen, en alle anderen in een speciale tas. Ze bracht die tas naar agent Brink. "Onderzoek deze," zei ze. "Laat ze testen. Vraag het lab."

Agent Brink stuurde de balletjes naar het lab. Twee dagen later kreeg Tess een telefoontje. Agent Brink klonk anders dan eerst. "Tess," zei ze, "jij... jij hebt gelijk."

Het bleek dat mevrouw Bom haar snoep maakte met EEN-DING-WAAR-IK-LIEVER-NIET-OVER-WIL-PRATEN. We laten het bij dat. Iets wat eigenlijk in vissoep had gemoeten, niet in snoep. Iets uit de stort. Iets uit goedkope flessen die ze in groothandels haalde achter de stations.

De winkel werd diezelfde week gesloten. Mevrouw Bom werd vriendelijk verzocht om iets anders te gaan doen — boekhouder, bijvoorbeeld, of postsorteerder, iets waar haar handen niets te raken hadden wat in een kindermond ging. Tess en Noah kregen ieder een tegoedbon voor de NIEUWE snoepwinkel die later op die hoek opende — een eerlijke winkel, met snoep dat naar suiker en niet naar badwater rook.

En altijd als Tess een nieuw snoepje proefde, deed ze nog steeds drie dingen. Ze keek ernaar. Ze rook eraan. En pas dan beet ze. Want je wist het maar nooit.

— einde —