Het Meisje met de Blauwe Tong
Lola was net als andere kinderen, op één ding na: als ze loog, werd haar tong knalblauw. Iedereen kon het zien.
Lola werd geboren op een dinsdag in juni, en haar moeder dacht — toen ze haar voor het eerst zag — dat het meisje een gewone baby was. Vingertjes, teentjes, alles erop en eraan. Wat ze niet wist, was dat Lola een tongetje had dat anders werkte dan andere tongetjes. Een tongetje met een eigen wil.
Het werd voor het eerst opgemerkt toen Lola vier was. Haar oom Frits — een vervelende man met permanent vette haren — vroeg haar of ze het cadeau leuk vond dat hij voor haar verjaardag had meegenomen. Het was een gebreide sok. Eén sok. Lola haatte hem.
"Vind je het leuk?" vroeg oom Frits.
Lola knikte. "Ja," zei ze. "Heel leuk."
En daar ging het. Haar tong werd KNALBLAUW. Niet een beetje. Zo blauw als de zee bij Marokko in juli. Oom Frits's mond viel open. Lola's moeder gaf een gilletje en sleurde haar mee naar de badkamer. Maar in de badkamer ontdekten ze het al snel: het was niet weg te wassen. Het ging vanzelf weg, maar pas een paar minuten later — en alleen als ze daarna de waarheid had verteld.
Dus Lola groeide op met deze eigenschap. Ze kon niet liegen. Als ze het probeerde, zag iedereen het. Haar tong was als een verraadlampje.
Lola vond het in het begin verschrikkelijk. Want soms wil je niet de waarheid zeggen. Als oma's gehaktbal smaakt naar paardenkop, wil je 'lekker' zeggen, niet 'verschrikkelijk'. Als de juf vraagt of het huiswerk gedaan is, wil je 'ja' kunnen zeggen, ook als je het bent vergeten.
Maar tegen de tijd dat Lola elf was, was ze een legende geworden in haar dorp. Want — en dit was het verbazingwekkende — niet alleen kon zij niet liegen, ze ontmaskerde ook ANDEREN, gewoon door erbij te staan en vragen te stellen.
Dit kwam doordat mensen, als ze tegen Lola moesten praten, automatisch nerveus werden. Ze wisten dat ze zelf konden liegen — hun tongen werden niet blauw — maar Lola's GEZICHT zei het. Lola wist het. Lola had een soort kalme, geduldige blik die zei: "Ik wacht. Ik weet dat je liegt. Ik wacht."
Op een dinsdagmiddag in maart kwam er een gebeurtenis. Het juwelierswinkeltje aan de Marktstraat — van mevrouw Pinker — was beroofd. Een ring was weg. Een diamanten ring, met een steen zo groot als een sukadekoekje, die eigenlijk te duur was om in de etalage te hebben.
De politie kwam. Ze ondervroegen iedereen die die dag in de winkel was geweest. Drie verdachten: meneer Boon (vergeetachtig, snor), mevrouw Schar (bezorgd, kralenketting), en een onbekende jongeman die zich had voorgesteld als 'Klaas'.
Allemaal ontkenden ze. Allemaal hadden ze alibi's. De politie kwam niet verder. Uiteindelijk werd Lola gevraagd om langs te komen — niet omdat ze iets bijzonders was voor de politie, maar omdat agent Brink (dezelfde agente uit een ander verhaal, een goede agente met rood haar) Lola's moeder kende en wist van Lola's gave.
Lola ging naar het politiebureau. Ze ging tegenover de drie verdachten zitten. Ze keek ze stuk voor stuk aan met haar rustige blik.
"Meneer Boon," zei ze. "Heeft u de ring gepakt?"
Meneer Boon keek nerveus. "Nee," zei hij. "Echt niet."
Lola knikte. Ze keek aandachtig. Niets bewoog in zijn gezicht behalve een trekje aan zijn snor. Maar zijn ogen — heel even — schoten naar zijn binnenzak.
"Wat zit er in uw binnenzak?" vroeg Lola.
Meneer Boon werd bleek. "Een... een gepelde sinaasappel."
Lola wachtte. Ze zei niets. Meneer Boon zweet. Hij keek naar zijn hand. Toen, langzaam, vouwde hij zijn hand in zijn binnenzak en haalde een diamanten ring tevoorschijn ter grootte van een sukadekoekje.
"Ik..." zei hij. "Ik wilde alleen even kijken hoe hij stond."
Niemand vroeg of dat de waarheid was. Maar de ring ging terug naar mevrouw Pinker. Meneer Boon moest maandenlang elke zaterdag de stoep van de juwelier vegen, wat hij — eerlijk gezegd — niet zo erg vond, omdat hij geen vrienden had en het vegen hem in contact bracht met mensen.
Lola werd in het dorp "de Detective met de Blauwe Tong" genoemd. Op haar twaalfde verjaardag kreeg ze van mevrouw Pinker een ketting met een klein zilveren tongetje eraan. Lola droeg hem altijd.
En toen ze ouder werd, leerde ze haar gave goed te gebruiken. Niet om mensen te vernederen. Niet om grappen uit te halen. Maar om — heel rustig, heel geduldig — de waarheid voor te leggen aan mensen die hem zelf niet wilden zien.