Het Meisje dat Toverbonen At
Wies wilde alleen maar gewoon zijn, net als de anderen. Toen ze toverbonen at, gebeurde precies het tegenovergestelde — en kreeg ze een heel lange nek.
Wies was elf jaar oud en woonde in een rijtjeshuis met een tuintje zo groot als een tafelkleed. Wies was gewoon. Heel gewoon. Bruine ogen, bruine vlechtjes, een wipneusje, en knieën die soms wat schaafden. Niets bijzonders. Wat Wies WEL bijzonder vond aan zichzelf, was dat ze nergens in uitblonk. Niet in voetbal, niet in tekenen, niet in rekenen. Ze was gemiddeld. En in haar klas, op de Aletta Jacobsschool, was gemiddeld het allerergste dat je kon zijn.
In haar klas had je Britt. Britt had paardrijles, een telefoon met een hoesje vol diamantjes, en lippen die altijd glansden. En Britt had drie vriendinnen — Lobke, Veerle en Mila — die alles deden wat Britt zei. Samen vormden ze "de bubble", en buiten de bubble was er, eigenlijk, niks. Of zo voelde het.
Wies probeerde alles om erbij te horen. Ze kocht dezelfde schoenen. Ze deed haar haar op dezelfde manier. Ze lachte om dezelfde grappen, ook als ze ze niet snapte. Maar het mocht niet baten. Britt zei dat haar wipneusje "iets had" — en niet op een fijne manier. Lobke vond haar T-shirts "goedkoop". Mila keek altijd door haar heen alsof ze van glas was, alleen dan minder mooi glas.
Op een zaterdag in mei ging Wies — een beetje boos op de wereld — naar de markt. Bij een kraampje helemaal achteraan, dat ze nog nooit eerder had gezien, stond een klein vrouwtje met een hoofddoek en handen die zo gerimpeld waren dat het wel boomschors leek. Op haar kraampje lagen bakjes met bonen. Allerlei bonen. Maar in één bakje — een klein blauw bakje — lagen zilverkleurige bonen die heel zachtjes leken te trillen.
"Wat zijn dat?" vroeg Wies.
"Toverbonen," zei het vrouwtje. "Eet er drie en je krijgt iets wat je in jezelf al hebt — maar dan zichtbaar voor iedereen."
Wies dacht: dat klinkt fantastisch. Want Wies dacht — heel binnenin — dat ze tóch wel iets bijzonders was. Iets geheims. Iets dat de wereld alleen nog niet had gezien. Misschien gaven de bonen haar een mooie zangstem. Misschien werd haar haar plotseling goudblond. Misschien — wie weet — kreeg ze paarse ogen.
Wies kocht het hele bakje voor één euro. Thuis at ze drie bonen — knerpend, als geroosterde pinda's. Toen wachtte ze.
Eerst gebeurde er niets. Na vijf minuten voelde ze een licht trekje in haar nek. Alsof iemand voorzichtig aan haar oren omhoog tilde. Ze keek in de spiegel. Haar nek werd langer. Centimeter voor centimeter. Heel langzaam.
Wies gilde. Haar moeder kwam binnenrennen. Haar moeder gilde ook. Wies' nek was inmiddels zo lang als een onderarm. En hij groeide nog steeds. Toen het eindelijk stopte — twintig minuten later — had Wies een nek van bijna zestig centimeter. Een GIRAFFE-nek. Een nek waar je een wollen sjaal vier keer omheen kon wikkelen en dan nog ruimte over had.
Wies huilde. Wies huilde de hele middag. Wies huilde tot haar hoofdkussen zo nat was dat haar moeder hem moest verwisselen. Want ze dacht aan maandagochtend. En aan de bubble. En aan Britt. Britt zou een veld dag hebben. Een veld JAAR.
Maandagochtend probeerde Wies haar nek te verstoppen onder een coltrui, en daarboven nog twee sjaals. Het mocht niet baten. Het is moeilijk om zestig centimeter nek weg te toveren. Met haar hoofd half in een wollen wieltje slokte ze haar boterham naar binnen en liep naar school.
Op het schoolplein werd het meteen stil. Niet helemaal stil — er was wel kindergefluister. Maar het soort gefluister dat stiller is dan stil. Britt was de eerste die durfde te lachen. "Wat IS dat?!" zei ze, met die scherpe lach die ze altijd had als ze zich met iets ging vermaken. Lobke gierde mee. Mila floot tussen haar tanden. En Veerle riep — een beetje wreed, een beetje origineel: "GIRAFFE-WIES! GIRAFFE-WIES!"
De hele dag riepen ze het. In de pauze. In de gang. Zelfs tijdens spelling fluisterden ze het, terwijl meester Sonneveld de woorden voorlas. Wies' nek was zo lang dat ze hem niet kon verstoppen achter haar bureau. Hij stak boven iedereen uit. Wies zag de hele klas. De hele klas zag haar nek.
Thuis huilde Wies opnieuw. Ze wilde de bonen terug. Ze wilde haar gewone nek terug. Ze haatte haar lengte. Ze haatte de markt. Ze haatte de gerimpelde vrouw. Ze haatte alles.
Maar 's nachts — en dit was vreemd — droomde ze niet over de bubble. Ze droomde over iets anders. Ze droomde over hoe ze die middag, op weg naar huis door het park, vanaf hoog boven het pad had gezien dat er een eendennest tussen het riet zat. Niemand anders had het gezien. Niemand. Want voor iedereen was het riet hoger dan hun ogen. Voor Wies niet.
De volgende dag — een dinsdag — was er weer geroep. Britt zei: "Hé Giraffe-Wies, kan je voor me kijken of de juf eraan komt?" en gierde van het lachen. Lobke deed mee. Maar Wies — en dit was nieuw — was even niet zo geraakt. Want Wies kon vanaf haar bureau ZIEN dat juf Beneken inderdaad aan kwam lopen, hangend aan een grote stapel mappen. Ze stond op, zonder te zeggen waarom, liep de gang in en pakte de helft van de mappen van haar over. Juf Beneken keek haar dankbaar aan.
"Wat aardig van je, Wies."
Britt zweeg. Want Britt vond het irritant als Wies aardig werd gevonden.
Op woensdag had Wies een ontdekking. Mevrouw Toon van de bibliotheek — een lange vrouw met een gestreepte trui — riep haar opzij toen Wies langs liep met haar moeder. "Wies," zei ze. "Mag ik iets vragen? Onze hoogste boekenkast — die kunnen we al jaren niet meer afstoffen zonder een wankele ladder. Als jij zou willen helpen..."
Wies hielp die middag. Haar hoofd kwam precies bij de hoogste plank. Mevrouw Toon stopte haar twee stroopwafels toe en zei iets dat Wies nog lang onthield: "Het is best handig om anders te zijn, weet je dat? De meeste mensen zijn precies hetzelfde. Daarom zijn ze ook precies even gemiddeld."
Op donderdag gebeurde er iets nog gekkers. Een kleutertje — een meisje van een jaar of zes, met vlechtjes en een tand minder — kwam in de pauze naar Wies toe. Het meisje keek omhoog naar Wies' nek met een blik die niet hatelijk was. Het was een blik vol verwondering.
"Mag ik iets vragen?" zei het kleine meisje.
"Ja," zei Wies.
"Kun jij... over de muur kijken naar de pony van meneer Steenbeek?"
Wies keek omhoog. Ja, dat kon ze. Ze kon over de hele schuttinghoogte heen kijken in de tuin ernaast. Ze kon zelfs zien dat de pony — die Bonbon heette — net van een appel aan het knabbelen was.
"Hij eet een appel," zei Wies.
Het meisje glunderde alsof ze net een diamanten ring had gekregen. "Mag ik morgen ook komen kijken?"
Wies knikte.
De volgende dag, vrijdag, stonden er drie kleintjes bij Wies. Op maandag waren het er zeven. Op dinsdag was er een rij van twaalf kleuters en een paar kinderen uit groep drie, die om de beurt vragen aan Wies stelden. "Kun je in de boom kijken of er een nestje is?" "Kun je over het hek zien of meneer Knor thuis is?" "Kun je..." Wies hielp. En Wies vond het — dit verraste haar — leuk.
En toen — en dit was het belangrijkste moment — kwam Britt op woensdag tijdens de pauze met haar hele bubble naar Wies toe. Britt zei: "Het is echt zielig dat je nu met die kleintjes omgaat, Wies. Echt zielig."
Wies keek omlaag — vanuit haar grote hoogte — naar Britt. En ineens, met een helderheid die ze nog nooit eerder had gevoeld, zag Wies wat Britt eigenlijk was. Een meisje van elf. Een meisje van elf in een veel te dure jas, met te veel glans op haar lippen, die heel hard probeerde om belangrijk te lijken omdat ze BANG was dat ze het niet was.
"Britt," zei Wies. "Vind je het zélf zielig?"
Britt knipperde. "Wat?"
"Ik vraag het je. Vind je het zélf zielig dat ik aardig ben tegen kleine kinderen?"
Britt zei niets. Lobke ook niet. Mila keek naar haar schoenen.
Wies haalde haar schouders op — en omdat haar nek zo lang was, was dat een heel grote schouderhaal — en draaide zich om. Ze ging terug naar haar rijtje kleintjes. Eentje vroeg: "Kun je in de boom kijken of er al een mees zit?" Wies keek. Er zaten zelfs twee.
In de weken daarna gebeurde er iets met Wies dat veel groter was dan haar nek. Het was niet dat de pesterijen meteen stopten — Britt riep nog wel eens iets. Maar Wies hoorde het anders. Het was alsof Britt's stem ergens beneden langs haar oren ging, te ver weg om binnen te komen. Wies leefde nu hoger. Wies leefde nu in haar eigen hoogte.
En het rare was: andere kinderen — niet de bubble, maar ANDERE kinderen — begonnen Wies op te merken. Niet om haar nek. Maar omdat ze rustig was. Omdat ze gewoon dingen deed. Omdat ze niet meer bang leek om iets verkeerd te doen. Wies kreeg een vriendin: Stien. Stien tekende eindeloos, zei rare dingen, en lachte als een geit. Wies vond het heerlijk.
Drie maanden later, in augustus, begon Wies' nek langzaam terug te krimpen. Eerst centimeter voor centimeter, toen wat sneller. Het duurde een week. Toen had ze weer een gewone, gemiddelde nek.
Wies stond voor de spiegel en bekeek zichzelf. Bruine ogen, bruine vlechtjes, een wipneusje. Gewoon. Heel gewoon.
Maar nu was "gewoon" niet meer hetzelfde "gewoon" als vroeger. Want Wies wist iets wat ze daarvoor niet had geweten. Ze wist dat ze, toen ze hoog stond, mooie dingen had gezien die anderen niet zagen. Ze wist dat ze iemand was die kleintjes graag hielp. Ze wist dat de bubble — ook nu ze weer gewoon was — haar niet meer kon raken zoals vroeger.
De volgende ochtend deed Wies haar haar in vlechtjes, trok haar "goedkope" T-shirt aan, en ging naar school. Britt zei iets vervelends. Wies hoorde het. Wies haalde haar schouders op. Wies liep door.
En binnen in haar — als een rechte staak — voelde ze nog steeds haar lange, lange nek staan. Onzichtbaar voor anderen, maar er. En zo zou hij er voor altijd staan.