Het Meisje dat Te Veel Vragen Stelde
Iris stelde elke dag minstens honderd vragen. De volwassenen klaagden. De burgemeester deed er iets aan. Maar Iris had nog één laatste vraag.
Er was eens een meisje dat Iris heette, en Iris had een afschuwelijke gewoonte. Tenminste, dat vonden alle volwassenen in het dorp. Iris stelde namelijk vragen. Maar dan VEEL vragen. De hele dag door, van zonsopgang tot ze in slaap viel, en als ze 's nachts wakker werd was haar eerste fluistering: "Pap, waarom slapen we eigenlijk?"
Iris vroeg: waarom zijn appels rood en geen blauw? Waarom heet een tafel een tafel? Waarom heeft tante Greet altijd een paarse neus? Waarom zegt de meester dat hij weet hoe het werkt als hij het duidelijk niet weet? Waarom moeten kinderen luisteren naar grote mensen die zelf nooit naar iets luisteren?
Sommige vragen waren onschuldig. Andere — en dat was het probleem — waren niet onschuldig. Sommige waren zo scherp dat ze de waarheid raakten op een plek waar de waarheid niet geraakt wilde worden.
De burgemeester van het dorp heette Snor Snor. Hij had die naam omdat zijn snor zo groot was dat hij twee keer om zijn hoofd paste. Hij hield niet van vragen. Vragen waren lastig. Antwoorden ook, maar dan vooral als je ze niet had. Op een woensdagochtend in maart riep hij Iris bij zich op het gemeentehuis.
"Iris," zei hij, met zijn snor trillend van ergernis. "Vanaf vandaag zijn vragen in dit dorp VERBODEN. Wie een vraag stelt, krijgt boete. Wie tien vragen stelt, gaat naar het cellenblok in de kelder."
"Mag ik vragen waarom?" vroeg Iris.
"Eén euro boete," zei Snor Snor, en hij hield zijn hand op.
Iris betaalde — ze had altijd geld bij zich, want haar opa stopte haar zakgeld toe ondanks haar moeders protesten — en ging naar huis. Maar onderweg dacht ze na. Iris was goed in nadenken. Het was de andere kant van de medaille van het stellen van vragen.
Diezelfde middag begon ze geen vragen meer te stellen. In plaats daarvan, begon ze AANNAMES te doen. Hardop.
Op het schoolplein, tegen de meester, zei ze: "Ik denk dat meester Hendriks vandaag een hekel heeft aan kinderen omdat hij ruzie heeft met zijn vrouw en het op ons afreageert." Meester Hendriks werd rood. Hij zei niets, want het was geen vraag.
Bij de bakker zei ze: "Volgens mij doet bakker Knol de oude koekjes onderin de schaal en de verse erbovenop, om ze toch nog te kunnen verkopen." Bakker Knol verslikte zich in zijn koffie. Hij zei niets, want het was geen vraag.
Voor het gemeentehuis, met een groep buren erbij, zei ze héél hard: "Ik denk dat meneer Snor Snor vragen heeft verboden omdat hij bang is voor de vraag waar het belastinggeld van vorig jaar precies is gebleven."
De groep buren werd stil. Echt heel stil. Toen werd er gefluisterd. Toen werd er hardop gepraat. En toen — een wonderlijk geluid — werd er een vraag gesteld. Door iemand anders, niet door Iris. Een man achter in de groep, met een baard en een fietsbel om zijn nek, riep: "Ja, waar IS dat belastinggeld eigenlijk gebleven?"
Snor Snor stond op het bordes van het gemeentehuis. Hij keek wild om zich heen. Hij draaide zich om. Hij begon te rennen. Maar zijn snor was zo lang dat hij erop ging staan en plat op zijn gezicht viel.
Iris liep naar hem toe terwijl twee politieagenten hem oppakten. Ze boog zich voorover. En ze stelde de allerlaatste vraag van die dag — eentje die geen euro kostte, want vanaf dat moment was de regel afgeschaft.
"Snor Snor," zei ze, "wat denkt u nu van vragen?"
Hij antwoordde niet. Maar zijn snor trilde alsof hij heel veel te zeggen had en het niet meer kwijt kon. En Iris glimlachte, want eigenlijk had ze het antwoord al.