← Alle verhalen
Avontuur 12 minuten lezen

Het Laatste Vakantiekind

Toen Marit ontwaakte, was het kamp leeg. De bussen waren weg. De leiding was weg. En aan de rand van het bos zat iemand op haar te wachten.

Het zomerkamp 'De Vrolijke Vinger' (een vreemde naam, maar de oprichter heette meneer Vinger, dus zo zat het) lag aan de rand van een dennenbos in Drenthe. Honderd kinderen kwamen er twee weken lang elke zomer. Voetbal, kanovaren, marshmallows-roosteren, fluiten leren. De gebruikelijke dingen.

Marit was elf en kwam voor het eerst. Het was haar tweede week. Ze had vrienden gemaakt — Linde, Job, Sanne, en een jongen genaamd Petter. Op de laatste dag, een zaterdagochtend in augustus, zouden alle kinderen met bussen worden opgehaald om naar huis te gaan.

Marit werd 's ochtends laat wakker. Te laat. Ze was in slaap gevallen na een avond marshmallows en sterkijken, en haar wekker — een ouderwetse uit haar grootvader, die ze altijd meenam op kamp — had niet afgegaan. Ze knipperde naar het licht door het raam van de slaaphut.

Het was stil.

Te stil.

Marit stond op. Ze trok haar trui aan. Ze deed de deur van de hut open.

De velden waren leeg. De vlaggenmast was leeg. De kantine had haar lichten uit. Er was geen kind te zien. Geen leider. Geen bus. Geen enkele bus.

"Hallo?" riep Marit. Haar stem ging over het verlaten kamp en kwam terug als echo. "HALLO?"

Niets.

Marit rende naar de kantine. De deuren waren op slot. Ze rende naar het hoofdkantoor — leeg. Op het bureau lag een lijst met de bussen die er die ochtend waren geweest. Op de lijst waren ALLE kinderen afgestreept. Inclusief Marit. ALSOF ZE IN EEN BUS WAS GESTAPT.

Maar dat was ze niet.

Marit kreeg een sluipend gevoel van paniek. Ze rende terug naar haar hut. Ze pakte haar mobiele telefoon. GEEN BEREIK. Ze keek naar het raam. Ze zag haar koffer op de grond — gepakt, klaar — die ze die ochtend mee had moeten nemen. En naast haar koffer, op haar bed, op het laken — lag een briefje.

Het briefje was niet geschreven door de leiding. Het was met de hand geschreven, met blauwe pen, in een handschrift dat Marit niet kende. Het zei:

"Marit. Ik wist dat je vandaag te laat wakker zou worden, en ik heb daar gebruik van gemaakt. Ze hebben je afgestreept omdat ik dat heb gedaan. Wees niet bang. Ik wil alleen met je praten. Ik wacht aan de bosrand. — Een vriend."

Marit las het briefje drie keer.

Haar instinct zei: weg. Naar het dichtstbijzijnde huis, naar de weg, lopen, rennen. Maar de poort van het kamp was gesloten — Marit had het al gezien — en de hoofdweg was twee kilometer ver. Twee kilometer door dennenbos, alleen, zonder telefoon, zonder weten of er onderweg iets ergers zou wachten dan wat er nu was.

Marit deed iets dat ze nog niet eerder in haar leven had gedaan. Ze ging zitten op haar bed en dwong zichzelf om twee minuten lang NA TE DENKEN. Niet te rennen. Niet te huilen. Na te denken.

Ze maakte een lijst:

1. Iemand had haar opzettelijk achtergelaten.

2. Die iemand wist dat ze die ochtend laat wakker zou worden — wat betekende dat die iemand haar kende, of haar tenminste had geobserveerd.

3. Die iemand wilde 'alleen praten'. Maar mensen die alleen wilden praten, hoefden geen heel kamp leeg te maken.

4. Misschien was die iemand een leider die was achtergebleven. Dan was het gewoon een grap, of een vergissing. Maar dan zou die persoon het briefje niet zo geheim hebben geschreven.

Marit pakte haar zaklamp uit haar koffer. Ze pakte ook iets anders: het Zwitserse zakmes dat haar vader haar had meegegeven voor 'noodgevallen'. Hij had haar gezegd dat het waarschijnlijk nooit zou worden gebruikt. Ze had het in het binnenvak van haar koffer gestopt. Nu klapte ze het open.

Ze ging naar buiten. Niet richting de bosrand waar 'de vriend' wachtte. Naar de POORT. Ze klom de hoge metalen poort op. Ze viel aan de andere kant op de grond. Ze stond op en rende.

Twee kilometer is lang als je elf bent en bang. Maar Marit was snel. En haar gedachten gingen sneller dan haar voeten. Ze dacht: hoofdweg, links, drie kilometer, dorp. Ze dacht: NIET stoppen.

Halverwege het bos hoorde ze iets. Voetstappen. Achter haar. Ze keek niet om. Ze rende harder.

Op de hoofdweg gekomen, stak ze een wanhopige hand omhoog. Een vrachtwagen — een gewone gele vrachtwagen, met een vriendelijke chauffeur erin — stopte. De chauffeur, een dikke vrouw met grijs haar, keek haar aan en zei: "Lieverd, wat is er?"

Marit kon nauwelijks praten. Maar ze kon wel haar mobiele telefoon laten zien. "Kunt u... kunt u bellen?"

De chauffeur belde de politie. Marit zat in de cabine van de vrachtwagen, hijgend, met de motor lekker warm onder haar. De chauffeur — Hilde — drukte haar een blikje cola in handen. Marit dronk en dacht: dit is de lekkerste cola die ik ooit heb gehad.

De politie kwam. Marit vertelde alles. De politie ging naar het kamp. Ze vonden niemand. De man — of vrouw — die haar het briefje had geschreven, was verdwenen. In het briefje vonden ze later geen vingerafdrukken. In het kamp vonden ze geen sporen.

Marit kwam thuis. Haar ouders waren door de leiding gebeld dat er een 'klein misverstand' was geweest. Toen ze hoorden wat er werkelijk was gebeurd, gingen ze door het dak. De ouders eisten een grootschalig onderzoek. Het kamp 'De Vrolijke Vinger' ging het volgende jaar dicht. De oprichter, meneer Vinger, bleek al jaren te kampen met een rare obsessie voor specifieke kinderen — Marit was niet het eerste meisje dat hij op zo'n manier had geprobeerd te isoleren — en hij werd, drie maanden later, gearresteerd.

Marit ging het volgende jaar naar een ander kamp, een veilig kamp, een vrolijk kamp. En ze kreeg van haar vader, op haar twaalfde verjaardag, een tweede Zwitsers zakmes. Beter dan het eerste. Met een kleine fluitje eraan.

Ze hield het de rest van haar leven bij zich. Niet om bang te zijn. Maar om te onthouden dat ze, toen het echt nodig was, niet was gerend in paniek. Ze had even nagedacht. En daardoor was ze veilig thuisgekomen.

— einde —