Het Hondje dat Drie Talen Sprak
Niemand wist waar het hondje vandaan kwam. Maar als je goed luisterde, kon hij praten. Drie talen. Met opvallend goede grammatica.
Het hondje arriveerde op een natte donderdag in oktober. Het was klein, bruin, met een witte vlek op zijn rug die op een hartje leek. Niemand wist waar het vandaan kwam. Het verscheen op de stoep van de Lindenlaan, ging zitten alsof het al jaren in de buurt woonde, en wachtte op iets.
Dahlia was negen. Dahlia woonde op nummer 8 van de Lindenlaan. Toen ze het hondje zag — alleen, nat, met die kleine snuit in haar richting — pakte ze hem op en bracht hem naar binnen. Haar moeder protesteerde niet zo hard als anders. Ze wist hoe Dahlia keek wanneer ze iets echt wilde.
Het hondje kreeg de naam Spikkel. Hij ging slapen voor het haardvuur. Hij at een beetje kip. Hij blafte één keer naar de postbode, en daarna nooit meer (een verstandige hond weet dat één keer genoeg is om respect te krijgen).
Maar Spikkel had iets vreemds. Wanneer Dahlia in de huiskamer aan het lezen was — en de televisie stond niet aan, en haar moeder was er niet — dan hoorde Dahlia soms iets. Heel zacht. Vanuit Spikkel's hoek.
"Goedemiddag," hoorde ze het hondje zeggen.
De eerste keer dat dit gebeurde, dacht Dahlia dat ze het had verbeeld. Honden zeggen niet 'goedemiddag'. De tweede keer dacht ze hetzelfde. De derde keer — toen ze "goedemiddag" hoorde, en ook "hoe gaat het vandaag?", en daarna "il fait beau aujourd'hui" en "buongiorno bambina" — ging ze rechtop zitten en keek ze Spikkel recht aan.
"Ik hoor je," zei ze.
Spikkel hield zijn kopje schuin. Toen zei hij — en dit hoorde Dahlia heel duidelijk: "Eindelijk."
Het bleek dat Spikkel een hond was die drie talen sprak: Nederlands, Frans, en Italiaans. Hij had ze geleerd, vertelde hij Dahlia, doordat hij vroeger had gewoond bij een oud vrouwtje in Marseille die polyglottisch was en alleen met haar hond praatte. Hij vertelde dat hij weggelopen was na haar overlijden, en jaren had rondgezworven, en uiteindelijk in Nederland was terechtgekomen.
Dahlia geloofde hem. Want het zou idioot zijn om hem NIET te geloven, als hij in drie talen tegen je sprak.
Maar Spikkel praatte alleen tegen Dahlia. Tegen Dahlia's moeder zei hij niets. Tegen de postbode niets. Tegen andere honden in het park alleen het normale gebaf. Hij was — zei hij — voorzichtig met aan wie hij zich liet kennen. Honden die kunnen praten zijn niet veilig. Niet in een wereld waar mensen alles wat anders is willen onderzoeken of opsluiten.
Op een dinsdagavond in november kwam er een inbreker. Hij sloop door de tuin van Dahlia's familie en wilde een raam openbreken. Dahlia's moeder was naar bed. Dahlia was nog wakker en zat te lezen op de bank.
Spikkel sprong op. Hij rende naar het keukenraam. Hij keek door het raam. Hij rende terug naar Dahlia.
"Inbreker," fluisterde Spikkel in het Nederlands. "Achter het huis."
Dahlia werd lijkbleek.
"Niet bewegen," fluisterde Spikkel verder. "Bel de politie. Ik regel het."
Dahlia belde 112. Met trillende handen. Ze fluisterde haar adres. De politie was vier minuten verderop.
Spikkel — een hondje van vijf kilo, niet groter dan een handtas — sloop naar het keukenraam. Hij wachtte. Hij hoorde het knerpen van het glas dat losser werd gemaakt. Hij hoorde de inbreker zijn arm naar binnen steken om naar de raamhendel te tasten.
En toen blafte Spikkel. Maar dan ook blaffen. Met alles wat hij had. Een vijf-kilo-hondje kan een verbazingwekkende hoeveelheid lawaai produceren als hij precies in het oor van een mens blaft. De inbreker schrok zich gek. Hij trok zijn hand terug. Hij wilde wegrennen. Maar — voordat hij dat kon — riep Spikkel er nog twee dingen achteraan, in twee andere talen: "VOLEUR! LADRO!"
Daarna hoorden Spikkel en Dahlia het geluid van politiesirenes. Twee minuten later was de inbreker gevonden — drie straten verder, hijgend onder een struik, met snijwondjes op zijn arm van het glas. Hij vertelde later dat hij was "verwarrend in drie talen aangevallen door een spook."
Niemand geloofde dat. De politie hield het bij "verwarde indringer." En het politie-bureau gaf Spikkel een kleine zilveren medaille met een graveerde botje erop.
Spikkel droeg de medaille om zijn nek. Hij blafte daarna heel weinig — alleen één keer per dag tegen de postbode, voor de orde. En 's avonds, als Dahlia las en haar moeder al sliep, praatte hij met haar over Marseille, over de oude vrouw, over de boten in de haven, en over alles wat hij had gezien op zijn lange weg naar nummer 8 van de Lindenlaan.