Het Hek met de Drie Sloten
Meneer Gier's tuin had appels, peren, kersen — en drie sloten op het hek. Niemand mocht naar binnen. Vooral kinderen niet.
Meneer Gier woonde aan de Boomgaardlaan in een huis dat groter was dan nodig en een tuin had die nog groter was. In die tuin stonden zeven appelbomen, drie perenbomen, vier kersenbomen, een notenboom, een vijgenboom, en — heel chic — een granaatappelboom die soms vruchten droeg en soms niet.
Meneer Gier was klein, kreukelig, en had handen zo grijs als ongepoetste lepels. Hij at zelf nooit zijn fruit. Hij gaf het ook niet weg. Wat hij ermee deed: hij liet het ROTTEN. Op de grond. Onder de bomen. Tot het stonk en de wespen erop afkwamen en de vliegen er een danscompetitie hielden.
Want, zei meneer Gier altijd: "Mijn tuin. Mijn fruit. Mijn keuze."
De kinderen van de buurt — hongerig, opmerkzaam, niet helemaal eerlijk — hadden ooit geprobeerd over de schutting te klimmen. Toen had meneer Gier een hek geplaatst. Een ijzeren, drie meter hoog, met scherpe punten erop. Toen kinderen onder het hek door probeerden te kruipen, had hij beton onder gestort. Toen kinderen het hek wilden forceren bij de poort, had hij DRIE GROTE SLOTEN op de poort gehangen, één boven, één in het midden, één onder.
De fruitboomgaard van meneer Gier was de meest onbereikbare tuin van het hele dorp. En het fruit rotte. En de tuin stonk in de zomer. En de wespen waren een plaag.
Lola en Tijn waren elf en tien, broer en zus. Ze hadden besloten dat dit ZONDE was. Niet alleen dat het fruit verloren ging — wat al erg genoeg was — maar dat één onbeschofte man een hele buurt vergiftigde met zijn ego.
Ze konden het hek niet overklimmen. Ze konden het slot niet open krijgen. Maar ze hadden een ander idee.
Eerst gingen ze naar de gemeente. "Mevrouw," zei Lola tegen de baliemedewerkster, "er is een tuin met rottend fruit. Het stinkt. Het trekt wespen aan. We klagen erover."
De medewerkster stuurde een inspecteur. De inspecteur kwam langs. Hij rook het. Hij was geen vrolijk man — meneer Gier kreeg een waarschuwing. "Opruimen," stond er. "Binnen veertien dagen."
Meneer Gier deed niets.
De inspecteur kwam terug. Tweede waarschuwing. "Boete bij niet-naleving: 2.000 euro."
Meneer Gier deed niets.
De inspecteur kwam een derde keer. Hij had bevoegdheden bij zich, dit keer. Hij had ook een SLOTENMAKER bij zich. Een grote vriendelijke man met grote vriendelijke gereedschap. De slotenmaker keek naar het hek. Naar de drie sloten. Hij zuchtte. "Dat duurt vijf minuten," zei hij.
Hij brak de drie sloten open. Het hek zwaaide open. De inspecteur ging naar binnen, met meneer Gier achter zich aan, paars van woede.
"OPRUIMEN," zei de inspecteur. "NU."
Meneer Gier rumelde dat het ZIJN tuin was. De inspecteur antwoordde dat de geurhinder en de wespen het GEDEELDE probleem van de hele buurt waren geworden. Hij kon kiezen: opruimen, of de gemeente kwam opruimen, en dat zou drieduizend euro kosten plus de boete.
Meneer Gier mompelde. Hij keek naar de grond. Hij keek naar zijn fruit, dat hij niet wilde delen, maar dat hij dus ook niet aanraakte.
Op dat moment kwamen Lola en Tijn binnen. Met emmers. Met manden. Met twintig andere kinderen achter zich. Allemaal met manden.
"Meneer Gier," zei Lola, "wij willen wel helpen."
Meneer Gier keek naar haar. Hij keek naar de inspecteur. Hij keek naar zijn fruit. Hij voelde zich, voor het eerst sinds jaren, oud en moe en een beetje belachelijk.
Hij knikte. Heel klein.
De kinderen plukten. Drie hele dagen. De goede appels gingen naar de gemeente, die ze uitdeelde aan de armste families van het dorp en aan het kindertehuis. De rotte appels werden verzameld in grote zakken en weggebracht. De wespen vertrokken — naar elders, dat is hun gewoonte — binnen een week.
En meneer Gier? Hij at die maand, voor het eerst in zijn leven, een appel uit zijn eigen tuin. Een goeie. Lola gaf hem hem. Hij beet erin. Hij keek heel klein. "Lekker," mompelde hij.
Het was de eerste keer dat iemand het woord 'lekker' uit zijn mond hoorde komen. Hij zei het zachtjes. Maar Lola hoorde het. En Tijn ook. En vanaf die dag stond het hek van meneer Gier — heel symbolisch — een klein beetje open. Niet helemaal. Maar genoeg om door te kunnen lopen.