← Alle verhalen
Magisch 10 minuten lezen

De Visboer met Negen Ogen

Niemand telde ooit precies. Maar als je het wel deed, klopte het aantal ogen van meneer Floem niet helemaal.

Meneer Floem opende zijn viswinkel op een mistige donderdagochtend in oktober. De winkel stond op de hoek van de Vissteeg, en boven de deur hing een houten bord met een zilverkleurige vis erop. Meneer Floem zelf was groot, breed, en gekleed in een rubberen schort dat altijd nat was van iets onbepaalds.

Hij had vis die was zo vers dat het bijna onmogelijk leek. Tongetjes die nog leken te ademen. Garnalen die roze waren als de lippen van een baby. Zalmfilet die glansde als pasgepoetst koper. En de prijzen — verbazingwekkend laag. Mevrouw Pol had hem voor de kerst een mand kabeljauw afgenomen voor de helft van wat ze normaal betaalde, en die kabeljauw was zo lekker dat ze er nog steeds 's nachts over droomde.

Iedereen ging naar meneer Floem. De andere visboer in het dorp — die jaren had gestreden om verse vis — sloot na drie maanden zijn winkel en ging Bloemen verkopen.

Maar er was iets aan meneer Floem. Iets dat niemand precies kon benoemen. Mensen die uit zijn winkel kwamen, voelden zich — hoe te zeggen — een beetje SAAIER dan toen ze erin gingen. Een beetje minder. Alsof iemand een heel klein puntje van hun persoonlijkheid had afgesnoept.

Pip was twaalf, en Pip had iets dat veel volwassenen niet hadden: hij telde. Hij telde alles. Vingers. Tegels. Het aantal lampjes aan een kroonluchter. Het was zijn manier om de wereld te begrijpen.

Toen Pip op een zaterdag met zijn moeder naar de viswinkel ging, telde hij — uit gewoonte — de ogen van meneer Floem. Hij verwachtte twee. Iedereen heeft twee.

Hij telde er drie. Drie?

Pip telde opnieuw. Hij keek goed. Eén oog links. Eén oog rechts. En boven, tussen de wenkbrauwen, een derde oog. Klein. Heel klein. Knipperend, geel. Voor wie het wist te zien.

Pip telde toen voorzichtig OOK de andere kanten van het gezicht van meneer Floem. Op zijn linker wang: nog een klein gele oog. Op zijn rechter wang: hetzelfde. Op zijn nek: twee meer. En achter op zijn hoofd — Pip kon het zien omdat meneer Floem net opzij keek — nog drie.

Pip telde negen. NEGEN ogen.

Pip zei niets tegen zijn moeder. Want zijn moeder zou hem niet geloven. Volwassenen zien wat ze willen zien. Maar Pip nam wel een foto met de mobiele telefoon van zijn moeder — terwijl ze afrekende — en thuis bekeek hij de foto. Op de foto: twee ogen. Alleen twee. Want, blijkbaar, kon een fototoestel het niet vangen wat hij wel kon zien.

Pip ging naar zijn opa. Zijn opa was de slimste persoon die hij kende, en de enige volwassene die kinderen NIET automatisch tegensprak. Pip vertelde alles.

Opa luisterde. Opa dacht na. Opa zei: "Pip, kun je morgen weer met me meegaan naar de winkel?"

De volgende dag gingen ze samen. Pip telde — voor opa — alle ogen. Opa zag niets. Maar opa vertrouwde Pip. En opa was beleefd tegen meneer Floem, kocht een zalmfilet, en vroeg — zo nonchalant mogelijk — waar meneer Floem oorspronkelijk vandaan kwam.

"Uit een dorp aan zee," zei meneer Floem. "Heel ver weg. U kent het niet."

"Een dorp aan welke zee?"

"Een... een diepe zee," zei meneer Floem, en alle negen van zijn ogen — alle negen — knipperden tegelijk. Pip zag het. Opa niet.

Thuis bedacht opa een plan. Hij had — opa was een vreemde man met vreemde hobby's — een oude boek over de geschiedenis van diepzeewezens. En in dat boek stond iets over een soort 'vis-mens', een wezen uit de diepzee dat zich onder volwassenen kon vermommen maar wiens vermomming voor kinderen niet altijd werkte. Vis-mensen hadden een specialiteit: ze haalden VITALITEIT uit hun klanten via de vis die ze verkochten. Klein beetje per maaltijd. Daarom werden mensen 'saaier'.

Opa zei: "Pip, we gaan een test doen."

De test was eenvoudig. Opa kocht weer zalm bij meneer Floem. Hij at de zalm niet — hij gooide hem in een doosje en gaf hem aan zijn kat. De kat slokte hem op. En drie uur later — was de kat saai. SAAI. Een normaal speelse kat. Niets meer. Hij lag op de kussen en keek naar het plafond en bewoog niet.

Opa wist genoeg. Hij belde een vriend bij het toezicht op de voedselveiligheid. Wat dat precies behelsde, weet Pip nog steeds niet helemaal. Maar binnen een week was de viswinkel gesloten. Meneer Floem was 'verhuisd'. Niemand wist waarheen. Boven de deur hing een briefje: "Door familieomstandigheden gesloten."

De kat van opa kwam langzaam terug. Drie weken later was hij weer speels. De andere mensen in het dorp ook. Iedereen voelde zich plotseling lichter, helderder, vrolijker. Niemand wist precies waarom.

Pip wist het. Pip vertelde het nooit aan iemand anders dan opa. En sindsdien — als Pip nieuwe mensen tegenkomt — telt hij eerst de ogen. Altijd. Voor de zekerheid.

— einde —