← Alle verhalen
Stout 9 minuten lezen

De Trein van Halftwee

De trein van halftwee was de stilste trein van Nederland. Dat kwam door conducteur Dam, die alles wat lawaai maakte ervan af gooide.

Conducteur Dam was de meest gevreesde conducteur van de NS. Hij werkte op het traject Almelo–Zwolle, en altijd op dezelfde trein: die van halftwee. De trein van halftwee had één bijzondere eigenschap. Het was de stilste trein van Nederland.

Dat kwam niet door de techniek. Dat kwam door conducteur Dam. Hij hield niet van geluid. Hij hield al helemaal niet van kinderen die geluid maakten. Wie babbelde, kreeg een dreigend handgebaar. Wie luidruchtig kauwgom kauwde, werd verzocht het door te slikken of uit te spugen. En wie het waagde te giechelen — nou ja. Die belandde op het volgende station op het perron, met of zonder zijn ouders.

Conducteur Dam had een snor zo groot dat hij eronder kon schuilen. Hij had wenkbrauwen die altijd gefronst waren, en een rode neus die deed denken aan een wortel die te lang in de zon had gelegen. Hij liep door de wagons met zijn handen op zijn rug en zei nooit meer dan twee woorden: "Plaatsbewijs?" en "Stil."

Bo was twaalf. Bo moest op een woensdag met de trein van halftwee. Hij ging naar zijn oma in Zwolle, omdat zijn moeder de hele middag aan het werk was. Bo had nog nooit van conducteur Dam gehoord, maar zijn moeder waarschuwde hem nog wel even: "Bo, je moet héél, héél stil zijn in deze trein, oké?"

"Ja mam," zei Bo. Maar Bo had één probleem. Bo had de HIK.

Hij had hem al sinds vrijdag. Hij had water gedronken met een rietje. Hij had achterstevoren tot tien geteld. Hij had op zijn kop op de bank gehangen. Niets had geholpen. Elke twintig seconden gaf zijn middenrif een vriendelijke schok en kwam er een klein, gepast "HIK" uit zijn mond.

Hij stapte in de trein. Hij zocht een plekje achterin. Hij dook in elkaar. "Hik."

Op de eerste tussenstop kwam conducteur Dam langs. Hij zag Bo. Hij hoorde de hik. Zijn snor trilde. "Plaatsbewijs?" siste hij.

Bo gaf hem het kaartje. "Hik."

Conducteur Dam keek hem aan met een blik die kon vriezen. "Stil."

"Ik kan er niets aan doen," zei Bo. "Ik heb de hi—HIK."

"STIL," zei conducteur Dam.

"Maar het is een ziekte—HIK!"

Conducteur Dam pakte Bo's koffertje en marcheerde ermee naar de deur. Bij het volgende station — Wierden, een klein station waar niemand uitstapte — zette hij het koffertje op het perron. "Eruit," zei hij.

Maar Bo was niet de enige in de wagon. Voor Bo, op een stoel met hoge leuningen, zat een klein oud vrouwtje. Zij had het hele gesprek gehoord. Zij had toegekeken hoe conducteur Dam Bo's koffer wegdroeg. En zij had — toen conducteur Dam naar de deur ging — heel rustig haar tasje opengemaakt.

Het oude vrouwtje haalde een fluitje tevoorschijn. Een politie-fluitje. Zilver. Met een ketting eraan. Ze stopte het in haar mond.

FLOEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEET.

Het geluid was zo hoog en zo doordringend dat conducteur Dam zijn handen om zijn oren sloeg. Bo schrok. Iedereen schrok. Maar — en dit was het verbazingwekkende — Bo's HIK was weg. WEG. Door de schrik. Verdwenen.

Conducteur Dam stond te draaien in de gang met zijn handen tegen zijn oren. "WAT DOET U?" gilde hij.

Het oude vrouwtje, heel rustig, zei: "Ik ben gepensioneerd politiecommissaris. En ik vind dat u zojuist een minderjarig kind probeerde uit te zetten op een leeg perron, vier kilometer van zijn bestemming. Ik wil graag uw naam, uw werkgever en uw badgenummer."

Conducteur Dam's snor zakte slap.

Hij liet Bo's koffer terug op de trein zetten. Hij excuseerde zich aan Bo. Hij excuseerde zich aan iedereen in de wagon. En de rest van de rit zat hij voorin het cabine met zijn pet in zijn handen.

Bij Zwolle stapte Bo uit. Hij zwaaide naar het oude vrouwtje, die hem een knipoog gaf. En conducteur Dam — heel kort, heel terloops — kreeg een rapport van de NS dat hem suggereerde of hij niet liever WERKVAKANTIE wilde nemen voor een tijdje. Dat deed hij.

Toen hij terugkwam, was hij stiller. Geen dreigend handgebaar. Geen "stil." Hij liep gewoon door de wagons en zei "plaatsbewijs?" en knikte. Als er een kind hikte, deed hij of hij het niet hoorde. Als een kind giechelde, deed hij of hij het niet hoorde.

En als het oude vrouwtje weer eens instapte — wat ze soms deed — zaluteerde hij heel kort. Met zijn hand bij zijn pet. Ze knipoogde altijd terug.

— einde —