De Tovenares van de Zolder
Yelle hoorde 's nachts geluid van boven. Het was geen muis. Het was geen rat. Het was iemand die thee zette.
Yelle was elf en woonde in een groot oud huis aan de Vlierlaan met haar moeder. Haar moeder werkte in de zorg en was vaak 's nachts niet thuis. Yelle vond dat niet zo erg — ze was niet bang van het donker, ze hield van de stilte, en het was haar eigen ruimte.
Maar één ding begon haar op te vallen. 's Nachts, soms tegen half twee, hoorde ze geluid van boven. Niet hard. Niet eng. Gewoon — geluid. Het scharrelen van een stoel. Het tikken van een lepel tegen een kop. En heel soms — heel zacht — het neuriën van een lied dat ze niet kende.
Yelle dacht eerst aan muizen. Muizen scharrelen. Toen aan ratten. Ratten zijn groter. Maar muizen en ratten neuriën geen liedjes en tikken geen lepels tegen koppen.
Op een woensdagavond besloot Yelle te gaan kijken. De zolder van het huis was via een steile trap te bereiken, en haar moeder had haar weleens verteld dat die boven "vol oude troep stond" en "niet veilig" was. Maar Yelle had nooit met haar eigen ogen gezien wat daar lag.
Met een zaklamp in de hand, in haar pyjama, sloop Yelle om half twee 's nachts naar boven. De trap kraakte. Ze hield haar adem in. Bovenaan was een deur. Onder de deur scheen een streepje warm geel licht.
Yelle duwde de deur open.
Op de zolder, tussen oude dozen, hangmatten, en een hertenkop aan de muur die haar moeder ooit van een neef had geërfd, zat een klein vrouwtje aan een tafeltje. Niet ouder dan vijftig, niet jonger dan veertig. Ze had lang grijs haar in een vlecht, een groene jurk, en een kopje thee voor haar staan. Naast haar lag een dik boek, opengeslagen op een pagina vol getekende symbolen.
Het vrouwtje keek op. Ze leek niet geschrokken. Ze leek niet verrast. Ze glimlachte — zachtjes — en zei: "Yelle. Eindelijk."
Yelle bleef in de deuropening staan. "Wie bent u?"
"Ik woon hier sinds 1947," zei het vrouwtje. "Ik ben Iris. Ik ben tovenares. Eigenlijk. Een soort."
Yelle staarde haar aan. Eén ding wist ze: ze had ooit gehoord dat haar overgrootmoeder ook Iris had geheten. En haar overgrootmoeder was overleden in 1947, voor haar geboorte. Of toch?
"U bent... mijn oma?"
"Overgrootmoeder," verbeterde Iris. "En ik ben niet helemaal overleden. Het is een lang verhaal. Korte versie: ik heb mezelf in 1947 in een staat tussen leven en dood gezet, omdat er een klein probleempje was met een fles drank waar ik geen vat op had. Maar ik wilde mijn familie blijven beschermen. Dus zit ik hier op zolder. Drink thee. Lees boeken. Help waar ik kan."
Yelle's hoofd tolde.
Maar Iris was niet eng. Iris was — eigenlijk — heel sympathiek. Ze nodigde Yelle uit om aan tafel te komen. Ze maakte een tweede kopje thee. Ze vroeg hoe het op school ging. Ze luisterde naar het verhaal van Yelle over de pestkop in haar klas (een jongen genaamd Stef die mensen aan hun rugzakken trok), en ze gaf advies — niet magisch, gewoon goed advies — over hoe ze het kon aanpakken.
Yelle ging die nacht naar bed met haar hoofd vol vragen.
De volgende ochtend vroeg ze haar moeder bij het ontbijt: "Mam, was overgrootmoeder Iris ook een soort... raar?"
Haar moeder keek op van haar koffie. "Iris? Ze was... uniek, zegt men. Mijn moeder vertelde dat ze altijd het gevoel had dat Iris haar in de gaten hield, ook nadat ze al overleden was. Ze noemde het 'een trooft gevoel'."
Yelle vertelde haar moeder nog niets. Want ze had het gevoel dat Iris voor haar was. Een geheim. Een eigen.
Yelle ging twee, drie avonden per week naar boven. Soms speelden ze kaart. Soms vertelde Iris verhalen over vroeger. Soms leerde ze Yelle kleine tovenarij-trucs — niets gevaarlijks, gewoon dingen als hoe je een blaadje sneller laat vallen, of hoe je weet welk kruid bij welke kwaal past.
Met de pestkop op school: Yelle volgde Iris's advies (waarbij Iris ook een paar dingen uit het oude boek had voorgesteld die Yelle had moeten weigeren, zoals "verander zijn haar in slijm"). Yelle koos voor de gewone, niet-magische versie: ze vertelde de meester, ze trok andere kinderen aan zich, ze leerde duidelijk te zeggen wat ze niet leuk vond. Het werkte. Stef trok niet meer aan haar rugzak.
Iris zit nog steeds op de zolder. Ze zal er nog jaren zitten, denk ik. Yelle is nu vijftien, en ze gaat nog steeds bij Iris langs. En als ze ooit zelf kinderen heeft, zal Iris die ook leren kennen, denkt ze. Iris belooft op de zolder te blijven zolang er familie in het huis woont. En als de familie ooit verhuist? Dan, zegt Iris, verhuist zij mee. Onmerkbaar. In een doos. Met haar boek en haar theekopje. Ze laat de familie nooit alleen.