De Tandarts met de Zilveren Hamer
Meneer Knaap was tandarts. Maar niet zomaar een tandarts — een hele bijzondere tandarts. Bijzonder VERVELEND, dat wel.
Meneer Knaap had drie haren op zijn hoofd en duizend in zijn neus, en hij hield meer van het geluid van huilende kinderen dan van het geluid van zijn eigen vrouw. (Zijn vrouw, mevrouw Knaap, hield trouwens ook meer van het geluid van huilende kinderen dan van het geluid van haar eigen man, dus het paste prima.)
Wat meneer Knaap zo bijzonder vervelend maakte, was zijn HAMER. Een kleine zilveren hamer, zo groot als een lepel, die hij altijd in zijn jaszak hield. Wanneer een kind in de stoel zat met de mond wijd open, en wanneer hij met zijn spiegeltje een gaatje had ontdekt, zei hij altijd hetzelfde:
"Welja, jongedame. Daar zit een echte rotter. Even op tikken."
En dan haalde hij zijn zilveren hamertje tevoorschijn en — TOK — gaf hij een venijnige tik op de zere kies. Niet hard genoeg om hem te breken. Maar wel hard genoeg om je tot je tenen te laten knijpen en je vingernagels in de leuningen van de stoel te laten zetten. Daarna grinnikte hij met al zijn zes echte tanden en twintig gouden, en zei: "Daarvan groei je."
Mette was negen en woonde aan de Walnootstraat, vlak om de hoek bij de praktijk van meneer Knaap. Op een nare donderdag zat ze in zijn stoel. Hij had zijn hamertje al uit zijn zak gehaald. Hij had al gegrinnikt. Maar Mette had iets meegenomen wat geen ander kind had meegenomen — en dat was een klein potje suikerbietenstroop, dik en plakkerig, dat ze die ochtend in de keuken had gepikt.
Op het moment dat meneer Knaap zich vooroverboog, plopte ze de stroop in haar mond, kreunde alsof er een grote pijn was, en spuugde een dikke, klevende, donkerbruine straal recht in zijn snor.
"GAH!" zei meneer Knaap, want zijn snor was zijn trots en zijn glorie en zijn enige knuffelding.
Hij liet zijn hamertje vallen. Op zijn voet. Dat deed pijn. Hij hupte op één been. Hij hupte tegen het bakje met sondes. Het bakje met sondes ging om en de sondes vlogen door de kamer als zilveren regen. Een sonde landde op de tandartstoel-knop en de stoel zoemde omhoog, met meneer Knaap eraan vast omdat zijn ene voet erin gehaakt was. Hij rees naar het plafond als een ballon.
Mette stond op, pakte zijn zilveren hamertje van de vloer, en stopte het in haar zak. Toen liep ze naar buiten, langs de boze ogen van mevrouw Knaap, die in de wachtkamer zat te breien en geen reden had om iets te doen, want ze hield niet zo van haar man, weet je nog.
Vanaf die dag had meneer Knaap nooit meer een hamertje. Het werd nooit meer teruggevonden. Iedere keer dat een kind klaagde over een rare kies, zei hij met een trillende stem: "We wachten gewoon even. Misschien gaat het vanzelf over." En hij keek schuw naar de hoek waar de stroopvlek nog een beetje plakkerig was op het plafond.
Mette had het hamertje aan haar moeder gegeven. Haar moeder gebruikte het om walnoten mee te kraken. Dat is — vond Mette altijd — een veel betere bestemming voor zo'n ding.