← Alle verhalen
Stout 11 minuten lezen

De School zonder Ramen

Directeur Gries had één doel in het leven: kinderen laten leren. En als de zon ervoor zorgde dat ze uit het raam keken, dan moest de zon weg.

Directeur Gries leidde de basisschool 'De Stevige Toekomst' aan de Schoollaan. Hij was een lange, magere man met een gezicht zo strak als een gewassen overhemd en een stem die klonk alsof hij door een blikje sprak. Hij had één ding waar hij van hield in het leven, en dat was OORDE en TUCHT. Hij had één ding waar hij een hekel aan had, en dat was alles wat niet OORDE en TUCHT was.

Directeur Gries had vastgesteld dat de grootste vijand van OORDE en TUCHT in zijn school... de ramen waren. Want kinderen — die luie, kleine, dromerige wezens — keken uit het raam. Ze zagen vogels. Ze zagen wolken. Ze zagen het gras heen en weer wiegen. En in plaats van zich te concentreren op de cijfers die op het bord stonden, dachten ze aan vogels en wolken en gras.

Dus op een zomervakantie liet directeur Gries — zonder de leraren erbij te betrekken — een aannemer komen die ALLE ramen van ALLE klaslokalen dichtmetselde. Met bakstenen. Plomp, plomp, plomp. Steen op steen. Tot er geen druppeltje licht meer naar binnen kwam.

Toen de kinderen op de eerste schooldag binnenkwamen, was het stil. Heel stil. De gangen waren donkerder. De klaslokalen ook. Aan elke muur, waar vroeger zonlicht binnenviel, was nu een platte, ruwe baksteen-vlakte. De TL-lampen aan het plafond brandden de hele dag, ook in juni.

"WELKOM," donderde de stem van directeur Gries over de schoolomroep. "WELKOM IN EEN NIEUW TIJDPERK VAN CONCENTRATIE. ZONDER AFLEIDING. ZONDER ZON. ZONDER UITZICHT. EN MET BEDUIDEND MEER LEREN."

De kinderen werden bleek. Niet figuurlijk — letterlijk. Want zonder zonlicht word je bleek. Binnen drie weken zagen ze er allemaal uit als kleine plantjes die in een kelder waren gegroeid. Hun cijfers gingen niet omhoog. Hun cijfers gingen omlaag. Ze waren moe, suf en kwaadaardig humeurig.

Niet alle kinderen lieten zich dat zomaar overkomen. In groep 8 zat een jongen die Mio heette. Hij had wild zwart haar, een schele neus, en een geest die werkte als een uurwerk vol kleine ratjes die overal heen renden. Mio kon niets zonder licht. En hij weigerde te accepteren dat licht een privilege was geworden.

Mio bedacht een plan. Hij had hulp nodig — en hij vond die hulp bij Yara, het meisje uit groep 7 dat altijd een zakdoek in haar mouw had en wist hoe je een radio uit elkaar haalt en weer in elkaar zet.

Samen smokkelden ze, gedurende drie weken, één voor één PLANTJES de school in. Onder hun jas. In hun rugzak. In hun broodtrommel. Kleine plantjes, grote plantjes, klimplanten en kruidenpotjes en bonen die hun moeders op de vensterbank kweekten. Ze zetten ze in elke nis, op elke vensterbank-die-geen-vensterbank-meer-was, op elke trap, op elke kast.

Daarna gingen ze stiekem 's nachts terug. Mio had de sleutels gekopieerd toen de conciërge stond te dommelen. Met Yara's elektrische schroevendraaier en een paar gigantische TL-lampen die ze uit een zolder hadden weggehaald, installeerden ze SPECIALE LAMPEN — groei-lampen, voor planten — in elk klaslokaal. Niet om licht aan kinderen te geven (dat had directeur Gries verboden), maar om licht aan PLANTEN te geven (dat had hij niet verboden, want hij had niet aan planten gedacht).

De planten groeiden. En groeiden. En groeiden. Tegen kerst was elk klaslokaal een soort jungle. Vines kropen langs de muren. Bonenranken hingen van het plafond. Tomatenplanten droegen kleine rode bolletjes naast de schoolbord-randen. Het rook lekker. Het voelde levend. En het licht — het felle, witte, groen-getinte licht van die groeilampen — gaf de hele dag een gevoel van zon.

Directeur Gries kreeg dat in de gaten in januari. Hij stormde door alle klaslokalen. "WEGHALEN!" brulde hij. "WEG MET DIE TUINIERS-ROMMEL!"

Maar hier was het probleem. De planten waren nu zo verweven met de muren, met de leidingen, met de verwarmingsbuizen, dat je ze niet zomaar kon weghalen. En het tweede probleem: de kinderen waren — sinds Mio's plan — wakker geworden. Echt wakker. En ze waren in januari met z'n allen, alle 287 kinderen, een staking begonnen.

Geen kind kwam meer naar school. Drie weken lang. De ouders schreven brieven. De krant kwam langs. De wethouder kwam langs. En op een donderdag in februari kwam ook de inspecteur van het onderwijs, een vriendelijke vrouw met een stem als een fluitje.

Toen ze zag wat directeur Gries had gedaan — de dichtgemetselde ramen, de bleke kinderen, het verbod op licht — werd ze stil. Niet kwaad. Stil. Wat veel erger is dan kwaad. En toen zei ze: "Meneer Gries. U heeft uitstekend werk gedaan. U heeft mij precies laten zien wat een directeur NIET moet doen. Hartelijk dank."

Drie weken later was directeur Gries weg. De ramen werden weer opengebroken. Het licht stroomde naar binnen als een verloren vriend. En Mio en Yara — die behalve de redders ook de uitvinders waren van de schooljungle — kregen ieder een echte zilveren medaille, die ze de rest van hun leven aan een touwtje om hun nek droegen. Zelfs in bad.

— einde —