De Schoenmaker zonder Hart
Niemand wist dat de schoenmaker een speciaal trucje had. Tot de burgemeester nieuwe schoenen kreeg.
Meneer Lap was een schoenmaker met een werkplaats zo klein dat je er nauwelijks in kon staan zonder je hoofd te stoten tegen een hangende veter. Hij had een gerimpeld gezicht, een snorretje dat geen kant op koos, en handen die roken naar leer en lijm en een vleugje rozemarijn (omdat hij in zijn middageten altijd rozemarijn deed).
Wat niemand wist — niemand, behalve één klein meisje dat we later zullen leren kennen — was dat meneer Lap niet zomaar een schoenmaker was. Hij was een tovenaar. Niet een spitse-hoed-soort-tovenaar. Een hele praktische soort. Hij stopte iets in elke schoen die hij maakte: een minuscuul stukje van zijn eigen geweten.
Daardoor hadden zijn schoenen een eigenschap. Een vreemde, magische, en — voor sommigen — vervelende eigenschap. De schoenen PIEPTEN. Maar niet zomaar. Ze piepten alleen wanneer hun drager LOOG.
Voor mensen met een rein geweten was het geen probleem. Mevrouw Bep, de bakker, droeg meneer Lap's schoenen al twintig jaar, en haar schoenen hadden nog nooit gepiept. Niet één keer. Voor mevrouw Bep was haar leven simpel: ze bakte brood, ze rekende af, ze ging naar bed.
Voor andere mensen was het lastiger. Meneer Stork de loodgieter had een paar gekocht op een vrijdag en ze al op zaterdag teruggebracht omdat ze tijdens het zaterdaglunchen met zijn vrouw — toen hij vertelde over zijn werkdag — onophoudelijk waren gaan piepen. Zijn vrouw had hem aangekeken. Hij was niet meer welkom thuis tot hij precies vertelde waar hij geweest was.
Meneer Lap nam de schoenen aan. "Misschien past u beter de bruine pantoffels," zei hij. Hij wist precies wat er aan de hand was.
Nu, in het dorp, was er een burgemeester. We zullen hem voor het gemak Burgemeester Druif noemen. Hij was rond, gesoigneerd, en bezat een mond die altijd glimlachte alsof hij net iets verkocht had. Hij was — zoals burgemeesters helaas soms zijn — niet helemaal eerlijk over wat hij met het geld van het dorp deed.
Burgemeester Druif had nieuwe schoenen nodig voor de jaarlijkse Lentebal. Hij ging — omdat het stadhuis vlakbij was — naar meneer Lap.
"Ik wil de beste," zei Burgemeester Druif. "Bordeauxrood leer. Met gouden gespjes. En héél stil — geen geklep bij het lopen."
Meneer Lap knikte. Hij mat de voeten van de burgemeester. Hij neuriede zachtjes, wat hij altijd deed als hij iets stiekems van plan was. Een week later waren de schoenen klaar. Bordeauxrood leer. Gouden gespjes. Glanzend als spiegels.
Op de avond van de Lentebal liep Burgemeester Druif het stadhuis binnen, in zijn nieuwe schoenen, en hij hield zijn jaarlijkse toespraak vanaf het bordes.
"Geachte burgers," begon hij.
PIEP.
Een korte, hoge piep. Iedereen keek om. Iedereen dacht: er klonk een muis. Burgemeester Druif keek ook om.
"Eh," zei hij. "Het is een eer mij hier vanavond toe te spreken aan u allen, die ik allemaal even hartelijk welkom heet—"
PIEPPIEPPIEP.
De piepjes kwamen NU van zijn voeten. Iedereen keek naar zijn voeten. Burgemeester Druif werd rood. Hij ging door.
"Het afgelopen jaar is er hard gewerkt aan onze gemeente. We hebben investeringen gedaan in—"
PIEP. PIEPPIEPPIEPPIEP.
"—nieuwe straatlantarens—" PIEP "—en de aanleg van het park—" PIEEEP "—en het ziekenhuis—" PIEEEEPPIEEEEP "—en uw belastinggeld is keurig op de juiste plaats terechtgekomen—" PIEEEEPPIEEEEPPIEEEEP zo lang en zo hoog dat de glazen in de kroonluchter er trilden.
De zaal was stil. Heel stil. Stiller dan een zaal ooit was geweest. Tot iemand — een klein, fris ogend meisje achter in de zaal, dat Iris heette en óók in een ander verhaal had gefigureerd — opstond en zei, heel duidelijk: "Burgemeester, ik denk dat uw schoenen het beter weten dan u."
Burgemeester Druif keek omlaag. Hij keek omhoog. Hij keek naar de deur. Hij keek naar zijn vrouw, die hem aanstaarde alsof ze hem voor het eerst zag.
Toen begon hij — verbazingwekkend — te huilen. Niet veel. Niet hard. Maar wel echt. En hij vertelde, midden op de Lentebal, alles. Over het belastinggeld. Over de sigaren. Over de vakantiehuisjes. Alles.
Hij werd niet de burgemeester van Hagelkamp. Maar hij verloor zijn ambt en moest een tijd lang elke ochtend om zes uur op het marktplein naar mensen toe lopen en hen zeggen wat hij verkeerd had gedaan. Het was de meest gevreesde straf van het dorp, en de heilzaamste.
Burgemeester Druif's schoenen werden in een glazen kastje gezet in het gemeentehuis, als waarschuwing voor de volgende burgemeester. En meneer Lap zat in zijn werkplaats en neuriede zacht en lijmde een veter aan een nieuwe sandaal. Hij glimlachte heel licht. Het was het hartwarmendste glimlachje dat hij in jaren had gegeven.