De Roltrap die Omhoogging in een Verkeerd Gebouw
Het was gewoon een winkelcentrum. De roltrap ging gewoon omhoog. Tot Bas merkte dat hij niet meer op de derde verdieping uitkwam — maar in iets anders.
Bas had niks meer over geld op een woensdag in november. Hij was twaalf, en hij had zijn hele zakgeld uitgegeven aan een walkie-talkie set die uiteindelijk niet werkte. Hij was in het winkelcentrum met zijn moeder. Zijn moeder was in een kledingwinkel. Bas had geen zin om mee te gaan en hing rond bij de roltrappen.
Het winkelcentrum had vier verdiepingen. Op de eerste: kleding en cafés. Op de tweede: speelgoed en elektronica. Op de derde: keukenartikelen en parfumerie. Op de vierde: kantoorpanden en de toiletten.
Bas stond bij de eerste verdieping en stapte op de roltrap omhoog. Hij was eerder met deze roltrap omhoog gegaan — gewoonlijk om naar de speelgoedwinkel te gaan op de tweede.
Maar op de tweede stopte de roltrap niet bij de speelgoedwinkel. De roltrap ging hoger.
Bas keek omlaag. De eerste verdieping was zo'n vijftien meter onder hem. Hij keek omhoog. Bovenaan was geen tweede verdieping. Er was alleen een open ruimte, met een donker plafond, en een licht aan het einde dat geel-blauw flikkerde.
Bas overwoog terug te lopen. Maar roltrappen lopen naar boven, en je kunt niet zomaar naar beneden lopen tegen de richting in — niet als ze sneller bewegen dan jij. Hij wachtte. De trap zou wel weer eindigen. Toch?
De roltrap eindigde inderdaad. Maar niet in het winkelcentrum.
Bas stapte uit op een vloer van zwarte tegels. Voor hem strekte een gang uit, hoog, met aan beide kanten houten deuren met koperen handvatten. Op elke deur stond een nummer in goud. Er was geen koffiearoma. Geen klantgeruis. Geen muzak op de achtergrond. Het was héél stil.
Bas dacht eerst: ben ik op de verkeerde verdieping uitgekomen? Maar nee. Hier was geen winkel. Geen weegschaal. Geen kassa.
Hij liep terug naar de roltrap. De roltrap was weg. Op de plek waar hij had gestaan, was nu een muur. Effen wit. Geen voegen. Geen scharnier. Niets.
Bas kreeg een steek in zijn maag. Maar hij was een nieuwsgierige jongen, en hij had — gelukkig — de gewoonte om in een paniek niet meteen te gaan huilen, maar eerst rond te kijken.
Hij liep door de gang. Hij voelde aan de deurklink van deur nummer 1. Vergrendeld. Deur 2: vergrendeld. Deur 3: vergrendeld. Deur 4: open.
Bas duwde de deur open en gluurde naar binnen. Wat hij zag, was een kamer vol met dingen die geen mens MOET zien.
Op planken stonden potten. In elke pot zat iets. Sommige potten bevatten kleine donkere bolletjes die schoolt en draaiden. Andere potten bevatten een zilverachtige damp die heen en weer kringelde. In één pot zat een klein wit handje, niet groter dan een paddenstoel, dat lichtjes wenkte.
Bas keek opzij. Op een grote tafel lag — net als in een doktersklas — een soort lichaam. Niet helemaal menselijk. Hoger dan een mens. Met groene ribben. Het ademde niet. Of het ademde wel, maar zo langzaam dat het uren tussen elke ademteug duurde.
Bas voelde dat dit een plek was waar hij niet hoorde te zijn. Maar tussen hem en weg was alleen de witte muur waar de roltrap was geweest. Hij liep snel terug naar de gang. En toen — als een zegen — opende deur 7 zich plotseling vanzelf. Achter de deur was een kleine, witte kamer met een raampje, en in het raampje een glimp van... bos. Een normaal bos. Buiten.
Bas rende erheen. Hij rende door deur 7. Achter zich hoorde hij iets bewegen — een schuifelend geluid, als iemand die schoenen aanhad die niet helemaal pasten. Hij durfde niet om te kijken.
Hij ging door het raam. Hij landde in een sloot, in een echte sloot, in een echt bos, en hij was nat en koud maar verder oké.
Hij rende drie kilometer terug naar de stad. Hij vond het winkelcentrum. Hij vond zijn moeder, die woedend was omdat hij er een uur over had gedaan om "terug te komen uit het toilet".
Bas vertelde het haar later. Ze geloofde hem half. Ze ging wel mee naar het winkelcentrum, twee weken later, met hem. Ze namen de roltrap. De roltrap stopte op de tweede verdieping bij de speelgoedwinkel, zoals normaal. Niets vreemds. Niets bovennatuurlijks.
Maar Bas zag — heel even, in zijn ooghoek — een glimp van een houten deur met een gouden nummer ergens hoog boven het plafond. En de deur sloot zich precies op het moment dat hij erheen keek.
Bas gebruikt sinds die dag de trap. Altijd. In ELK gebouw.