← Alle verhalen
Magisch 10 minuten lezen

De Reuzenkool van Boer Klink

Boer Klink wilde de grootste kool van het hele dorp. Hij kreeg er een die groter werd dan zijn schuur.

Boer Klink was de hebzuchtigste boer van het dorp Hagelkamp. Niet de hebzuchtigste in de buurt, niet de hebzuchtigste in de provincie — de hebzuchtigste in het hele dorp, wat eigenlijk meer zegt over Hagelkamp dan over boer Klink, want Hagelkamp had nogal wat hebzuchtige boeren.

Boer Klink had armen als boomstammen, een gezicht als een verbrand brood, en handen die altijd jeukten bij het zien van iets wat groter was dan wat hij had. Hij was dol op één ding boven alle anderen: WINNEN op de jaarlijkse oogstwedstrijd. Daar was een trofee voor de grootste groente. Een grote bronzen trofee in de vorm van een uitgeholde knol, met een lintje dat eeuwig droog was van eerdere prijswinnaarstranen.

Boer Klink had drie jaar achter elkaar gewonnen. Met een biet zo groot als een paardenhoofd. Met een courgette die niet door zijn auto deur paste. Met een wortel die hij persoonlijk uit de grond moest hijsen met een touw om zijn middel.

Maar dit jaar wilde hij iets ECHT groots. Iets dat de hele provincie zou bespreken. Hij wilde een KOOL. De grootste kool die ooit op aarde was gegroeid.

Hij had gehoord van een oud vrouwtje aan de rand van het dorp dat "speciale zaden" verkocht. Iedereen lachte erom. Niemand kocht ooit iets bij haar. Maar boer Klink — gulzig, ongeduldig, niet bepaald slim — fietste op een vroege ochtend naar haar huisje.

Het vrouwtje was klein als een gevulde sok en had wenkbrauwen tot in haar haar. Ze keek hem aan zonder iets te zeggen, alleen met haar ogen die zich knipperden als kleine ramen.

"Ik wil een kool," zei boer Klink. "De grootste ooit. Ik betaal goed."

Het vrouwtje knikte langzaam. Ze schuifelde haar huisje binnen en kwam terug met één — niet twee, één — grijs zaadje, niet groter dan een speldenknop. "Vijftig euro," zei ze.

"Vijftig euro? Voor één zaadje?"

"Vijftig euro," zei het vrouwtje. "Of niets."

Boer Klink betaalde, ietwat brommend, en fietste naar huis. Hij plantte het zaadje in zijn beste stukje land, achter de schuur, en goot er heel veel water op. Hij hield het in de gaten als een havik.

De eerste week gebeurde er niets. De tweede week — een kiempje. De derde week — een blad. De vierde week — een struik. De vijfde week — een struik zo groot als een hond. De zesde week — een struik zo groot als een fiets. Boer Klink wreef in zijn handen. Hij wist al wie de trofee zou krijgen.

Maar de kool stopte niet. De zevende week was hij zo groot als een wasmachine. De achtste week, een koe. De negende week, een paard. Tegen de tijd dat boer Klink de stelers van de wedstrijd wilde bellen, was de kool zo groot als zijn schuur.

En hij groeide door.

Tegen de elfde week had de kool de schuur bedekt. De koeien in de wei stonden in de schaduw van de kool. Tegen de twaalfde week hing er een bladrand over de muur naar de Spilstraat. Tegen de dertiende week zat boer Klink IN DE KOOL — letterlijk binnen — omdat hij erin was geklommen om te kijken hoe groot hij wel niet was, en de buitenste bladeren zich daarna over hem heen hadden gevouwen als een dichtgaand boek.

Hij riep. Hij stampte. Hij sloeg met zijn vuist tegen het vlees. Maar het vlees was tien meter dik. Niemand hoorde hem. En binnen — heel geleidelijk aan — vond hij een soort glimlach. Want, dacht hij, dit is mijn KOOL. Mijn EIGEN KOOL. Hier heb ik vijftig euro voor betaald.

Drie dagen later, toen niemand boer Klink meer had gezien, ging zijn vrouw naar het oude vrouwtje. "Mijn man," zei mevrouw Klink, "is verdwenen. Wat moet ik doen?"

Het vrouwtje keek naar haar en knipperde met haar wenkbrauw-ramen. "Vrouwtje," zei ze, "jouw man zit in de kool. En de kool blijft groeien. Tot hij genoeg heeft."

"Genoeg waarvan?"

Het vrouwtje glimlachte. "Genoeg van hém."

Mevrouw Klink ging naar huis. Ze pakte een mes. Ze sneed een opening in de kool. En binnen — opgekruld als een groot bleek gebraadje — zat boer Klink, dunner, kleiner, met zijn ogen wijd open en zijn mond stil. Zo stil als hij in jaren was geweest.

Hij was niet meer hebzuchtig. Niet één spoortje. Hij keek mevrouw Klink aan en zei: "Sorry van de bieten. Sorry van de courgettes. Sorry van de wortels." En toen begon hij te huilen, zachtjes maar oprecht.

De kool werd in stukken gesneden en aan iedereen in het dorp uitgedeeld. Twintig families aten er een week van. Boer Klink ging nooit meer naar de oogstwedstrijd. Hij verkocht zijn boerderij en werd boekhouder bij een verzekeringsmaatschappij, wat hem heel saai en heel gelukkig maakte. En als iemand hem vroeg waarom hij zo veranderd was, zei hij alleen: "Een kool heeft mij geleerd."

— einde —