De Postbode die Brieven Las
Meneer Stook bezorgde post. Maar hij las alles eerst. En dat liep slecht voor hem af.
Meneer Stook was de postbode van de Tulpenwijk. Hij droeg een blauwe pet, een tas die zo zwaar was dat hij scheef liep, en een soort permanente glimlach die er niet hoorde te zitten. Want het was geen vriendelijke glimlach. Het was een DIE-WEET-IETS-glimlach. Een glimlach die zei: ik heb gezien wat in de envelop van jouw oma zit.
En dat was precies wat meneer Stook deed. Hij las brieven. Allemaal. Voordat hij ze bezorgde, stoomde hij ze open boven de fluitketel van zijn keuken, las hij de inhoud terwijl hij thee dronk, en plakte ze weer dicht met zo'n speciaal lijmstaafje uit Duitsland.
Hij wist daardoor wat niemand wist. Hij wist dat mevrouw Van Beek bang was voor haar man. Hij wist dat meneer Pinker geld leende van zijn broer en het nooit teruggaf. Hij wist welke kinderen aan welke jongens of meisjes verkering vroegen, en welke briefjes die kinderen later zo schaamtevol verfrommelden dat ze ze door de wc spoelden.
Saar was elf en woonde aan de Tulpenstraat 14. Saar schreef brieven aan haar tweelingzus, die in Canada woonde sinds hun ouders gescheiden waren. In die brieven schreef ze GEHEIMEN. Echte. Erge. En meneer Stook las ze allemaal en grinnikte op zijn keukenstoel en zei tegen zichzelf: "Wat een sappig hoofdstuk vandaag, ja ja."
Op een woensdag had Saar er genoeg van. Ze had iets opgemerkt. De flap van haar laatste brief was scheef teruggeplakt. De vorige ook. En de vorige ook. En toen, één keer, was er een bruine vlek op de hoek die naar thee rook.
Saar zei het tegen haar oma, die naast hen woonde. Haar oma was klein en gerimpeld en had ogen als groene knikkers en een verstand zo scherp dat je je vinger eraan kon snijden.
"Hmmmm," zei oma. "Dan moeten we hem een brief sturen die hij niet zal vergeten."
Samen schreven ze een brief. Aan Saar haar zus. Vol verzonnen geheimen. Verschrikkelijke geheimen. Saar schreef bijvoorbeeld dat ze van plan was de fontein op het marktplein paars te verven (gelogen). Dat ze 's nachts uit het raam klom om bij de geiten van boer Bom te dansen (gelogen). En het beste: dat ze precies wist wie de gouden klok uit de kerk had gestolen vorige maand, en dat ze dat aan de politie ging vertellen.
Er was natuurlijk geen gouden klok gestolen. Dat hadden Saar en oma helemaal verzonnen.
Twee dagen later — kijk eens aan — stond meneer Stook plotseling bij de pastoor op de stoep. Hij had een mand met bloemen bij zich. Hij was bleek. Hij stamelde dat hij wel wist welke 'fluisteringen' er gingen, en dat hij wilde uitleggen dat hij echt nooit de gouden klok had aangeraakt. De pastoor keek hem verward aan, want er was geen gouden klok. Geen klok had ooit ergens gestaan. De kerk had alleen een kleine zilveren bel waarmee men het Lof aankondigde.
Maar meneer Stook bleef praten. En praten. Hij biechtte op dat hij — sinds drie jaar — wel een paar andere dingetjes had meegenomen. Een paar zilveren lepeltjes. Een gouden ring uit een verloofdenbrief. Een paar bankbiljetten uit een verjaardagskaart.
De pastoor luisterde. De pastoor knikte. En toen de pastoor naar de telefoon liep om de politie te bellen, probeerde meneer Stook nog te vluchten. Maar zijn postzak was zo zwaar dat hij struikelde over de drempel en op zijn snor (die hij niet eens had) tegen de deurmat klapte.
Drie weken later kreeg Saar een nieuwe postbode. Een jonge vrouw die fluitend door de straat liep en de brieven gewoon door de bus duwde, zonder enige interesse in wat er in zat. Saar zwaaide naar haar elke ochtend. En oma maakte koffie en zei: "Zie je wel, schat. Een brief is een uitnodiging om gelezen te worden. Maar door de juiste persoon."