← Alle verhalen
Magisch 10 minuten lezen

De Oom die in een Pad Veranderde

Oom Burrie was gemeen. Heel erg gemeen. En de Oude Vrouw bij de Vijver had genoeg gezien.

Oom Burrie was de broer van Lieke's vader. En oom Burrie was, om het kort te zeggen, een afschuwelijk mens. Hij had wenkbrauwen die op rups leken en lippen die altijd nat waren van zijn eigen speeksel. Hij rook naar oude sigaar en een vleugje weggegooide boterhammen.

Het ergste aan oom Burrie was niet hoe hij eruitzag. Het ergste was wat hij DEED. Hij kwam elke zondag op bezoek omdat hij wist dat Lieke's moeder appeltaart bakte. Hij at altijd de helft op. Hij liet kruimels in de bank vallen. Hij maakte rare opmerkingen over Lieke, dingen als: "Wat een dik kind. Worden ze tegenwoordig allemaal zo dik?" terwijl Lieke helemaal niet dik was. En hij gaf haar elke verjaardag hetzelfde cadeau: een gebruikte zakdoek met zijn initialen erop.

Lieke had hem proberen te negeren. Lieke had hem proberen weg te lopen. Maar oom Burrie kwam altijd terug. Hij was als kauwgom onder een schoen.

Op een zomeravond ging Lieke alleen wandelen langs de vijver achter het dorp. De zon was net onder. Het water was stil als een spiegel. Aan de rand van de vijver, op een rotsblok, zat een oude vrouw die ze nog nooit eerder had gezien. Ze had haar zo wit als melk, ogen zo groen als slootwater, en handen die rustig in haar schoot lagen, met vingers zo lang als breinaalden.

"Wat een verdrietig gezichtje voor zo'n zonsondergang," zei de vrouw.

Lieke had eigenlijk geen zin om met vreemden te praten. Maar er was iets aan deze vrouw — iets vriendelijks, maar tegelijk iets dat tinkelde als ijs in een glas. Dus Lieke ging zitten en vertelde haar over oom Burrie. Over alles wat hij deed. Over het feit dat hij volgende week weer zou komen voor haar verjaardag, en ze zich daar nu al voor schaamde.

De oude vrouw luisterde tot het einde. Toen knikte ze. Ze stak een hand in haar zak — een zak die te diep leek voor een normale jurk — en haalde er een kleine groene knikker uit. Niet groter dan een erwt.

"Geef hem deze," zei de vrouw. "In zijn appeltaart. Of in zijn thee. Maakt niet uit. Hij zal niets proeven. Maar binnen vijf minuten zal hij iets... onthullen."

"Wat onthullen?" vroeg Lieke.

De oude vrouw glimlachte. Het was geen vrolijke glimlach en geen gemene glimlach. Het was de glimlach van iemand die heel veel weet en heel weinig zegt. "Iedereen heeft een binnenkant," zei ze. "Soms moet die naar buiten."

Lieke nam de knikker. Toen ze opkeek om bedankt te zeggen, was de oude vrouw weg. Helemaal weg. Alsof ze er nooit was geweest. Alleen een klein hoopje natte modder lag op het rotsblok, in de vorm van een vrouwenrug.

Op zondag — Lieke's verjaardag — kwam oom Burrie zoals altijd. Hij gaf haar een gebruikte zakdoek (dit keer geel) en plofte op de bank. Lieke's moeder zette koffie. Lieke ging naar de keuken om hem te helpen.

Met haar hart in haar keel stopte ze de groene knikker in oom Burrie's appeltaart. Tussen de stukjes appel verstopt. Onzichtbaar.

Hij at hem op. In drie happen. Hij smakte met zijn natte lippen. Hij keek zelfvoldaan op.

En toen — heel langzaam — gebeurde er iets. Oom Burrie's huid werd groen. Niet een beetje groen. ALS-GRAS groen. Zijn wenkbrauwen vielen eraf. Zijn neus zonk weg in zijn gezicht. Zijn ogen groeiden uit hun kassen tot ze als doppen aan de zijkant zaten. Zijn buik zakte naar beneden. Zijn benen krompen. Zijn armen krompen. Zijn jas viel om hem heen als een tent.

Op de bank zat geen oom Burrie meer. Op de bank zat een grote, dikke, glimmende pad. Een pad met natte lippen, een rond, opgeblazen lijf, en wenkbrauw-vormige zwarte vlekjes boven zijn ogen.

Lieke's moeder slaakte een gilletje. Lieke's vader liet zijn koffiekopje vallen. Maar Lieke pakte heel rustig een schoenendoos uit de gang, deed de pad erin, en bracht hem die avond terug naar de vijver.

Ze zette de doos open. De pad kwakte er een beetje verdwaasd uit. Hij keek haar aan met die uitpuilende ogen. En heel even — heel kort — zag Lieke dat er iets als spijt in stond. Maar het was te laat voor spijt. Veel te laat.

Hij plonsde de vijver in en was weg.

De volgende verjaardag van Lieke kwam zonder oom Burrie. En alle daarna ook. En als Lieke nu langs de vijver loopt, hoort ze soms een pad kwaken — een diepe, natte kwaak — en dan zwaait ze. Alleen om beleefd te zijn.

— einde —