De Man die Kinderen Verzamelde
Meneer Brink verzamelde antiquiteiten. En sinds een paar maanden ook iets veel ergers.
Meneer Brink was een veilinghouder. Niet zomaar een veilinghouder — een héél deftige. Hij droeg pakken met streepjes, sprak met een lispelende stem, en wist verbazend veel over Chinese vazen, Perzische tapijten en zestiende-eeuwse zilveren lepeltjes.
Maar meneer Brink had — net als veel mensen die er aan de buitenkant deftig uitzien — een nare binnenkant. Hij had ergens in zijn leven beslist dat verzamelen niet stopte bij vazen. Hij wilde een collectie. Een unieke. Iets wat geen ander rijk persoon op deze planeet had. En de afgelopen maanden had hij — heel langzaam, heel slim, heel stiekem — een nieuwe categorie toegevoegd: portretten van kinderen.
Niet zomaar portretten. Échte portretten. Met écht kind erin.
Hier is hoe het werkte. Meneer Brink kwam in een dorp aan met een grote zwarte camper. Hij stelde zich voor aan ouders. Hij zei dat hij "de mooiste kinderportretten van Nederland" maakte. Voor heel weinig geld — soms gratis — een levensgroot olieverfportret van uw kind. Een mooi gebaar! De ouders waren altijd geïmponeerd.
Het probleem: het was geen olieverf. Het was iets anders. Iets dat meneer Brink had gevonden in een oud boek over middeleeuwse alchemie. Een verf die — als je hem op een houten paneel aanbracht en het kind ervoor liet zitten — niet alleen een afbeelding maakte. Hij ZOOG iets uit het kind. Niet veel. Geen leven. Maar een soort SCHITTERING. De levendigheid in hun ogen. Hun gemakkelijke glimlach. Hun lach.
Na een sessie waren de kinderen 'rustiger'. 'Bedaarder'. De ouders dachten dat het van de spanning kwam. De ouders kregen een prachtig portret. Meneer Brink reed weg met iets veel beters: een levend ding, in een hoek van zijn galerie, dat hij voor miljoenen kon verkopen aan collega-verzamelaars die ervan wisten.
Hij was al in zes dorpen geweest. Hij had zes portretten. Hij was op weg naar het zevende.
Het zevende dorp was Hagelkamp, waar Maartje woonde. Maartje was tien jaar, hield van paarden, en was net het kleurpotlood van haar broer kwijtgeraakt toen meneer Brink op een dinsdag bij hun voordeur belde.
Maartje's moeder was enthousiast. Een gratis portret! Maar Maartje voelde iets. Niet iets logisch. Iets in haar maag. Toen ze meneer Brink een hand gaf, was zijn hand koud. Niet koud van buitenlucht — koud van binnenuit. En zijn ogen glinsterden te veel.
Maartje ging naar haar opa, die in hetzelfde huis woonde. Opa was 78, had één oog (het andere had hij verloren in de oorlog), en had het overlevingsinstinct van een vos.
"Opa," zei Maartje, "ik vertrouw die man niet."
Opa knikte langzaam. Opa vertrouwde Maartje's gevoel. Hij hinkte naar het raam en gluurde naar de camper. Hij zag dingen die anderen niet zagen. Hij zag de schilderspaneelen die te zwart waren. Hij zag de manier waarop meneer Brink — toen hij in zijn camper een schilderij ophield — héél even glimlachte zoals niemand naar een mooi schilderij glimlacht.
Opa belde een oude vriend. Die oude vriend was een conservator van een museum in Amsterdam, gespecialiseerd in 'rare materialen'. Opa beschreef wat hij had gezien. De vriend werd heel stil aan de andere kant van de lijn. Toen zei hij: "Niet bewegen. Ik kom naar je toe. Het zal twee uur duren."
Twee uur. Twee lange uren. Meneer Brink was al begonnen het portret van Maartje voor te bereiden. Maartje zat op een stoel in zijn camper. Het paneel was opgesteld. De penselen lagen klaar.
Opa kwam naar buiten. Hij praatte tegen meneer Brink. Hij vroeg over zijn techniek. Hij vroeg waar zijn studio was. Hij vroeg of meneer Brink misschien een kop koffie wilde, want hij zag eruit alsof hij die kon gebruiken. Opa was — als hij dat wilde — heel goed in tijd rekken.
Twee uur en zes minuten later kwam er een witte auto het erf op. Eruit stapte een vriendelijk uitziende vrouw met grijs haar en een groen vest. Achter haar: twee politieagenten.
De conservator — want zij was het — liep direct naar de camper. Ze keek naar de paneelen. Ze rook aan de verf. Ze knikte.
"Meneer," zei ze tegen meneer Brink, "u bent in het bezit van iets wat verboden is sinds het jaar 1547. Wist u dat?"
Meneer Brink wilde wegrennen. Maar opa, ondanks zijn 78 jaar en zijn ene oog, had nog steeds een been dat snel genoeg was om voor de deur van de camper te stappen. En de twee politieagenten hadden ook benen die snel waren.
Meneer Brink werd meegenomen. De zes portretten die hij in de camper had — kinderen uit andere dorpen — werden meegenomen naar Amsterdam. In het museumlab werd elk portret omgekeerd. De kinderen in die dorpen — die langzaam steeds bedaarder waren geworden — kregen plotseling allemaal hun schittering terug. Hun ouders schreven later brieven, vol verbazing en dankbaarheid.
Maartje hoefde nooit te zitten voor haar portret. Ze gaf opa een grote knuffel, en opa gaf haar zijn eigen verzamelobject: een klein zilveren lepeltje dat hij van zijn vader had gehad. "Maar verzamel daar geen kinderen mee, hoor," zei opa met een twinkeling. Maartje lachte. Dat zou ze nooit doen.