De Laatste Bus naar Huis
Lijn 37 reed elke dag om half elf 's avonds. Behalve op de avond waarop alles anders was.
Mees was twaalf en woonde in een stad die hij van buiten kende. Hij wist welke kruispunten te vermijden, welke bakkerij gratis bolletjes weggaf op zaterdag, en hij wist precies welke bus hij moest pakken na zijn drumles. Lijn 37. Half elf. Voor de bibliotheek, halte links. Vijf haltes en dan thuis.
Op deze avond was hij later dan anders. De drumleraar had hem nog wat extra technieken laten zien — een soort dubbelslag waarmee hij erg blij was. Mees rende met zijn drumstokken in zijn rugzak naar de halte. Vlak voordat hij erbij was, hoorde hij het sissende geluid van de deuren die opengingen.
De bus stond er. Maar iets klopte niet.
Op het bordje voorop stond niet "Lijn 37 — Stationsplein". Er stond niets. Het bordje was leeg. Dieper donker dan een uitgeschakeld scherm.
Mees aarzelde. De chauffeur — een man met grijs haar en een snor die hij niet kende — knikte hem vriendelijk toe.
"Stap in, joh, je staat in de regen."
Het regende niet. Maar Mees stapte in. Het was zijn lijn, dacht hij. Het bordje was vast kapot.
De bus was leeg, op één persoon na. Een oude vrouw, helemaal achterin, met een hoed waar een lange grijze veer in stak. Ze keek niet op. Ze leek te slapen.
Mees ging op zijn vaste plek zitten, derde rij rechts. De deuren sisten dicht. De bus reed weg.
Hij keek door het raam naar buiten. En toen hij dat deed, voelde hij voor het eerst dat zijn maag een beetje samentrok.
Buiten was de stad niet de stad. Niet zíjn stad. De gebouwen waren ouder, lager, met luiken voor de ramen. Er stonden geen auto's geparkeerd, maar fietsen met grote zwarte wielen. De lantaarnpalen waren van gietijzer en gaven geel licht. Het was de juiste straat — daar herkende Mees de bocht naar de kerk — maar het was niet de juiste tijd.
Hij stond op en wilde aan de chauffeur vragen wat er aan de hand was. Maar voordat hij iets kon zeggen, sprak de oude vrouw achterin.
"Ga maar zitten, jongen. Het is in orde."
Mees draaide zich om. De vrouw keek hem nu wel aan. Haar ogen waren waterig blauw, maar niet onvriendelijk.
"Dit is de laatste bus," zei ze. "Hij rijdt één keer per maand. Niet iedereen ziet hem. Jij kennelijk wel."
"Maar waar gaan we naartoe?" vroeg Mees. Zijn stem was hoger dan hij wilde.
"Hetzelfde als altijd," zei de vrouw. "Naar huis. Maar dan het huis dat er ooit stond."
Mees ging weer zitten. Hij wist niet wat hij anders moest doen. Buiten gleden de straten voorbij, ouder en ouder, met mensen in lange jassen die op de stoep liepen, een paardenkar die voorbij ratelde, een lantaarnopsteker met een lange paal.
Na vier haltes — vier haltes die hij nooit eerder had gezien, met houten bordjes in plaats van metalen — stopte de bus voor zijn eigen huis.
Behalve dat het niet zijn huis was. Het was een lager, smaller huis, met een witgepleisterde gevel en groene luiken. Maar de plek was precies hetzelfde. Dezelfde lindeboom voor de deur — alleen kleiner, jonger.
Voor het huis stond een vrouw die op zijn moeder leek. Niet zijn moeder. Maar — bijna. Dezelfde neus. Dezelfde manier waarop ze haar hoofd schuin hield. Ze zwaaide naar de bus, vrolijk, en wachtte. Niet op Mees. Op iemand.
De oude vrouw achterin stond op. Ze liep langs Mees heen en wreef heel even, alsof per ongeluk, met haar hand over zijn schouder. Ze rook naar lavendel.
"Mijn dochter," zei ze zachtjes. "Dat is mijn dochter. Ik kom haar één keer per maand opzoeken. Lang geleden, weet je."
Ze stapte uit. De vrouw met de schuine glimlach omhelsde haar. Ze liepen samen naar de voordeur. Ze keken niet om.
De deuren van de bus sisten dicht. De chauffeur keek Mees aan in de spiegel.
"En jij, joh? Welke halte?"
"Mijn... mijn huis," zei Mees. "Maar dan nu. Het normale nu."
De chauffeur knikte alsof dat een gewone vraag was. Hij draaide aan iets — een hendel die Mees niet eerder had opgemerkt — en het bordje voorop de bus klikte. Toen Mees ernaar keek, stond er weer "Lijn 37 — Stationsplein."
Eén halte later stopte de bus voor zijn eigen huis. Het gewone huis, met het rode metselwerk en de lindeboom die hij kende, vol en breed. Mees stapte uit. Zijn benen waren wankel.
"Tot ziens, joh," zei de chauffeur. "Wie weet zien we elkaar nog eens. Maar niet snel."
De bus reed weg. Mees keek hem na tot hij de hoek om was. Toen hij omkeek, was alles weer gewoon. Zijn moeder zwaaide vanuit het keukenraam. Hij rook iets lekkers — pannenkoeken misschien.
Hij vertelde het aan niemand. Maar elke keer als hij langs de bushalte loopt op een doordeweekse avond — vooral op de avond van de eerste donderdag van de maand — dan kijkt hij eerst naar het bordje voorop de bus. Voor de zekerheid. En heel soms denkt hij dat hij in een raam van een voorbijrijdende bus een oude vrouw met een veer in haar hoed ziet zitten, die hem vriendelijk toeknikt.
Hij knikt altijd terug.