← Alle verhalen
Stout 9 minuten lezen

De Knetterende Mevrouw Knel

Mevrouw Knel sprak alle kinderen aan met 'schatje', maar in haar stem klonk het als 'kruimel-op-mijn-broek'.

Mevrouw Knel woonde in een rijtjeshuis in de Bloesemstraat, en ze was officieel de aardigste vrouw van de buurt. Zoals iedereen weet, is officieel aardig en echt aardig niet hetzelfde. Mevrouw Knel was officieel aardig.

Ze sprak alle kinderen aan met "schatje". "Schatje, kom je naast me lopen?" "Schatje, hier heb je een snoepje." "Schatje, kom jij ook naar de buurtmiddag?" Maar haar stem — als je goed luisterde — was niet warm. Het was knetterig. Krakerig. Alsof ze het woord 'schatje' eerst door een papierversnipperaar had gehaald voordat het uit haar mond kwam.

Op de buurtmiddag van mevrouw Knel waren alle kinderen welkom. Iedereen wist dat. Iedereen wist ook dat het op die buurtmiddag verschrikkelijk was. Mevrouw Knel speelde namelijk geen spelletjes, gaf geen snoep, en stelde geen vragen. Wat ze deed: ze ging in een grote stoel zitten en LIET KINDEREN VOOR HAAR OPTREDEN.

"Schatje," zei ze, "laat eens horen hoe goed je piano speelt." — "Schatje, dans eens." — "Schatje, zing dat liedje van school nog eens." — "Schatje, doe eens een handstand."

En zij keek toe, met haar handen gevouwen in haar schoot, en knikte met een glimlach die net niet helemaal een glimlach was.

De kinderen die het hadden volgehouden waren altijd uitgeput. Met rode wangen. Met de schaamte van te-veel-zijn-aangekeken. Maar als ze niet kwamen, kwam mevrouw Knel naar hun ouders en zei: "Schatje had vandaag toch komen, hè? Wat een hartig kind, dat schatje." En dat kon je niet weigeren, want het zou onbeleefd zijn.

Maartje was elf en woonde in nummer 14 van de Bloesemstraat. Ze had drie keer naar de buurtmiddag moeten gaan en drie keer kwam ze rood en stil naar huis. Op de vierde keer had ze besloten: nooit meer. Maar ze wist dat haar moeder haar zou dwingen.

Dus Maartje deed iets anders. Ze ging WEL naar de buurtmiddag, maar ze nam haar broer mee. Haar grote broer. Lukas. Achttien jaar oud. Goed in toneel. Goed in stemmen. Goed in een grap.

Mevrouw Knel deed de deur open. Ze was even verbaasd over Lukas, maar ze nam aan dat hij om Maartje af te leveren was komen. Ze liet hen binnen. De andere kinderen waren er ook al.

Mevrouw Knel ging in haar grote stoel zitten. "Schatjes," begon ze. "Wat een mooie middag. Wie wil het eerst iets laten zien?"

Lukas stak zijn hand op. "Ik wil graag iets laten zien."

Mevrouw Knel keek niet enthousiast — Lukas was duidelijk geen kind meer — maar ze knikte beleefd. "Vooruit dan maar, schatje."

Lukas stond op. Hij liep naar voren. Hij draaide zich naar haar toe. En hij begon... haar te imiteren.

Hij imiteerde haar stem. Hij imiteerde haar zinnen. Hij imiteerde haar "schatjes". Hij imiteerde de manier waarop ze haar handen vouwde, de manier waarop ze haar hoofd schuin hield, de manier waarop haar mond bij elke 'schatje' een klein beetje vertrok alsof ze iets vies proefde.

Hij was perfect. Te perfect. Alsof hij haar al jaren had bestudeerd. (Dat had hij, naar het bleek — Maartje had hem maandenlang verteld wat er gebeurde, en hij had het allemaal opgeslagen.)

De kinderen in de kamer begonnen te giechelen. Eerst stil. Toen harder. Toen luid. Ze proestten het uit. Want eindelijk zag iemand wat ZIJ allemaal hadden gezien — dat mevrouw Knel niet écht aardig was, maar deed alsof, en dat het knetterige in haar stem en het niet-helemaal-glimlachje in haar mond eigenlijk gewoon... naar was.

Mevrouw Knel werd rood. Zo rood als een tomaat. Haar mond ging op en dicht als een goudvis. Haar handen in haar schoot werden vuisten. En toen — toen werd ze BOOS. Echt boos. Niet officieel-aardig-boos, maar echt-boos. En ze brulde — let op, BRULDE — naar Lukas: "WEG! WEG UIT MIJN HUIS!"

Lukas knikte beleefd. Hij maakte een buiging. Hij liep naar de deur. Maar voordat hij weg ging, draaide hij zich om naar de kinderen.

"Kom op, schatjes," zei hij — in haar stem, perfect. "Wat een hartige middag. Tot de volgende keer, ja schatjes?"

De kinderen renden achter Lukas en Maartje aan. Alle zes. Plus de honden die ze in de gang hadden gelaten. Mevrouw Knel stond in haar deuropening, paars, met haar handen op haar heupen.

Niemand ging nog ooit naar de buurtmiddag. Mevrouw Knel probeerde de ouders te bellen. De ouders — die wel snapten waarom hun kinderen plots niet meer gingen — bleven beleefd, maar zeiden ook beleefd 'nee'.

Drie maanden later verhuisde mevrouw Knel naar een ander dorp. Met haar grote stoel en haar handen in haar schoot. Maartje keek vanachter haar gordijntje toen de verhuiswagen wegreed. En heel zachtjes — voor het laatst — fluisterde ze: "Tot ziens, schatje."

— einde —