← Alle verhalen
Stout 10 minuten lezen

De Gemene Toneelmeester

Meester Tooi was de toneelmeester van de school. Hij was wreed, kleinerend, en gemeen — maar één voorstelling per jaar liep hij vast.

Meester Tooi was de toneeldocent van basisschool 'De Vrolijke Vlinder'. De naam van de school was misleidend. Niets aan meester Tooi was vrolijk, en met vlinders had hij in het bijzonder niets. Hij was vaal, mager, en zijn lippen waren altijd nat. Hij sprak met een lispelend accent dat hij in zijn jeugd had aangeleerd om indruk te maken op zijn moeder, en dat hij daarna nooit meer had kunnen afleren.

Een keer per jaar — in juni — was er een schoolvoorstelling. Alle kinderen uit groep 7 en 8 mochten meedoen. In theorie was het leuk. In praktijk was het door meester Tooi een ramp.

Want meester Tooi gebruikte de voorstelling niet om kinderen plezier te geven of iets te leren. Hij gebruikte het om kinderen TE VERNEDEREN. Het was zijn jaarlijkse hobby.

Hij gaf hoofdrollen aan de minst geschikte kinderen — kinderen die zich totaal niet op hun gemak voelden op een podium — alleen om ze te zien knoeien. Hij gaf rollen die kostuums hadden die de dragers belachelijk maakten (de dikke jongen kreeg het kostuum van een varken; het stille meisje kreeg een rol waarin ze keihard moest schreeuwen). En tijdens repetities maakte hij opmerkingen waarvan elke achteloze toehoorder zich zou afvragen of hij wel goed bij zijn hoofd was.

"Lina, je beweegt als een sok in een wasmachine," zei hij. "Bram, je stem is als nagels op een schoolbord, maar dan onkundig." "Iemand een verstandig kind?"

Maar elk jaar — en dit was het mooie — gebeurde er IETS. Iets onverklaarbaars. Iets wat altijd, op de avond van de voorstelling zelf, plaatsvond. Een paar voorbeelden:

Vorig jaar: vlak voor het laatste bedrijf brak het touw van het achterdoek. Het zware groene gordijn viel op het podium. Niet op een kind — gelukkig — maar wel zo, dat meester Tooi (die op het podium stond om iets recht te zetten) op een dramatisch moment helemaal bedolven werd onder een berg fluweel. Hij worstelde een minuut lang. Het hele publiek lachte.

Het jaar daarvoor: meester Tooi's microfoon, die hij gebruikte om aankondigingen te doen, ging plotseling aan tijdens het tussenliggende moment waarin hij dacht achter het toneel te zijn. Het hele publiek hoorde — door de luidspreker — hoe hij een meisje van groep 7 een 'opgeklopt nul' noemde. De ouders waren niet blij.

Het jaar dáárvoor: tijdens de finale-scène stortte de stoel waar meester Tooi op zat in elkaar. Hij viel achterover op zijn achterwerk in de orkestbak.

Niemand wist precies waarom dit jaarlijks gebeurde. Sommige kinderen geloofden dat het PODIUM zelf wraak nam. Het podium van die zaal was honderd jaar oud en had veel mensen meegemaakt. Misschien was het beu om zo lelijk te worden behandeld. Of — en dit was de fluistering onder de oudere kinderen — was er een spook in het gebouw dat het opnam voor gepeste leerlingen.

Daan was twaalf en zat in groep 8. Daan was niet erg verlegen, niet erg luidruchtig, gewoon — normaal. Hij had de pech gehad dat meester Tooi hem had aangewezen om de hoofdrol te spelen in de nieuwe voorstelling: een toneelstuk over een ridder die zijn paard verliest. Daan kon niet acteren. Hij wist het. Meester Tooi wist het. Daarom had meester Tooi hem gekozen.

Tijdens repetities werd Daan publiekelijk afgemaakt. "Daan, je spreekt als een afgekoelde aardappel." "Daan, je houdt je zwaard vast alsof het een vis is die nog leeft." "Daan, denk je dat het publiek je gelooft? Niemand gelooft je. Niemand."

Maar Daan was niet alleen. De andere kinderen in de voorstelling waren ook niet blij. Lulu, Roos, Bas en Bram (de tweelingbroers uit een ander verhaal, die op deze school zaten) hadden alle vier ergens een sneer gekregen. Op een dinsdagmiddag, in de boomhut van Bas en Bram, hadden ze een vergadering.

"Wij moeten meester Tooi NIET vernederen," zei Daan. "Want dan zijn we net als hij."

"Maar we moeten iets doen," zei Roos.

Bas was technisch ingelegd. Hij dacht na. Hij zei: "Het toneel doet elk jaar al iets. We kunnen het toneel een handje helpen."

Het plan: ze zouden de voorstelling beter spelen dan ooit. Niet om meester Tooi te plezieren — om hem te ONDERMIJNEN. Door zijn rolverdeling te frustreren. Door HUN PERSONAGES tot levende, ronde, prachtige karakters te maken. Door — kortom — meester Tooi onzichtbaar te maken in zijn eigen voorstelling.

Drie weken lang oefenden ze in het geheim. Met elkaar. Zonder meester Tooi. Ze lazen het hele toneelstuk. Ze besloten dat de ridder een zenuwachtige, voor zichzelf opkomende jongen werd. Dat het paard (een meisje in een paardenpak) eigenlijk slimmer was dan de ridder. Dat de slechte tovenaar (Bram, in het oranje gewaad dat meester Tooi 'belachelijk' had gevonden) een fascinerende, ironische schurk werd. Ze bedachten nieuwe lijnen. Ze schrapten onhandige passages.

Op de avond van de voorstelling, in een uitverkochte zaal, ging Daan het podium op. Hij begon. Meester Tooi zat in de coulissen, klaar om met zijn signaalstem in te grijpen waar nodig.

Daan was — verbluffend — goed. Niet perfect. Maar geloofwaardig. Roos, in haar paardenpak, was hilarisch en aandoenlijk tegelijk. Lulu, in haar bijrol, droeg haar tekst alsof ze het meende. Bas en Bram waren een onheilspellende duo.

Meester Tooi, achter het gordijn, werd nerveus. Dit was niet zijn plan. Hij had verwacht dat de kinderen zouden falen. Ze faalden niet. Het publiek genoot.

Halverwege het tweede bedrijf wilde meester Tooi het podium oplopen om iets recht te zetten — een effect dat hij van plan was te wijzigen. Maar het podium had — om redenen die niemand precies wist — een loszittende plank. Meester Tooi struikelde. Hij viel. Hij landde precies tussen de schermen. Hij was niet gewond — maar hij was klem.

Het publiek hoorde een geluid. Het publiek lachte. Maar Daan en de anderen, op het podium, deden alsof er niets gebeurde. Ze gingen door met de voorstelling. Ze speelden voort. Ze maakten het af.

Het einde was een staande ovatie. Vijf minuten lang werd geklapt. Daan kreeg bloemen.

Meester Tooi werd uit de coulissen gehaald, met een schaafwond op zijn knie en zijn waardigheid in stukken. De directeur kwam de volgende ochtend bij hem. Het was een vriendelijk gesprek, maar het einde was duidelijk: meester Tooi zou volgend jaar niet meer de toneelvoorstelling regisseren. Hij kon nog wel les geven. Maar de voorstelling werd overgenomen door een nieuwe juf — juf Vlinder, jong en enthousiast en met een twinkeling in haar ogen.

Daan en de anderen kregen elk een bloemetje extra. En het podium — heel zeker, naar Daan's overtuiging — was tevreden. Hij heeft het nooit meer horen krakken sinds die avond. Nog steeds niet.

— einde —