De Buurman die Egels Stal
Meneer Knor was de meest gehate buurman van de Eikenhof. Hij had geen vrienden, geen huisdieren — en plotseling een hele kelder vol egels.
Meneer Knor woonde op nummer 22 van de Eikenhof, en hij was klein, dik, en kaal op een manier die zijn hoofd op een bowlingbal liet lijken. Hij droeg altijd een grijze jas, ook 's zomers, en als hij vorderde over de stoep, klonk hij als een trekzak die geen lied wilde spelen.
Wat meneer Knor zo onaangenaam maakte, was niet één ding. Het was alles. Hij had ruzie met alle buren. Hij riep "GA WEG VAN MIJN HEG" tegen kinderen die op de stoep speelden. Hij gooide klontjes ijs over de schutting in de tuin van mevrouw Pellinkhof. En hij had — dit was algemeen bekend — geen enkele vriend, geen huisdier, en geen contact met zijn eigen broer, die in een ander dorp woonde en hem ook niet wilde zien.
Op een avond in oktober merkte de buurvrouw, mevrouw Tak, iets vreemds op. Haar achtertuin was leeg. Helemaal leeg. Specifiek: er was geen egel meer.
Mevrouw Tak voerde elke avond egels. Ze had een schoteltje met kattenvoer onder de seringenstruik gezet. Daar kwamen altijd vier of vijf egels: een dikke met een littekentje, een kleintje dat ze 'Snuf' had genoemd, en een paar anderen. Maar deze avond — niets. Geen één egel.
Ze vroeg het rond. En het bleek dat IEDEREEN in de straat hetzelfde had gemerkt. Alle egels waren weg. Spoorloos. Alsof ze waren weggevlogen, maar egels vliegen niet, dus dat kon het niet zijn.
Drie kinderen — Joppe, Femke, en de kleine Loek — besloten een speurtocht te beginnen. Ze waren elf, tien en negen jaar oud, en ze hadden zaklampen, een notitieboekje, en een groot vermoeden.
Ze begonnen bij meneer Knor. Want meneer Knor was, zoals Joppe het mooi formuleerde, "de meest verdachte persoon in een straal van twintig kilometer."
Op een woensdagavond, na het eten, slopen ze door zijn voortuin (de heg was kaalgesnoeid, dat hielp) en gluurden door zijn kelderraampje. Het was vies, vol spinnenwebben, en bijna ondoorzichtig — maar door een kier in een gordijn zagen ze het.
De hele kelder was vol egels. Letterlijk. Op de vloer scharrelden er minstens dertig. In kratten. In bakken. In één hoek lag een bergje stekels alsof iemand zijn haarborstel had leeggemaakt. Meneer Knor stond ertussen, in zijn grijze jas, met een grote witte plastic schaal voor zich. En hij keek naar de egels met zo'n blik in zijn ogen die zei: "Ja, ja, ja, mooi."
Femke had een fototoestel meegenomen — het ouderwetse soort, met een filmrolletje — en maakte drie foto's. Toen renden ze allemaal weg.
De volgende ochtend gingen ze naar de dierenpolitie. Er bestaat zoiets als dierenpolitie. Twee vriendelijke agenten in groene uniformen kwamen die middag de kelder van meneer Knor binnen, met een huiszoekingsbevel en een zorg op hun gezicht.
Het bleek dat meneer Knor de egels stal omdat — en je gelooft het nauwelijks — hij van plan was geweest om ze allemaal te verven. PAARS. Met spuitbussen. Hij was van plan ze door zijn eigen tuin te laten lopen om zijn buurman te plagen, die heel veel van zijn tuin hield maar van paars een hekel had. Het was, met andere woorden, een buurmanruzie-plan, en het had geen enkel doel anders dan iemand anders boos maken.
De agenten brachten alle egels veilig terug naar de tuinen waar ze vandaan kwamen. Mevrouw Tak huilde van geluk toen ze de dikke met het littekentje weer onder haar seringenstruik zag, en kleine Snuf erachteraan.
Meneer Knor moest een hele zaterdag op het politiebureau zitten en kreeg een boete die zo hoog was dat hij drie maanden lang geen jeneverbessenkoekjes meer kon kopen, en dat was — voor meneer Knor — een straf die echt aankwam.
En de kinderen — Joppe, Femke en Loek — kregen ieder een echte penning van de dierenpolitie. Klein, glanzend, met een egel erop. Ze droegen die de hele zomer aan hun rugzak. En ook 's winters. En ook elk jaar daarna.