De Bibliotheek van Verboden Boeken
Sommige boeken stonden niet in de gewone bibliotheekkasten. Ze stonden in de kelder, achter slot en grendel. Mevrouw Krijg vond ze namelijk 'gevaarlijk'.
Mevrouw Krijg was de bibliothecaresse van de stadsbibliotheek. Ze had een knot zo strak dat het er pijn aan deed om naar te kijken, en een vinger die altijd voor haar lippen lag, ook als er niemand praatte. Haar bril zat zo ver op de punt van haar neus dat hij eraf zou vallen als ze niesde, maar ze nieste nooit.
Mevrouw Krijg had één diepe overtuiging: boeken waren GEVAARLIJK. Niet alle boeken — dat zou zelfs zij erkennen — maar de meeste boeken. En zeker boeken waarvan ze vond dat kinderen ze niet mochten lezen.
Wat een 'gevaarlijk' boek voor mevrouw Krijg precies was, wisselde. Boeken met ondeugende kinderen. Boeken waarin volwassenen werden uitgelachen. Boeken met heksen, met schelden, met scheten, met opstand, met avontuur dat niet aan de normaal hield. Allemaal: GEVAARLIJK.
Wat deed ze daarmee? Ze haalde ze uit de openbare kasten. Ze legde ze in een grote kar. En een keer per maand, met een sleutel die ze altijd aan een ketting om haar nek droeg, opende ze een geheime deur achter in de bibliotheek. Een deur die leidde naar een kelder. En in die kelder — pure rijen donker hout — stonden de verboden boeken.
Niemand mocht erin. Behalve mevrouw Krijg. En ze vertelde nooit aan iemand wat er stond.
Tijs was elf jaar oud, en hij was de soort jongen die niet kon afblijven van wat hem werd verboden. Hij had — toen hij vijf was — de geheime koektrommel ontdekt die zijn moeder boven op de hoogste keukenkast verstopte. Hij had — toen hij acht was — uitgevonden hoe je de wachtwoord van zijn vaders telefoon raadde (het was de geboortedatum, dat raadt elk kind). En nu, op zijn elfde, had hij zijn oog geworpen op de kelder van mevrouw Krijg.
Hij had een vriendin in het complot: Hilde. Twaalf jaar, vroegrijp, en met handen zo handig dat ze elk slot kon openen met een paperclip.
Op een donderdagavond, vlak voordat de bibliotheek dichtging, verstopten Tijs en Hilde zich. Tijs in de toiletten. Hilde achter een grote plant. Toen mevrouw Krijg om half negen 's avonds de deuren sloot en naar huis ging, kwamen ze tevoorschijn.
Hilde haalde haar paperclip uit haar zak. De deur naar de kelder ging open met een 'klik' die te dramatisch was om niet leuk te zijn. Tijs deed het licht aan. Ze daalden af.
Wat ze daar zagen, was niet wat ze hadden verwacht. Geen donkere grotten. Geen spookachtige sfeer. Het was een mooie, droge, goed verlichte kelder vol planken. En op die planken stonden honderden boeken. Maar wat voor boeken.
Boeken over kinderen die op kostscholen kwamen waar volwassenen gemeen waren. Boeken over heksen die haren in soep deden. Boeken over jongens die rijke fabrikanten ontmoetten. Boeken over reuzen, sprookjes, vossen die slimmer waren dan boeren. Boeken in dikke gele kaften, oranje kaften, paarse kaften met dieren erop. Boeken die ER WAREN, en die ze nooit eerder hadden gezien, en die hier — opgesloten — niemand mochten bereiken.
Tijs en Hilde lazen drie uur lang. Ze konden niet stoppen. Ze waren betoverd. Ze brachten daarna nog drie avonden door in de geheime kelder, want ze hadden de paperclip nog steeds.
Op de vierde avond hadden ze een plan. Want het was niet eerlijk dat zoveel kinderen deze boeken niet mochten lezen. Dat was, vond Hilde, een soort onrecht waar ze iets aan moest doen.
Hilde en Tijs maakten — op de schoolfotokopieer-machine, met de hulp van de zoon van de conciërge die zich kon laten omkopen met snickers — kopieën van de eerste drie hoofdstukken van twintig verschillende verboden boeken. Honderdtwintig stapeltjes per boek. Op elke kopie schreven ze achterop: "Wil je verder lezen? Vraag het de bibliothecaresse en houd vol."
Ze verspreidden de stapeltjes overal in het dorp. In de wachtruimte van het ziekenhuis. Bij de tandarts. Op de balie van de bakker. Op het schoolplein. In de bus.
Binnen een week stonden er — letterlijk — rijen kinderen voor de bibliotheek. Sommige met ouders. Sommige zonder. Allemaal met dezelfde vraag: "Mevrouw Krijg, mag ik het hele boek?"
Mevrouw Krijg was gechoqueerd. Mevrouw Krijg was geïrriteerd. Mevrouw Krijg was verbouwereerd.
Maar mevrouw Krijg had een baas. En de baas had een baas. En de baas-van-de-baas — de gemeente — kreeg telefoontjes van ouders, klachten van leraren, en uiteindelijk de hint dat het mogelijk niet de bedoeling was om hele schappen vol fictie 'gevaarlijk' te noemen en op te sluiten.
Drie weken later was de kelder leeg. Alle boeken stonden bovenin de bibliotheek, in de gewone kasten, met grote uitnodigende borden erbij. Mevrouw Krijg had haar knot iets minder strak. Ze nieste, één keer, op een vrijdag, en het dak ging niet naar beneden. En Tijs en Hilde kregen — informeel, achter een grote plant — een handdruk van de directrice van de gemeentebibliotheek.
Niemand sprak er ooit over wat er in de kelder was geweest. Maar elke keer dat een kind naar de bibliotheek ging, en mevrouw Krijg een verhaal aanraadde dat de kinderen voorheen niet eens hadden mogen aanraken, glimlachte mevrouw Krijg — heel licht, alsof het tegen haar zin was. En heel diep van binnen, dachten Tijs en Hilde, was ze blij. Heel diep van binnen.