← Alle verhalen
Stout 9 minuten lezen

De Bakker die met Stenen Bakte

Drie bruine bolletjes voor één euro. Sien was elf. Sien snapte van prijzen. Sien wist dat dit niet kon.

Bakker Doof opende zijn bakkerij op een zaterdagochtend en de hele stad stroomde naar binnen. "Drie bruine bolletjes voor één euro!" stond er op zijn raam. Bij de andere bakker waren drie bruine bolletjes voor drie euro. Iedereen zag dit. Iedereen rekende. Iedereen kocht.

Bakker Doof was niet doof — hij heette gewoon Doof, een rare achternaam die hij van zijn opa had geërfd. Hij was lang, dun, en zag eruit alsof hij meer van rekenmachines hield dan van brood. Hij droeg een schort dat veel te schoon was voor een echte bakker.

Zijn brood was niet alleen goedkoop. Het was ook ZWAAR. Heel zwaar. Mensen tilden de zakken op en zeiden: "Goh, wat een goed gevuld brood!" Het brood vulde inderdaad goed. Maar niet op de manier die een bakker bedoelt.

Sien was elf en hielp drie keer per week in de winkel van haar moeder, die schoenen verkocht in de straat naast bakker Doof. Sien snapte van prijzen. Sien wist dat haar moeder een goede zaak deed als ze een paar schoenen verkocht voor veertig euro die haar twintig hadden gekost. Sien wist dat als iemand drie bruine bolletjes voor één euro verkocht, terwijl de bloem alleen al de helft daarvan kostte, ER IETS NIET KLOPTE.

Maar de mensen vroegen niet door. De mensen waren blij met goedkoop brood. Tot drie verschillende dingen begonnen op te vallen.

Ten eerste: meneer Gort beet op een dinsdagochtend in zijn ontbijtbrood en brak een tand. Een gouden tand. Hij ging boos naar bakker Doof. Bakker Doof zei: "Meneer, dat moet u in uw brood zelf hebben gestopt." Meneer Gort kreeg geen geld terug.

Ten tweede: de buurkat van mevrouw Bek probeerde een stukje brood te eten dat op de stoep was gevallen. De kat blafte (ja, blafte — katten doen dat soms uit pure boosheid) en ging weg. Mevrouw Bek raapte het stukje op. Het was hard als steen. Letterlijk: hard als steen.

Ten derde: Sien — die altijd nieuwsgierig was — pakte een dag een van de bruine bolletjes uit haar moeder's tas, sneed hem doormidden met een groot mes, en zag in het hart van het bolletje een KIEZELSTEEN. Een echte. Een grijze. Zo groot als haar duimnagel.

Sien wist het. Bakker Doof bakte met stenen erin. De buitenkant was brood. De binnenkant was — voor de helft — gewone stenen uit een tuin. Daarom was het zo goedkoop: de helft was geen bloem maar grind. Daarom was het zo zwaar.

Sien fotografeerde de kiezelsteen. Ze fotografeerde de bolletjes. Ze ging naar de gemeente. Naar de inspecteur. Naar de krant. Allemaal binnen één week.

De inspecteur kwam langs bij bakker Doof. Bakker Doof probeerde te ontkennen. De inspecteur sneed twintig bolletjes open. In zestien zaten kiezelstenen. In vier zat alleen brood — die waren bedoeld voor 'speciale klanten', vermoed werd later.

Bakker Doof werd weggestuurd. De winkel werd gesloten. Hij kreeg een boete die hij niet kon betalen, en hij moest van de rechtbank een jaar lang in een keuken werken voor armere mensen — niet als baas, maar als afwasser. Dat deed hij. Hij werd er een veel betere persoon van, naar het schijnt.

Sien kreeg in de plaatselijke krant een grote foto met als bijschrift: "De Bakkersbedwingster, 11 jaar." Ze knipte de pagina uit en hing hem op haar slaapkamerdeur. Wanneer iemand haar daarna vroeg waarom ze later boekhouder wilde worden, antwoordde ze: "Omdat ik mensen kan laten weten wanneer prijzen niet kloppen."

Niemand vond dat een gek antwoord.

— einde —