Een liter, een kilo, een vierkante meter — wat betekent dat eigenlijk? Eerst voelen hoe groot iets is. Daarna oefenen.
🤔 Inzicht: hoe groot is iets eigenlijk?
Voordat je gaat rekenen, is het handig om te weten hoe groot dingen zijn. Anders weet je niet of een antwoord klopt.
Lengte:
Een vinger breed≈ 1 centimeter (cm)Een stoeptegel≈ 30 cmEen grote stap≈ 1 meter (m)Een voetbalveld (lang)≈ 100 mVan Amsterdam tot Utrecht≈ 40 km
Gewicht:
Een papiertje≈ 1 gram (g)Een appel≈ 150 gEen pak melk (vol)≈ 1 kilogram (kg)Een kat≈ 4 kgEen kind van 10≈ 35 kgEen volwassene≈ 70 kgEen kleine auto≈ 1.000 kg (= 1 ton)
Inhoud:
Een theelepel≈ 5 milliliter (ml)Een drinkglas≈ 200 mlEen pak melk≈ 1 liter (l)Een emmer≈ 10 literEen bad vol water≈ 150 liter
🟦 Oppervlakte: hoeveel ruimte neemt iets in?
Oppervlakte zegt hoeveel vlak iets bedekt. Denk aan tegels. Een vierkante meter (m²) is een vlak van 1 meter bij 1 meter — ongeveer zo groot als een grote handdoek.
Oppervlakte van een rechthoek = lengte × breedte
Een vloer van 3 m bij 4 m:
= 3 × 4 = 12 m² (twaalf vierkante meters)
Voel het:
Een postzegel≈ 4 cm²Een A4-blaadje≈ 600 cm²Een grote handdoek≈ 1 m²Een kleine slaapkamer≈ 10 m²Een klaslokaal≈ 50 m²Een voetbalveld≈ 7.000 m²1 hectare (ha)= 10.000 m²
Onthoud: 1 m² = 100 cm × 100 cm = 10.000 cm²
🥛 Inhoud: hoeveel past erin?
Inhoud zegt hoeveel ruimte iets vult. Bij vloeistoffen gebruiken we liter (l) en milliliter (ml). Bij voorwerpen kubieke meter (m³) of kubieke centimeter (cm³).
Inhoud van een doos = lengte × breedte × hoogte
Een kubus van 1 dm bij 1 dm bij 1 dm =
1 dm³ = 1 liter
(een liter water past precies in een doosje van 10 cm × 10 cm × 10 cm)
Voel het:
Een druppel water≈ 0,05 mlEen theelepel≈ 5 mlEen eetlepel≈ 15 mlEen drinkglas≈ 200 ml = 0,2 lEen pak melk= 1 l = 1.000 mlEen emmer≈ 10 lEen ligbad≈ 150 lEen kleine auto-tank≈ 40 l
Onthoud:
1 l = 1.000 ml = 1 dm³
1 m³ = 1.000 l (een kubieke meter water is duizend pakken melk)
⚖️ Gewicht: hoe zwaar is iets?
Gewicht meten we in milligram (mg), gram (g), kilogram (kg) en ton.
1 kg = 1.000 g
1 g = 1.000 mg
1 ton = 1.000 kg
Voel het:
Een rijstkorrel≈ 25 mgEen paperclip≈ 1 gEen ei≈ 60 gEen appel≈ 150 gEen banaan≈ 120 gEen schoolboek≈ 500 gEen pak suiker= 1 kgEen kat≈ 4 kgEen hond (middel)≈ 15 kgEen fiets≈ 15 kgEen kind van 10≈ 35 kgEen volwassene≈ 70 kgEen kleine auto≈ 1.200 kg (= 1,2 ton)Een olifant≈ 5.000 kg (= 5 ton)
Truc: water is makkelijk. 1 liter water weegt precies 1 kilogram. Dus een emmer water (10 l) weegt 10 kg!