✦ ✦ ✦

Professor Krak & de Krimpelimonade

krimpe-
limonade
Een avontuur in vierentwintig hoofdstukken
Een verhaal voor jonge avonturiers

Inhoud

  1. De kleinste van Grommerdam1
  2. Het meisje met de stopwatch2
  3. De uitvinderij3
  4. Tien centimeter4
  5. Directeur Knijp5
  6. De uitnodiging6
  7. Inbraak!7
  8. Operatie Duimpje8
  9. De fabriek van binnen9
  10. Ludo10
  11. Generaal Snuf11
  12. Het Kladboek12
  13. Weg13
  14. De toren14
  15. Verstekelingen15
  16. Het Gouden Fles-festival16
  17. De omgekeerde kraan17
  18. Tien centimeter woede18
  19. De lachtraan19
  20. Groeikoekjes20
  21. Wat er met Knijp gebeurde21
  22. Het geheim van de professor22
  23. De laatste slok23
  24. Het volgende experiment24
Hoofdstuk Een

De kleinste van Grommerdam

✦ ✦ ✦

Pim Post was tien jaar oud, één meter vierentwintig lang, en daarmee officieel de kleinste van groep zeven. Dat was geen mening. Dat was gemeten, die ochtend nog, tegen de deurpost van de keuken, waar zijn moeder met een potlood een streepje zette dat verdacht veel leek op het streepje van vorig jaar.

"Je bent gegroeid," zei zijn moeder.

"Twee millimeter," zei Pim. "Dat is geen groeien. Dat is afronden."

Zijn moeder bekeek het streepje van heel dichtbij, met één oog dicht, zoals mensen doen als ze iets willen zien wat er niet is. "Misschien drie millimeter," zei ze hoopvol.

"Mam."

"Er zitten late groeiers in de familie, Pim. Je opa was pas op zijn zestiende ineens zo groot als een kleerkast."

"En daarvoor?"

"Daarvoor was hij…" Ze zweeg net iets te lang. "Handzaam."

Pim zuchtte, at zijn boterham op en stopte de dingen in zijn broekzak die daar altijd zaten: een touwtje, een knikker en een half koekje. Waarom een half koekje? Omdat een heel koekje op de een of andere manier altijd meteen opgegeten wordt, en een half koekje precies lang genoeg blijft liggen om van pas te komen. Dat had Pim al jaren geleden uitgevonden, en het klopte nog steeds.

Buiten rook de Dwarsstraat naar late zomer: warm asfalt, gemaaid gras en de rozen van mevrouw Vermeulen op nummer 9, die zo groot waren dat Sultan, haar dikke witte kat, er compleet in kon verdwijnen. Sultan zat nu op het tuinmuurtje en keek naar Pim zoals katten naar dingen kijken die ze te klein vinden om aardig voor te zijn.

"Jij ook goedemorgen," zei Pim.

Sultan geeuwde. Het was geen vriendelijke geeuw.

✦ ✦ ✦

Basisschool De Springplank had een gymzaal die naar oude matten rook, en in die gymzaal stond die ochtend een klimrek opgesteld. Bovenaan het klimrek hing een lint. Wie het lint pakte, mocht als eerste kiezen bij het trefballen. Meester Roel vond dat een eerlijk systeem. Meester Roel was twee meter lang.

"Volgende!" riep meester Roel. "Pim!"

Pim liep naar het klimrek. Achter hem begon het gegniffel al, en hij wist precies uit welke hoek het kwam: rechtsachter, waar Boris stond. Boris was de grootste van groep zeven, breed als een tweepersoons koelkast, en hij verzamelde voetbalplaatjes en bijnamen voor Pim. Van die laatste verzameling was er eigenlijk maar één echt blijven hangen.

"Zet 'm op, Duimpje!" riep Boris. "Zal ik een trapje halen?"

Een paar kinderen lachten. Niet omdat het grappig was — Boris was ongeveer even grappig als een natte gymsok — maar omdat je bij Boris beter kon lachen dan niet lachen.

Pim zei niets. Dat was zijn geheime wapen. In zijn hoofd zei hij van alles — in zijn hoofd zei hij bijvoorbeeld: een koelkast kan ook niet klimmen, Boris, die kan alleen maar in de weg staan — maar aan de buitenkant klom hij gewoon. En dat kon hij. Kleine mensen zijn licht, en lichte mensen klimmen als eekhoorns. Hij was boven voordat Boris een tweede grap kon bedenken, wat overigens sowieso lang zou hebben geduurd.

Hij pakte het lint. Van bovenaf zag groep zeven er opeens heel anders uit: een verzameling kruinen en open monden. Boris' kruin had een draaikolkje, precies in het midden, als een afvoerputje.

"Mooi," zei meester Roel. "En nu naar beneden, Pim."

Naar beneden was minder eekhoornachtig. Halverwege bleef zijn schoen achter een sport haken, en het laatste stukje ging sneller dan de bedoeling was. Hij landde op de mat met het geluid van een zak aardappels, klein formaat.

"Duimpje is gevallen!" riep Boris stralend. "Uit de lucht! Net een appeltje!"

"Boris," zei meester Roel vermoeid.

"Wat? Appeltjes zijn lekker!"

Pim stond op, klopte het stof van zijn knieën en hield het lint omhoog. "Ik kies mijn team," zei hij droog, "en Boris kies ik als laatste. Niet uit wraak. Gewoon omdat hij zo langzaam is."

Nu lachten er meer kinderen, en dit keer echt. Boris werd rood. Er zijn van die momenten waarop je precies weet dat iets nog een staartje krijgt, en dit was zo'n moment, maar Pim vond het toch de moeite waard. Sommige dingen zijn dat gewoon.

De rest van de dag ging voorbij zoals schooldagen dat doen: langzaam tijdens rekenen, snel tijdens de pauze, en helemaal niet tijdens het laatste halfuur, wanneer de klok boven het bord stiekem stilstaat en pas weer verder tikt als de juf kijkt. En als jij nu denkt dat klokken dat niet kunnen, dan heb jij nog nooit op vrijdagmiddag in groep zeven gezeten.

✦ ✦ ✦

Na school liep Pim langs het postkantoor aan de Grote Markt, waar zijn moeder achter de balie stond. Het postkantoor van Grommerdam was klein en vol en rook naar plakband en stempelinkt, en zijn moeder was er het middelpunt van, zoals de zon het middelpunt is van het zonnestelsel, alleen met meer papierwerk.

"Dag lieverd!" riep ze over drie wachtende klanten heen. "Hoe was school?"

"Groot," zei Pim.

"Mooi zo. Wil je een pakketje wegbrengen? Nummer 15b, die kwam vanochtend en het is me nog steeds niet gelukt —" Ze werd onderbroken door meneer Groothuis, die iets ingewikkelds wilde met een aangetekende brief, en door de telefoon, en door een mevrouw wier pakket "gisteren al had moeten komen, mevrouw Post, gísteren." Zijn moeder loste het allemaal tegelijk op, zoals altijd, met drie gesprekken door elkaar en toch niemand tekortgedaan.

"Nummer 15b?" vroeg Pim, toen er even een gaatje viel. "Daar woont toch die oude meneer die nooit buiten komt?"

"Professor Krak. Aardige man. Beetje… bijzonder." Zijn moeder schoof hem een pakketje toe ter grootte van een schoenendoos. Er stond met sierlijke letters A. Krak, uitvinder op, en daaronder, in stempels: BREEKBAAR. DEZE KANT BOVEN. NIET SCHUDDEN. IN GEEN GEVAL OMDRAAIEN. ECHT NIET.

Het pakketje tikte zachtjes. Pim hield het bij zijn oor. Het tikte niet zoals een klok tikt. Het tikte zoals iets tikt dat er heel graag uit wil.

"Mam. Het tikt."

"Dat doen zijn pakketjes altijd," zei zijn moeder opgewekt. "Niet schudden, hè. En om zes uur thuis, we eten macaroni."

Dat was zijn moeder ten voeten uit: druk, warm, en volkomen niet onder de indruk van tikkende pakketjes. Pim nam de doos onder zijn arm — voorzichtig, deze kant boven, echt niet omdraaien — en liep de Grote Markt over, langs de Scheve Sint, de oude kerk die zo krom stond dat toeristen er altijd schuin voor gingen staan om te doen alsof zíj hem omduwden. De kerk stond al driehonderd jaar op omvallen. Grommerdammers keken er niet meer van op. Grommerdammers keken eigenlijk nergens meer van op, dachten ze.

Daar zouden ze deze herfst op terugkomen.

✦ ✦ ✦

Toen Pim de Dwarsstraat in liep, stond er een verhuiswagen voor nummer 13. Dat was op zich al nieuws — nummer 13 stond al een jaar leeg, sinds meneer Baars naar zijn zus in Drenthe was verhuisd — maar het échte nieuws waren de dozen.

Twee verhuizers sjouwden ze naar binnen, en op elke doos stond met dikke zwarte stift een woord. Geen gewone woorden zoals KEUKEN of BOEKEN. Op de eerste doos stond: METEN. Op de tweede: LAARZEN. Op de derde, in extra grote letters: NIET SCHUDDEN.

Alweer niet schudden, dacht Pim. Wat is er toch met deze straat?

Er volgden nog meer dozen. Een doos met TOUW. Een doos met KAARTEN VAN PLAATSEN WAAR IK NOG NIET BEN GEWEEST. Een lange, smalle doos waar alleen maar een vraagteken op stond, en waar de verhuizers met een grote boog omheen liepen. En helemaal achterin de wagen stond iets groots onder een deken, met bovenop een bordje: VOORZICHTIG. DENKT DAT HET EEN PIANO IS. IS HET NIET.

De doos met METEN rammelde metalig, alsof er honderd linialen in zaten. De doos met LAARZEN was verreweg de grootste. En naast de loopplank van de verhuiswagen stond een meisje.

Ze was ongeveer even oud als Pim en zeker een kop groter — maar ja, dat was iedereen. Ze had donker haar in een staart die scheef zat alsof ze belangrijkere dingen aan haar hoofd had, en ze droeg knalrode rubberlaarzen, hoewel het al drie weken niet had geregend. In haar hand hield ze een stopwatch, en ze keek er streng op terwijl de verhuizers langs haar heen stampten.

"Achtenvijftig seconden," zei ze tegen de grootste verhuizer. "Voor de vorige doos deed u eenenveertig. U wordt langzamer."

"Het wordt zwaarder," pufte de verhuizer.

"Dat kan niet. Ik heb alle dozen gewogen." Ze klikte de stopwatch. "Nieuwe ronde. Nu telt het."

De verhuizer keek naar zijn collega. Zijn collega keek naar de lucht. Toen tilden ze de volgende doos samen op en liepen — Pim zag het duidelijk — nét even sneller dan daarvoor.

Pim bleef staan op de stoep, met het tikkende pakketje onder zijn arm, en bedacht dat hij eigenlijk iets moest zeggen. Iets als hoi, of welkom in de straat, of desnoods waarom staat er LAARZEN op die doos, hoeveel laarzen heeft één mens nodig. Maar voor hij kon kiezen, gebeurden er drie dingen tegelijk.

Eén: het meisje draaide zich om en keek hem recht aan, alsof ze allang wist dat hij daar stond.

Twee: het pakketje onder zijn arm hield op met tikken. Helemaal. Alsof het zijn adem inhield.

En drie: aan het eind van de straat, achter de wildernis van nummer 15b, klonk een knal.

KNAL is eigenlijk een te klein woord. Dit was een KA-DOEM van het soort dat je niet met je oren hoort maar met je buik, een dreun die de ramen van de Dwarsstraat liet rinkelen, drie tuinkabouters omgooide en Sultan verderop als een witte pijl onder een auto joeg. Uit de tuin van 15b steeg langzaam een wolk op. De wolk was paars. Niet een beetje paars — páárs, als bosbessenjam, en hij rolde traag en tevreden over de reusachtige rabarberplanten heen, alsof hij daar elke dinsdag hing.

Ergens in de wolk riep een oude stem, opgewekt en volkomen onbezorgd: "Ah! Interessant!"

De verhuizers stonden stokstijf op de loopplank. Mevrouw Vermeulen verscheen voor haar raam met haar hand op haar hart. En het meisje met de rode laarzen?

Het meisje klikte haar stopwatch in.

"Paarse rook," zei ze, meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders. "Zeven seconden na de knal. Dat is nieuw." Toen keek ze naar Pim, en er verscheen een grijns op haar gezicht die Pim nog niet kende, maar waarvan hij later zou zeggen: aan díé grijns had ik meteen kunnen zien dat mijn leven nooit meer gewoon zou worden.

"Nou?" zei ze, en ze knikte naar de paarse wolk. "Kom je kijken, of blijf je daar staan?"

Hoofdstuk Twee

Het meisje met de stopwatch

✦ ✦ ✦

Er zijn mensen die eerst nadenken en dan pas lopen, en er zijn mensen die eerst lopen en onderweg wel zien. Het meisje met de rode laarzen hoorde overduidelijk bij de tweede soort. Ze was al drie tuinen verder voordat Pim besloten had of hij eigenlijk wel meeging.

Zijn benen hadden intussen zelf besloten. Hij rende achter haar aan, met het pakketje stevig onder zijn arm.

"Ik ben trouwens Juul," zei ze zonder om te kijken. "Juul de Wit. Wij komen van de kust. Mijn vader heeft hier een baan bij het waterschap, mijn moeder gaat de brug bedienen bij het kanaal, en ik zit vanaf maandag in groep zeven van De Springplank. Jij zit daar ook op, dat zie ik aan je gymtas. Hoe heet jij?"

"Pim. Hoe weet jij nou dat er een groep zeven —"

"Opgezocht. Ik zoek alles op." Ze bleef zo abrupt staan dat Pim bijna tegen haar op botste. Ze stonden voor het hek van nummer 15b, waar de paarse wolk net in flarden optrok en tussen de rabarber verdween. "Zesentwintig seconden," zei Juul met een blik op haar stopwatch. "Zo lang deed die wolk erover om op te lossen. Onthoud dat, dat is misschien nog belangrijk."

"Waarvoor?"

"Weet ik nog niet. Daarom moet je het onthouden." Ze zei het alsof het de logischste zin van de wereld was. "Meet jij nooit dingen?"

"Ik word gemeten," zei Pim. "Dat is minder leuk."

Juul keek hem voor het eerst echt aan, van zijn schoenen tot zijn kruin, alsof ze een liniaal in haar ogen had. "Eén meter vierentwintig," zei ze. "Ongeveer."

"Eén meter vierentwintig precies."

"Mooi maatje," zei Juul. "Pas je overal tussen." En voordat Pim kon bedenken of dat een compliment was — het zou maanden duren voor hij besefte hoe wáár het was — trommelde ze met haar vingers een roffeltje op het hek. Kort-kort-kort, lang-lang-lang, kort-kort-kort.

"Wat doe je nou?"

"Morse. Dat was S.O.S. Past wel bij dit hek, vind je niet?" Ze grijnsde. "Mijn opa was vuurtorenwachter. Die heeft me morse geleerd toen ik zes was. Als ik bij hem logeerde, seinden we 's avonds naar elkaar met zaklampen, hij vanaf de toren, ik vanuit het logeerkamerraam. Welterusten duurt in morse best lang, hoor. Maar het is de moeite waard."

"Kun je dat nog steeds?"

"Je verleert het nooit. Het zit in je vingers." Ze zei het luchtig, maar er klonk iets doorheen waaraan je hoorde dat de vuurtoren ver weg was, en de opa ook. Toen duwde ze het hek open, en het moment was voorbij.

Het hek van nummer 15b was zo'n hek dat kraakt in drie talen. Erachter begon geen tuin, maar een wildernis. En als jij denkt dat je weleens een rommelige tuin hebt gezien, dan moet je één ding weten: in deze tuin groeide rabarber van drie meter hoog. Dat is geen overdrijving. De stelen waren zo dik als lantaarnpalen, de bladeren zo groot als tafelkleden, en tussen die stelen door liep een smal paadje van platgetrapte dingen die vroeger waarschijnlijk ook uitvindingen waren geweest.

"Wauw," zei Juul zacht. Het was de eerste keer dat ze onder de indruk klonk. Ze klikte er niet eens haar stopwatch bij.

✦ ✦ ✦

Het paadje voerde langs de vreemdste verzameling schroot die Pim ooit had gezien, en zijn moeder had een schuur, dus hij wist waar hij het over had.

Er stond een apparaat ter grootte van een wasmachine, met een trechter bovenop en dertig kleine laatjes aan de voorkant. Op een roestig bordje stond: SOKKENSORTEERMACHINE. Uit alle dertig laatjes puilden sokken. Juul trok er een laatje van open. Linkersokken. Ze trok een tweede laatje open. Linkersokken. Een derde. Linkersokken.

"Waar zijn alle rechtersokken?" vroeg ze.

"Misschien wil je dat niet weten," zei Pim.

Verderop lag een omgevallen fietsenrek dat volgens het bordje een BLIKSEMAFLEIDER VOOR BEGINNERS was, en daarnaast een badkuip vol paraplu's, allemaal binnenstebuiten, met het opschrift: WINDPROEF MISLUKT — 14 KEER. Aan een tak van de enige echte boom hing een vogelhuisje met een piepklein draaideurtje, en onder een afdakje stond een grote soeppan op wieltjes. Aan het handvat zat een lange lus van touw, zoals bij een hond die aangelijnd moet.

"DE ZELFROERENDE SOEP," las Juul van het etiket. "Roert zichzelf. Loopt weg als je niet oplet."

"Loopt weg?"

"Dat staat er." Juul boog zich over de pan. Die was leeg, op een paar krassen op de bodem na, die er verdacht veel uitzagen als voetstapjes. "Er staat nog iets bij. Kijk. Laatst gezien: bij het kanaal, richting zee. Hij redt zich wel."

Ze keken elkaar aan. Ergens in Pims hoofd ging een klein stemmetje op dat zei: omdraaien, naar huis, macaroni om zes uur. Het was hetzelfde stemmetje dat altijd zei dat hij zich niet moest laten uitdagen door Boris, en Pim behandelde het zoals altijd: hij hoorde het beleefd aan en deed het tegenovergestelde.

"Hallo?" riep hij de wildernis in. "Meneer Krak? Ik heb een pakketje voor u!"

"Professor," verbeterde een stem. "Meneer Krak was mijn vader, en die kon nog geen theezakje uitvinden."

De stem kwam van boven. Dat was het eerste vreemde. Het tweede vreemde was dat hij uit een rabarberplant kwam.

Pim en Juul liepen om de dikste rabarber van de tuin heen, en daar hing hij: een oude man, ondersteboven, met zijn knieën over de knik van een reusachtige bladsteel, zijn witte haar recht naar beneden als een waterval van wol, en een motorbril die van zijn voorhoofd was gezakt en nu ergens rond zijn kin bungelde. Zijn witte jas — vol schroeivlekken, alsof iemand er thee op had gemorst en de thee had teruggevochten — hing over zijn hoofd, en hij moest hem met één hand opzijhouden om hen te kunnen zien.

"Aha," zei hij tevreden. "Bezoek."

"Gaat het?" vroeg Pim.

"Uitstekend! Perfecte landing. Alleen de verkeerde kant op." De professor wipte zachtjes heen en weer, alsof hij dat zelf ook interessant vond. "De knal heb je misschien gehoord?"

"Heel Grommerdam heeft de knal gehoord," zei Juul. "Om zestien uur twaalf."

"Zo laat al? Bij Newtons nachthemd, dan heb ik het middageten gemist. Dat verklaart het geknor." Hij stak een hand uit, ondersteboven, wat een handdruk opleverde die van beide kanten mislukte en toch heel hartelijk voelde. "Professor Aldo Krak. Uitvinder. En jullie zijn de kinderen van…?"

"Ik ben Juul de Wit. Wij wonen sinds vandaag op nummer dertien."

"En ik ben Pim. Van nummer elf. Ik heb een pakketje voor u, van het postkantoor. Het tikte eerst, maar het is ermee opgehouden."

De professor verstijfde. "Opgehouden met tikken, zeg je? Hm. Dat is óf heel goed nieuws, óf we moeten nu heel hard wegrennen." Hij dacht na. "Leg het maar in de regenton. Voor de zekerheid."

Pim legde het pakketje in de regenton. Voor de zekerheid deed hij het deksel erop. Voor de extra zekerheid legde hij er een baksteen bovenop.

"Zo," zei de professor. "En nu, als een van jullie even wil duwen — de rabarber en ik zijn het erover eens dat dit lang genoeg heeft geduurd."

✦ ✦ ✦

Het kostte hun samen drie pogingen, één afgebroken bladsteel en een hoop gekraak om professor Krak weer met beide voeten op de grond te krijgen. Overeind bleek hij lang en mager en krommig, als een vraagteken dat ooit een uitroepteken was geweest. Hij schoof de motorbril terug op zijn voorhoofd, waar hij blijkbaar hoorde, en klopte het rabarberblad van zijn jas.

"Dank je wel, Juul. En dank je wel, eh…" Hij kneep zijn ogen dicht. "Piet."

"Pim."

"Pam."

"Pim."

"Pim!" De professor straalde alsof hij zojuist iets had uitgevonden. "Dat zei ik. Piet, Pam, Pim. Ik zeg namen altijd drie keer, dan blijven ze beter plakken. Dat is wetenschappelijk bewezen, door mijzelf, op een dinsdag."

Juul liep intussen om de professor heen zoals ze eerder om de soeppan was gelopen. "Waarom hing u in die rabarber?"

"Omdat ik uit het schuurtje kwam."

"Het schuurtje staat daar." Juul wees. Het schuurtje stond een meter of vijftien verderop: een scheef houten gebouwtje met een dakraam waar nog een sliertje paarse rook uit kringelde. "Dat is vijftien meter. Bent u vijftien meter door de lucht gevlogen?"

"Veertien, denk ik. De laatste meter heeft de rabarber gedaan." De professor zei het zonder een spoortje schaamte, eerder met iets van trots. "Daar is die plant ook voor. Denken jullie dat ik voor de jam drie meter hoge rabarber kweek? Rabarber, kinderen, is het beste vangnet dat de natuur ooit heeft uitgevonden. Zacht, veerkrachtig, en hij ruist zo bemoedigend als je erin ligt."

"Maar wat was die knal dan?" vroeg Pim. "En die paarse wolk?"

"Ah." De professor stak één lange vinger op. "Dat was een experiment."

"Wat voor experiment?"

"Een geheim experiment."

"Wat voor geheim?"

"Een experimenteel geheim." De professor grinnikte om zijn eigen antwoord, viste een horloge zonder wijzers uit zijn jaszak, keek erop, knikte alsof het hem iets vertelde en stopte het weer weg. "Meer kan ik er niet over zeggen. Nog niet. Het luistert nogal nauw, snap je. Als het lukt, is het het grootste wat ik ooit heb gemaakt, en als het mislukt…" Hij keek even naar de regenton. "Nou ja. Dan koop ik een nieuwe regenton."

Juul stak haar hand op, alsof ze in de klas zat. "Waarom rook de wolk naar bosbessen?"

"Scherp geroken! Dat, jongedame, is hoofdstuk twaalf van mijn kladboek." Hij klopte op zijn borstzak, waar de hoek van een dik, bruin leren boek uitstak, bijeengehouden door een elastiek dat zijn beste tijd had gehad. "Alles wat ik weet zit hierin. En wat er niet in zit —" hij tikte tegen zijn slaap, "— zit hier. Dat is veiliger. Een boek kun je kwijtraken. Een hoofd zit vast."

Er viel een korte stilte, waarin je alleen de rabarber hoorde ruisen en, heel in de verte, mevrouw Vermeulen die Sultan riep.

"Nou," zei de professor, en hij wreef in zijn handen. "Jullie hebben mij uit een plant geduwd, een verdacht pakketje in veiligheid gebracht en betere vragen gesteld dan de burgemeester in dertig jaar. Dat schept verplichtingen." Hij boog zich naar hen toe. Van dichtbij roken zijn jas en zijn haar naar rook, pepermunt en iets wat Pim niet kon thuisbrengen — iets zoets en tintelends, als weerlicht boven een fruitschaal. Zijn ogen, achter al die rimpels, waren zo helder als die van een jongen van tien.

"Kunnen jullie een geheim bewaren?" vroeg hij zacht.

Pim en Juul knikten tegelijk. Juul hield voor de zekerheid haar stopwatch stil, alsof zelfs de tijd even zijn mond moest houden.

"Mooi," fluisterde professor Krak. "Willen jullie iets zien wat nog nooit iemand op de hele wereld heeft gezien?"

Hoofdstuk Drie

De uitvinderij

✦ ✦ ✦

Van buiten was het schuurtje van professor Krak gewoon een schuurtje: scheef, houten, met een deur die ooit groen was geweest en een dakraam dat zachtjes rammelde alsof het ergens van bijkwam. Pim schatte dat er hooguit een grasmaaier in paste, en misschien een fiets, als de fiets inschikte.

Toen deed de professor de deur open.

Pim wist niet wat hij verwacht had, maar niet dít. Het schuurtje was vanbinnen zo groot als hun hele gymzaal. Nee — dat klopt niet helemaal. Het schuurtje was vanbinnen precies even klein als vanbuiten, maar het gedroeg zich als een gymzaal, en dat kwam door de kasten. Overal waren kasten. Kasten die opengingen en dan wéér opengingen, laden waar diepere laden in zaten, een werkbank die uit de muur klapte en zich onderweg dekte met gereedschap, planken die aan touwtjes uit het plafond zakten zodra de professor in zijn handen klapte, en een wenteltrapje dat nergens heen leek te gaan totdat je zag dat het naar een hangmat leidde, en boven de hangmat: nog een kast.

"Geen toverij," zei de professor, die hun gezichten zag. "Alleen goed nadenken over waar je dingen laat. De meeste mensen gebruiken maar tien procent van hun schuurtje. Zonde."

"Dit is de mooiste ruimte die ik ooit heb gezien," zei Juul plechtig, en ze klikte haar stopwatch in alsof ze het moment wilde bewaren.

Ze kregen de rondleiding. Die duurde lang, want elke plank had een verhaal, en elk verhaal begon veelbelovend en eindigde in een knal, een overstroming of een boze brief van de gemeente. Daar stond de wekker-met-armpjes, die je 's ochtends niet alleen wakker maakte maar ook meteen aankleedde ("Werkte perfect. Alleen deed hij het ook bij mensen die al aangekleed waren. Twee truien, drie broeken. De postbode heeft een week raar gelopen."). Daar hing de paraplu-voor-twee, die zich bij de eerste windvlaag om beide gebruikers heen vouwde als een knuffelende inktvis ("Droog blijf je wél."). En in de hoek, onder een laken, stond iets met tanden.

"Wat is dat?" vroeg Pim.

"De automatische appeltaartmachine."

"En waarom staat er een laken overheen?"

"Omdat hij naar me gromt als ik langsloop," zei de professor. "Dat is hoofdstuk negen van mijn kladboek, en eerlijk gezegd durf ik hoofdstuk negen niet meer open te slaan."

Helemaal achterin het schuurtje hing een gordijn. Het was een doodgewoon gordijn met een bloemetjespatroon, en juist daardoor zag je meteen dat daarachter het echte geheim moest zitten, want alles wat spannend is wordt verstopt achter iets sufs. Zo werkt dat. Banken verstoppen hun kluis ook niet achter een deur waarop KLUIS staat.

De professor legde zijn hand op het gordijn en keek hen ernstig aan. "Wat jullie nu gaan zien," zei hij, "hebben verder alleen ik en een watermeloen gezien. En de watermeloen praat er niet over."

✦ ✦ ✦

Achter het gordijn stond een tafel, en op die tafel stond een glazen kan, en in die kan zat limonade.

Maar wat voor limonade. Hij was groen — niet het gezellige groen van appelsap of waterijsjes, maar giftig, gloeiend groen, het groen van een stoplicht dat iets van plan is. En door dat groen stegen belletjes op, piepkleine belletjes die glansden als goud, in een lange, langzame sliert, alsof de kan van binnenuit ademde. De professor tilde het deksel op, en er kwam een geur vrij die Pim meteen herkende van Kraks jas: perendrups. Perendrups en onweer.

"Krimpelimonade," zei professor Krak zacht.

"Krimpe-wat?" vroeg Pim.

"Kijk maar." De professor haalde onder de tafel een watermeloen vandaan, zo'n flinke gestreepte, en legde hem op een dienblad. Met een pipetje zoog hij één druppel uit de kan en liet die op de watermeloen vallen. "Eén druppel is genoeg voor fruit. Let op. Drie seconden."

"Ik tel," zei Juul, stopwatch in de aanslag.

Eén seconde gebeurde er niets. Twee seconden gebeurde er niets.

FLOEP.

Het was een klein, vrolijk, belachelijk geluid, het geluid van een kurk die achterstevoren in de fles springt, en waar net nog een watermeloen had gelegen, lag nu — Pim boog zich voorover, met zijn neus bijna op het dienblad — een watermeloentje ter grootte van een druif. Perfect gestreept. Perfect glanzend. Perfect belachelijk.

"Drie komma nul seconden," fluisterde Juul. "Precies."

"Altijd," zei de professor. "Nooit twee komma negen, nooit drie komma één. Waarom niet? Geen idee. De natuur houdt blijkbaar van ronde getallen, en ik ben te beleefd om door te vragen."

Pim pakte het meloentje voorzichtig op. Het woog bijna niets. Het was koel en glad en zoemde heel zachtjes, als een slapende hommel. "En… werkt dit ook bij —" Hij maakte de zin niet af.

"Bij mensen?" De professor keek hem aan over zijn motorbril. "Eén slok, en binnen drie seconden ben je ongeveer tien centimeter groot. Je kleren krimpen gewoon mee. Vraag me niet waarom. Dat is hoofdstuk zeventien van mijn kladboek, en het is het vreemdste hoofdstuk dat ik ooit geschreven heb. Het doet geen pijn. Het kietelt alleen. Achter je knieën, om precies te zijn."

"En dan?" vroeg Juul. "Hoe word je weer groot?"

"Ah," zei de professor. "De juiste vraag. Juul, drie punten." Hij trok een la open — natuurlijk zat er in die la nog een la — en haalde er een trommeltje uit. In het trommeltje lagen koekjes. Goudbruine, harde, doodgewone koekjes, alsof iemands oma ze gebakken had en ze daarna dertig jaar op zolder was vergeten. Zo roken ze ook: naar oma's zolder, stoffig en zoet en veilig tegelijk.

"Groeikoekjes," zei de professor. "Eén kruimel, en je bent terug. Niet zomaar terug, trouwens. Het gaat met een zekere… hoeveelheid geluid." Hij kuchte. "Weet je wat, uitleggen is niks voor mij. Ik doe het gewoon even voor."

En voordat Pim of Juul iets kon zeggen, schonk professor Aldo Krak een vingerhoedje vol gifgroene limonade in, zei "Op de wetenschap," en dronk het leeg.

✦ ✦ ✦

"Drie," zei Juul. "Twee. Eén."

FLOEP.

De witte jas, het wilde haar, de lange dunne professor — weg. Pim staarde naar de plek waar hij had gestaan en zag eerst helemaal niets, en toen, tussen twee plavuizen, iets bewegen. Iets kleins. Iets kleins met wapperend wit haar dat naar hen zwaaide.

Ze lieten zich allebei op hun knieën vallen.

Daar stond professor Krak. Hij was precies zo groot als een duim, plus haar. Zijn jas zat nog keurig, zijn motorbril nog op zijn voorhoofd, alles klopte, alleen was alles tien centimeter. Zijn stem klonk als een stem door de telefoon, dun en hoog maar prima te verstaan: "Zien jullie? Kietelt alleen even! Achter de knieën! En nu het beste deel — Piet! Pam! Pim! Geef me eens een groeikoekje aan."

Pim pakte een koekje uit het trommeltje en legde het naast de professor op de grond. Naast de kleine professor was het koekje zo groot als een tafelblad. De professor liep er kordaat op af, pakte de rand met twee handen vast, opende zijn mond zo ver als hij kon — en beet.

Er gebeurde niets. Het koekje was keihard en zijn mond was piepklein. Het was alsof iemand probeerde een stoeptegel op te eten.

"Hm," zei de professor.

Hij probeerde het nog een keer, met aanloop. Hij probeerde een hoekje. Hij probeerde de onderkant, want "daar zijn koekjes zachter, dat weet iedereen". Hij hing een moment met zijn hele lichaam aan de rand van het koekje te rukken als een terriër aan een deurmat, en toen ging hij zitten, midden op het koekje, en zei met de waardigheid van een echte wetenschapper: "Kinderen. We hebben een klein probleem. En met klein bedoel ik: ik."

"U kunt er niet doorheen bijten," zei Juul.

"Mijn tanden zijn gekrompen," zei de professor. "Het koekje niet. Dat is een rekenfout die ik mezelf nog lang ga nadragen." Hij dacht even na en stak toen zijn armen in de lucht. "Nou ja. Zesenzestig jaar oud en nog steeds leren. Wil een van jullie zo vriendelijk zijn om dit koekje voor mij te verkruimelen? Vóórdat ik hier wortel schiet?"

Pim brak het koekje boven zijn hand doormidden — het kostte kracht, het was echt zo hard als een tegel — en wreef een hoekje tot kruimels. De kleinste kruimel was voor de kleine professor nog een heel brood, maar dat was precies goed. Krak pakte hem met twee handen, nam een hap, kauwde, slikte en stak zijn duim op.

"En nu," piepte hij, "kunnen jullie misschien beter een stapje terug doen."

Ze deden een stapje terug.

Eerst was het stil. Toen begon er iets te rommelen, diep en ver weg, als onweer achter de horizon, maar het onweer zat in de professor, en het kwam omhoog, en omhoog, en —

BOEEEER.

Het was de allergrootste boer die Pim ooit had gehoord, en zijn klas had een boerwedstrijd-traditie, dus ook hier wist hij waar hij het over had. De ruiten rinkelden. Het laken over de appeltaartmachine wapperde op. Ergens viel een linkersok uit een laatje.

KA-DOEM.

En daar stond professor Krak weer, levensgroot, met zijn hand voor zijn mond en tranen van plezier in zijn ooghoeken. "Pardon," zei hij. "Dat hoort erbij. De terugboer. Alle krimp die erin zat moet er ook weer uit, en hij kiest altijd de kortste weg."

Juul keek op haar stopwatch. "Van kruimel tot boer: vier seconden."

"En nu," zei de professor, en alle grapjes gleden van zijn gezicht zoals de motorbril van zijn voorhoofd was gegleden, "het belangrijkste wat ik vandaag ga zeggen. Kom eens hier, allebei."

Ze kwamen. Hij legde een hand op Pims schouder en een op die van Juul.

"Zonder groeikoekje geen terugweg. Er is geen andere manier. Niet slapen, niet wachten, niet je best doen. Wie krimpt zonder koekje op zak, blíjft tien centimeter — en de wereld is geen aardige plek voor mensen van tien centimeter. Dus regel één, regel twee én regel drie van dit hele avontuur: nooit, nooit, nóóit een slok zonder koekje in je zak. Zeg het na."

"Nooit een slok zonder koekje," zeiden Pim en Juul tegelijk, en het klonk als een eed, want dat was het ook.

"Mooi." De professor klapte in zijn handen, en ergens zakte behulpzaam een plank uit het plafond, die hij gedachteloos terugduwde. "Want ik heb testers nodig. Slimme, dappere, líchte testers. En jullie zijn de eerste mensen in dertig jaar die mijn tuin in zijn gekomen zonder iets te willen verkopen."

✦ ✦ ✦

Ze liepen naar huis door de vroege avond, langs de rabarber, door het krakende hek, en geen van beiden zei iets tot ze bij nummer 13 waren. De verhuiswagen was weg. Ergens rook het naar macaroni.

"Morgen?" zei Juul.

"Morgen," zei Pim.

Ze stak haar hand op, klikte uit gewoonte haar stopwatch, en verdween naar binnen tussen de dozen met METEN en LAARZEN.

Pim bleef nog even op de stoep staan, in de gewone Dwarsstraat, in het gewone Grommerdam, en voelde iets geks in zijn borst. Vanochtend was hij tegen de deurpost gemeten: één meter vierentwintig, de kleinste van groep zeven, twee millimeter gegroeid en dat was nog afgerond ook. En vanavond had de beroemdste onbekende uitvinder van Nederland hem — hém, Pim Post, Duimpje — uitgekozen om iets te testen wat nog nooit iemand op de hele wereld had gezien.

En het gekste van alles: hij was niet uitgekozen hoewel hij klein was.

Hij was uitgekozen omdat hij klein was.

"Pim!" riep zijn moeder door het keukenraam. "Macaroni!"

"Ik kom!" riep Pim. En hij ging naar binnen, at twee borden leeg en zei de hele avond niets bijzonders, terwijl in zijn broekzak, naast het touwtje en de knikker en het halve koekje, een gloednieuw geheim zat dat groter was dan heel Grommerdam.

Hoofdstuk Vier

Tien centimeter

✦ ✦ ✦

"Waar ga je heen?" vroeg Pims moeder de volgende ochtend, terwijl ze haar jas aantrok voor de zaterdagdienst op het postkantoor.

"Spelen. Bij de buurman."

"Welke buurman?"

"Nummer 15b."

"Die aardige professor? Gezellig." Ze gaf hem een kus op zijn kruin, wat bij Pim nog altijd moeiteloos ging, en pakte haar tas. "Om halfeen brood eten, en niet aan rare apparaten zitten."

"Beloofd," zei Pim, en dat was technisch gezien waar, want je zit niet aan krimpelimonade. Je drinkt hem.

Een halfuur later stonden Pim en Juul midden in de wildernis van nummer 15b, op een open plek tussen het hoge gras, en luisterden naar professor Krak, die eruitzag alsof hij de hele nacht niet had geslapen van opwinding, wat ook zo was.

"Regels," zei de professor, en hij stak zijn vingers op om af te tellen. "Eén: jullie blijven op de open plek, waar ik jullie kan zien. Twee: elk van jullie heeft een kruimel groeikoekje in een stukje folie in de broekzak. Laat me zien. Ja? Ja. Drie: bij problemen roepen jullie, en met roepen bedoel ik gíllen, want jullie stemmen worden zo klein als de rest. Vier…" Hij aarzelde. "Vier weet ik niet meer, maar hij was belangrijk, dus doe voorzichtig."

Hij schonk twee vingerhoedjes in. De limonade gloeide groen in de ochtendzon, en de gouden belletjes stegen op alsof ze wisten dat het feest was. Het rook naar perendrups en onweer, en heel in de verte, boven de daken, rommelde het echte onweer zachtjes mee, alsof het geroken had dat er familie in de buurt was.

Pim keek naar Juul. Juul keek naar Pim.

"Bang?" vroeg ze.

"Nee," zei Pim. "Jij?"

"Ik ga het meten." Ze zette haar stopwatch op nul. "Tegelijk. Op drie. Eén — twee —"

Ze dronken. Het smaakte naar peer en prik en heel even naar bliksem, en toen begon het kietelen, precies waar de professor het had gezegd: achter zijn knieën, alsof daar twee veertjes woonden die eindelijk mochten.

FLOEP. FLOEP.

De wereld explodeerde omhoog. Zo voelde het: niet alsof Pim kromp, maar alsof alles om hem heen in drie seconden de lucht in schoot — het gras, de rabarber, de theekopjes op het tuintafeltje, de professor, wiens vriendelijke gezicht opsteeg als een luchtballon en hoog boven hen bleef hangen, breed grijnzend tussen de wolken.

"Bij Newtons nachthemd," dreunde zijn stem, zo diep en groot dat Pim hem in zijn borst voelde. "Het werkt. Het werkt bij kinderen. Hoe voelen jullie je?"

Pim keek omlaag naar zichzelf. Alles zat er nog aan. Trui, broek, schoenen, alles gekrompen alsof het nooit anders was geweest. Naast hem stond Juul, tien centimeter hoog, met piepkleine rode laarzen die nog steeds glommen, en een stopwatch zo groot als een knoop.

"Drie komma nul seconden," riep ze omhoog, met een stemmetje als een fluitje. "Allebei precies!"

"Natuurlijk precies!" bulderde de professor tevreden. "En nu — ga spelen. Jullie zijn de eerste kinderen in de geschiedenis die dit zien. Verspil het niet aan bang zijn."

✦ ✦ ✦

Als je ooit hebt gedacht dat gras saai is, dan komt dat doordat je te groot bent.

Van onderaf was de open plek geen grasveldje maar een oerwoud. De sprieten waren glanzende groene torens die zachtjes zwaaiden en kraakten in de wind, en het licht viel er in schuine gouden banen doorheen, vol zwevend stof en pluisjes zo groot als kussens. De grond was geen grond maar een landschap: bergketens van kluitjes aarde, een woestijn van zand rond een tegel, en overal geuren — natte aarde, groen sap, iets zoets van een gevallen bes — zo dik en sterk dat je ze bijna kon vastpakken.

"Moet je HOREN," zei Juul.

Pim luisterde. Het oerwoud stond niet stil. Ergens tikte een kever als een klok, ergens zoemde iets voorbij als een vrachtwagen met vleugels, en hoog boven alles ruiste de rabarber als een bos in de herfst.

Ze vonden de eerste wereldwonderen binnen een minuut. Aan een grasspriet hing een dauwdruppel, kogelrond en groter dan Pims hoofd, en toen Pim ertegen duwde, deukte hij mee en veerde terug als een waterbed. Juul duwde er met haar hele gewicht tegenaan; de druppel bolde op, wiebelde, liet los en plofte op de grond zonder uit elkaar te spatten, waarna hij daar bleef liggen als een glazen zitzak. Ze duwden hem samen tegen een steentje op en lieten zich er om de beurt tegenaan vallen. Als jij nu denkt dat je weleens ergens lekker op gestuiterd hebt, dan heb je nog nooit op een dauwdruppel gelegen.

Het tweede wereldwonder kwam voorbij op een slakkentempo, wat logisch was, want het was een slak. Hij was zo groot als een pony, glanzend bruin gestreept, en hij trok een spoor van zilver achter zich aan als een natte snelweg.

"Zullen we?" vroeg Juul, die al klom.

Het huisje was hard en warm van de zon en verrassend comfortabel. De slak vond het allemaal best. Hij deed er zeven minuten over — Juul klokte het — om de open plek over te steken, en het was misschien wel het mooiste ritje van Pims leven: hoog en droog en langzaam schommelend door het oerwoud, terwijl onder je het zilveren pad zich uitrolde en de torens van gras opzij bogen.

"Hij moet een naam," besloot Juul. "Iets deftigs. Hij heeft iets deftigs."

"Meneer Traag," zei Pim.

"Meneer Traag," herhaalde Juul plechtig. "Dank u voor de rit, meneer Traag." Meneer Traag zei niets terug, maar zijn steeloogjes draaiden waardig hun kant op, en dat was genoeg.

Het derde wereldwonder zat onder de grond. Bij het klimmen van een aardkluitje gleed Pim uit en zakte tot zijn middel in een gat, en het gat bleek geen gat maar een gang: een gladde, ronde tunnel die schuin de diepte in liep, en er kwam iets aan. Ze hoorden het eerst — een zacht, ritmisch geschuif — en toen vulde de hele tunnel zich met worm. Een regenworm van dichtbij is roze, glimmend en zo lang dat het voorste stuk al ergens anders woont terwijl het achterste nog moet vertrekken. Hij schoof langs hen heen als een metrostel in de spits, meter na meter na meter, volkomen ongehaast, en verdween in de diepte.

"De ondergrondse," zei Pim. "Volgende halte: alles."

Juul lachte zo hard dat ze tegen de tunnelwand moest leunen. En misschien kwam het daardoor — door het lachen, en het stuiteren, en meneer Traag — dat ze geen van beiden merkten dat het oerwoud stil was geworden.

Geen kever. Geen zoemen. Zelfs de rabarber leek zijn adem in te houden.

Toen zag Pim, tussen twee grastorens door, iets wits.

✦ ✦ ✦

Sultan.

Je moet iets begrijpen over katten. Een kat in een vensterbank is een kussen met een slecht humeur. Maar als jij tien centimeter groot bent, is een kat geen kussen meer. Dan is een kat een sneeuwwitte berg met ogen als koplampen en poten als graafmachines, die zich zonder één geluid door een oerwoud kan bewegen. Sultan stond aan de rand van de open plek, laag over de grond, en zijn staartpunt tikte langzaam heen en weer, links, rechts, links, zoals een metronoom die aftelt naar iets ergs.

"Niet bewegen," fluisterde Juul.

Sultans oren draaiden hun kant op als twee schotelantennes.

"Oké, tóch bewegen," zei Juul. "RENNEN!"

Wat er daarna gebeurde, duurde volgens Juuls stopwatch achtenveertig seconden, en het waren de langste achtenveertig seconden van Pims leven. Ze renden tussen de grastorens door, en achter hen kwam de berg in beweging — niet log, dat was het verschrikkelijke, maar soepel en snel en bijna zwevend, met twee reuzensprongen die de grond lieten dreunen. Een witte poot sloeg neer, zo groot als een tafel, precies op de plek waar Pim een halve seconde eerder was. Klauwen haakten door het gras en trokken drie torens tegelijk uit de grond.

"De tunnel!" schreeuwde Pim. "De wormentunnel!"

Ze doken de tunnel in, en boven hen werd het donker: Sultan drukte zijn oog op de opening. Een reusachtig geel oog, met een spleet erin, vulde de hele hemel. Toen verdween het oog en kwam de poot. Klauwen boorden zich in de rand van het gat en begonnen te graven, en de tunnel regende zand, en Pim hoorde zichzelf gillen — "PROFESSOR!" — met een stemmetje zo klein als een muggenzucht, en hij begreep opeens heel goed waarom regel drie een regel was geweest.

En toen, van heel hoog boven het oerwoud, klonk een geluid als een ratel: "SKÈH-SKÈH-SKÈH-SKÈH!"

Iets zwart-wits viel uit de hemel. Het viel zoals een steen valt, maar dan expres, en het raakte Sultan precies tussen de oren. De berg boven hen slaakte een jammerkreet die meer bij een klein poesje paste, de klauwen verdwenen, en door de tunnelopening zag Pim de rest: een ekster, glanzend zwart met wit en met een staart als een blauwgroene degen, die om Sultans kop cirkelde en om de beurt naar zijn oren pikte, volkomen op zijn gemak, alsof hij dit elke dinsdag deed. Sultan hield het vier seconden vol. Toen was hij weg, een witte streep richting de heg, en het oerwoud begon voorzichtig weer te ruisen.

De ekster landde voor de tunnelopening en keek naar binnen, eerst met zijn ene oog, toen met zijn andere, alsof hij hen aan het optellen was.

"Krrrr," zei hij tevreden.

Grote handen schoven het gras opzij, en het bezorgde gezicht van professor Krak verscheen erboven, bleker dan zijn jas. "Piet! Pam! Pim! Juul! Zeg iets!"

"Achtenveertig seconden," zei Juul met trillende stem. "Zo lang joeg die kat op ons. Het voelde langer."

"Wervel vond het blijkbaar ook lang genoeg." De professor viste iets uit zijn jaszak: een flessendopje, zilverkleurig en glimmend gepoetst. Hij hield het omhoog, en de ekster schoot toe, griste het uit zijn vingers en zeilde ermee naar het dak van het schuurtje, waar hij het triomfantelijk in de dakgoot verstopte, bij wat daar blijkbaar al lag te glimmen. "Mag ik voorstellen: Wervel. Slimste vogel van Nederland, en de duurste. Hij werkt uitsluitend voor glimmende dopjes. Ik heb weleens geprobeerd hem te betalen met een knoop." De professor huiverde bij de herinnering. "Doe dat nooit."

"Hij heeft ons gered," zei Pim.

"Hij houdt de tuin in de gaten. Beter dan ik, blijkbaar." De professor haalde diep adem, en heel even zag Pim hoe geschrokken hij écht was. "Regel vier. Ik weet weer wat regel vier was. Regel vier was: de kat."

✦ ✦ ✦

De kruimels smaakten naar oma's zolder, en de terugboeren kwamen tegelijk.

BOEEEER. BOEEEER.

KA-DOEM. KA-DOEM.

En daar stonden ze weer, levensgroot op de open plek, die opeens gewoon weer een grasveldje was, met gewoon gras en ergens een gewone slak, en Pim voelde zich een halve seconde lang belachelijk réusachtig, als een flatgebouw met schoenen.

"Wie er ook maar íéts van hoort," zei de professor terwijl hij hen naar het hek bracht, "krijgt de Krimpelimonade nooit te zien. Geen moeders, geen meesters, geen vriendjes. De wereld is er nog niet klaar voor. Gezworen?"

"Gezworen," zeiden Pim en Juul.

Ze liepen de Dwarsstraat in, precies op tijd voor brood om halfeen, en ze zwegen als graven, en dat was knap, want in hun hoofden was het lawaai van een heel oerwoud.

Er was alleen één ding dat niemand van hen had gezien.

Aan de andere kant van de heg van nummer 15b, waar de takken het dichtst waren, hadden de hele ochtend twee ogen tussen de bladeren geglinsterd. Ze hadden de FLOEP gezien, en de BOEEEER, en alles daartussenin. Nu waren ze weg. Alleen de heg wist ervan, en de heg zei niets.

Maar wie er die middag langsliep en goed oplette, kon iets vreemds ruiken op de plek waar de takken waren teruggebogen.

Heel zwak. Heel zoet.

Parfum.

Hoofdstuk Vijf

Directeur Knijp

✦ ✦ ✦

Aan de rand van Grommerdam, waar de straten ophielden en het gras er duidelijk geen zin meer in had, stond de Prikkel-fabriek. Het was een groot grijs gebouw in de vorm van een reusachtige fles, met een schoorsteen erbovenop die eruitzag als een rietje. Wie erlangs fietste, ging vanzelf een tandje harder trappen. Niet omdat de fabriek eng was. Maar omdat hij zo ongelooflijk somber was dat zelfs de duiven er met een boog omheen vlogen, en duiven zijn echt niet kieskeurig.

Helemaal bovenin de fles — in de dop, zeg maar — zat een kantoor. En in dat kantoor, achter een bureau zo groot als een roeiboot, zat die ochtend Directeur Knijp.

Directeur Knijp was dun als een lantaarnpaal en ongeveer even gezellig. Hij had lange, grijpgrage vingers waarmee hij op het bureaublad kon trommelen alsof er tien magere spinnen overheen renden. Als hij lachte — wat zelden gebeurde, en nooit om iets leuks — blonken er gouden tanden in zijn mond. En dan was er de geur. Directeur Knijp goot zichzelf elke ochtend vol parfum. Het heette Eau de Succes, het kwam in flessen van een halve liter, en het rook naar bloemen die ruzie hebben. De arbeiders in de fabriek roken hem drie gangen ver aankomen, en dat was maar goed ook, want dan kon je nog net op tijd doen alsof je vreselijk hard aan het werk was.

Vanochtend trommelden de spinnenvingers harder dan anders. Op het bureau lag een grafiek met de verkoopcijfers van Prikkel-limonade. De lijn begon linksboven en eindigde rechtsonder, als een skischans. Daaronder lag de Grommerdamse Courant, opengeslagen bij de rubriek "Wat drinken we deze week?". Daar stond, in keurige zwarte lettertjes:

"Prikkel smaakt naar natte krant. En dat vinden wij zielig voor natte kranten."

Knijp had het stukje zeventien keer gelezen en het werd er niet aardiger van. Hij kneep de krant tot een prop, gooide de prop naar de prullenbak, miste, en deed alsof dat de bedoeling was. Toen drukte hij op een koperen knop. Ergens diep in de fabriek klonk een zoemer, en even later een geluid alsof er een kledingkast de trap op kwam.

De deur ging open. De deuropening werd meteen helemaal gevuld, want daar stond Ludo. Ludo was Knijps neef en manusje-van-alles, en hij was gebouwd zoals een schuur gebouwd is: groot, vierkant en zonder al te veel plannen. Hij had een vriendelijk gezicht, handen als braadpannen, en in zijn linkerhand een puntzak frietjes. In zijn rechterhand ook.

"Ludo," zei Knijp. "Wat heb ik gezegd over frietjes in mijn kantoor?"

"Dat ik er eentje voor u moet meenemen?"

"Dat het verboden is."

Ludo keek treurig naar zijn twee puntzakken. Toen at hij ze allebei zo snel mogelijk leeg, want wat op is, kan niet meer verboden worden. Zó dom was Ludo nou ook weer niet.

Knijp schonk een glas Prikkel in. Het was geel, het was plat, en het stond zo stil in het glas dat het bijna sliep. "Proef," beval hij, "en zeg me wat je proeft. En wees eerlijk, Ludo. Eerlijkheid is belangrijk."

Ludo proefde. Hij dacht na. Denken deed Ludo op dezelfde manier als tillen: langzaam, zuchtend, en met zijn hele lichaam. Zijn wenkbrauwen gingen omhoog, toen omlaag, toen ieder een andere kant op.

"Water," zei hij ten slotte. "Water dat ergens spijt van heeft."

Het bleef heel lang stil in het kantoor.

"Eerlijk," zei Knijp zacht, "maar niet ZO eerlijk. Eruit."

Toen Ludo weg was, liep Knijp naar het raam. Beneden lag het fabrieksterrein, en daarachter, in de verte, Grommerdam: de grachten, de daken, de scheve toren van de Scheve Sint die al driehonderd jaar op het punt stond om te vallen en het steeds maar niet deed. Knijp keek er niet naar. Knijp keek naar het magazijn onder hem, waar drieduizend kratten Prikkel stonden te wachten op klanten die nooit kwamen. Vorige maand had hij een actie gehouden: GRATIS PROBEREN! Er waren twee mensen komen proberen. Eén ervan had zijn gratis flesje beleefd teruggebracht.

Over drie weken was het Gouden Fles-festival op de Grote Markt. Eén dag, één jury, één prijs: de Gouden Fles, voor de lekkerste limonade van het land. Wie die won, werd beroemd. Wie die won, werd rijk. En wie hem niet won en toevallig een fabriek vol onverkoopbaar geel water bezat, die kon de fles wel dichtdraaien — voorgoed.

"Ik moet iets hebben wat niemand heeft," mompelde Knijp tegen het glas. Zijn adem maakte een grijs wolkje op de ruit. "Iets nieuws. Iets groots."

En toen glimlachte hij, langzaam, goud, want hij wist sinds gisteravond precies wat dat iets was. En het was helemaal niet groot. Het was juist heel, heel klein.

✦ ✦ ✦

Nu moet je weten wat er de avond ervoor gebeurd was.

Directeur Knijp maakte elke avond een wandeling door Grommerdam. Niet voor de frisse lucht — frisse lucht was gratis, en alles wat gratis was vond Knijp verdacht. Nee, hij wandelde om te kijken naar alle dingen die hij nog niet bezat, en om alvast te bedenken waar zijn naam zou komen te staan als hij ze wél bezat. En hij wandelde het liefst door smalle straatjes met kleine huisjes, omdat hij zich daar zo heerlijk lang voelde. "Wie klein denkt, blijft klein," mompelde hij dan tevreden tegen zijn spiegelbeeld in de winkelruiten, en zijn spiegelbeeld was het roerend met hem eens.

Gisteravond was hij door de Dwarsstraat gelopen. Bij nummer 15b, het huisje achter de verwilderde tuin met de rabarber van drie meter hoog, had hij iets gehoord wat hij verschrikkelijk vond: gelach. Lachen was gratis en leverde niets op, dus Knijp deed er niet aan. Maar dit gelach was zo licht en zo blij dat hij bleef staan.

In de heg zat een gaatje. Knijp bukte — dat kostte hem drie scharnierende bewegingen, zo dun en stijf was hij — en keek.

Eerst zag hij een dikke witte kat, die blazend en met platte oren de tuin uit stoof, achternagezeten door een krijsende ekster. Dat was al vreemd. Maar toen zag hij het gras. En in het gras stond een jongetje.

Een jongetje van tien centimeter.

Naast het jongetje stond een meisje, ook tien centimeter, met piepkleine rode laarsjes aan. Een oude man met wilde witte haren en een motorbril op zijn voorhoofd knielde bij hen neer en gaf ze ieder iets kleins, een kruimeltje maar. Knijp kneep zichzelf hard in zijn arm. Het deed pijn, dus hij was wakker. Toen klonk er twee keer een boer die veel te groot was voor zulke kleine kinderen — BOEEEER! BOEEEER! — en twee keer een klap alsof er ergens een deur dichtsloeg — KA-DOEM! KA-DOEM! — en daar stonden ze, allebei, gewoon weer op ware grootte, lachend, met gras in hun haar.

Directeur Knijp stond aan de andere kant van de heg en bewoog niet meer. Er droop een druppel Eau de Succes van zijn kin. Zijn mond hing open, en dat was jammer voor iedereen die op dat moment zijn gouden tanden had kunnen zien blinken in het avondlicht, maar er keek gelukkig niemand.

Hij bleef kijken tot het donker werd en de tuin leeg was. En al die tijd was zijn brein aan het werk. Het brein van Directeur Knijp was klein en gemeen, maar zodra er ergens geld in de buurt kwam, werd het razendsnel, als een kassa die eindelijk aan mag. Krimpen, rekende het brein. Groeien. Een drankje. Een kruimel. En niemand die het weet, behalve een oude man in een schuurtje.

Die nacht sliep Knijp niet. Op zijn nachtkastje lag tegen de ochtend een vel papier vol doorgekraste woorden, en helemaal bovenaan stond, drie keer onderstreept, in hoge hebberige letters: KRIMPPRIKKEL.

✦ ✦ ✦

Aan de muur van het kantoor hing een schilderij van Directeur Knijp. Het was twee keer zo groot als Knijp zelf, en de schilder had destijds de opdracht gekregen hem "een kop groter, tien jaar jonger en twee keer zo rijk" te schilderen. Dat was gelukt. De geschilderde Knijp keek de kamer in alsof hij die zojuist gekocht had.

Als Directeur Knijp een geniaal plan had — of iets wat hij daarvoor aanzag — dan besprak hij het graag met het schilderij. Het schilderij was het namelijk altijd met hem eens. Dat is het fijne aan schilderijen, en de reden dat Knijp geen vrienden nodig had.

"Kijk nou toch," zei hij tegen zichzelf aan de muur, en hij begon door het kantoor te benen, met grote stappen en wapperende vingers. "Jarenlang heb ik gezwoegd. Jarenlang heb ik limonade gemaakt van het allergoedkoopste water, met het allergoedkoopste gele kleurtje, en wat kreeg ik? Krantenstukjes. Skischansen. Natte kranten!" Hij draaide zich om naar het schilderij. "En dan woont er drie straten verderop een warhoofd in een schuurtje, en wat maakt híj? Het grootste wonder sinds de uitvinding van de prijskaart. Is dat eerlijk?"

Het schilderij vond van niet.

"Precies," zei Knijp. "Dus gaan we het rechtzetten. Stap één: we worden vríénden met de professor. Oude uitvinders zijn net pindakaaspotten: je moet ze even vleien en dan gaan ze vanzelf open. Stap twee: het recept. Stap drie…" Hij spreidde zijn armen, en zijn ogen glansden als zijn tanden. "KrimpPrikkel! In elke winkel! In elk land! Denk aan de mogelijkheden, beste Knijp! Te veel bagage? Krimp je koffer! Kamer te klein voor je bank? Krimp de bank! Miljoenen, miljárden zal het opleveren, en allemaal voor ons!" Hij zweeg even en verbeterde zichzelf: "Voor mij, bedoel ik."

Hij liep naar het raam en keek naar de stad, die daar maar lag te glimmen in de zon alsof ze van iemand anders was.

"En mocht er iemand in de weg staan," zei hij zacht, "een jurylid met praatjes, een burgemeester met bezwaren, een professor met principes… dan maken we die persoon gewoon een kopje kleiner." Hij grinnikte. "Een héél klein kopje. En wat er daarna gebeurt met al die kleine mensjes — tja." Hij haalde zijn schouders op, en je kon horen dat het hem werkelijk niets kon schelen, en als jij nu denkt dat niemand zó gemeen kan zijn, dan heb jij nog nooit een directeur ontmoet die bijna failliet is.

De deur ging open. Ludo stak zijn hoofd om de hoek, wat betekende dat de rest van de deuropening ook meteen vol was.

"Oom Knijp? Ik hoorde u praten. Gaan we iemand krimpen?"

"Nee, Ludo. Wij gaan limonade maken."

"O." Ludo dacht na. "En daarna frietjes?"

"ERUIT."

Toen de deur weer dicht was, ging Knijp achter zijn roeiboot van een bureau zitten en pakte zijn duurste papier: roomwit, met een gouden randje, zo glad dat je er bijna van uitgleed als je ernaar keek. Stap één. De vleibrief.

"Beste professor," schreef hij, en kraste het door. Te gewoon. "Lieve professor." Bah, nee. Hij doopte zijn pen opnieuw in de inkt, en toen kwam het, soepel als stroop: "Zeer geachte, zeer geleerde, zeer beroemde professor Krak…"

Hij schreef een halfuur lang. Hij nodigde de professor uit voor het Gouden Fles-festival, als eregast én als jurylid, want — schreef hij — "wie anders dan de grootste limonadekenner van Grommerdam, nee, van het land, nee, van deze eeuw, zou dat kunnen?" Dat Knijp helemaal niet ging over de eregasten van het festival, was geen probleem: hij was hoofdsponsor, en één telefoontje naar burgemeester Van Dam — met de woorden "gratis welkomstdrankje voor de hele stad" erin — had de zaak in twee minuten geregeld.

Hij ondertekende met een handtekening vol krullen, vouwde de brief, en schoof hem in een goudkleurige envelop. Toen pakte hij de fles Eau de Succes van zijn bureau, hield de envelop boven de prullenbak en goot er de halve fles overheen. Het parfum droop van de hoeken.

"Zo," zei Directeur Knijp tevreden. "Nu ruikt hij naar succes."

Buiten zakte de zon achter de scheve toren van de Scheve Sint. Knijp hield de druipende envelop tegen het licht en glimlachte zijn allergoudste glimlach.

"Wie klein denkt, blijft klein," fluisterde hij. "En wie slim denkt, maakt de rest klein."

Morgen zou de brief op de post gaan. En daarna hoefde Directeur Knijp alleen nog maar te wachten, tot heel Grommerdam precies paste in zijn lange, grijpgrage vingers.

Hoofdstuk Zes

De uitnodiging

✦ ✦ ✦

De brief kwam op donderdag, en het postkantoor van Grommerdam rook er de hele ochtend naar.

Pim hielp die middag zijn moeder met het sorteren van de late post, wat hij wel vaker deed: hij was precies klein genoeg om onder de sorteertafel door te lopen zonder te bukken, en dat scheelde tijd, zei zijn moeder. Ze stond met een stapel enveloppen in haar hand en haar neus in een rare kronkel.

"Wie stúúrt er nou parfum door de brievenbus?" zei ze. "Deze envelop heeft de hele zak aangestoken. Zelfs de rekening van de tandarts ruikt er nu naar."

Ze hield een goudkleurige envelop omhoog. Hij glansde. Hij glom. En hij stonk als een hele parfumwinkel die tegelijk was omgevallen. Op de voorkant stond in sierlijke krulletters: Aan de Zeer Geachte Professor A. Krak, Dwarsstraat 15b.

"Die kan ik wel even bezorgen," zei Pim, sneller dan hij het bedacht had. "Het is bij ons in de straat."

"Graag," zei zijn moeder, en ze hield de envelop zo ver mogelijk van haar neus toen ze hem aangaf. "En vraag meteen of die professor een keer zijn brievenbus wil repareren. De postbode zegt dat het ding vorige week naar hem gegromd heeft."

Dat kon kloppen. Pim wist toevallig dat de brievenbus van nummer 15b was aangesloten op een zelfbedachte openmaakmachine die enveloppen moest openstomen, en dat de machine sinds kort vond dat hij ook post mocht wéígeren. Maar dat vertel je je moeder niet zomaar.

Buiten wachtte Juul, op het muurtje voor het postkantoor, rode laarzen bungelend. Ze klikte haar stopwatch in toen Pim de deur uit kwam.

"Zes minuten en veertig seconden. Je zei drie."

"Er was iets," zei Pim, en hij hield de envelop omhoog.

Juul boog zich voorover en snoof. Haar hoofd schoot terug alsof de envelop gebeten had. "Getver. Wat is dát?"

"Post voor de professor." Pim draaide de envelop om. Op de achterkant zat een zegel van goudkleurig lak, met daarin een afdruk van een fles. Er borrelde iets in zijn achterhoofd, iets met die geur, iets wat hij bijna te pakken had — maar Juul sprong al van het muurtje.

"Nou, kom dan. Ik wil weten wat erin zit."

✦ ✦ ✦

Ze vonden professor Krak achter in de tuin, tussen de rabarber, waar hij met een schroevendraaier in een apparaat zat te prikken dat eruitzag als een broodrooster met vleugels. Wervel de ekster zat op de regenpijp toe te kijken, met het hoofdje schuin, zoals je kijkt naar iemand die op het punt staat iets doms te doen.

"Ah! Piet! Paul… Pom…" De professor zwaaide met de schroevendraaier. "Pim! En Juul. Perfect getimed. Dit is de automatische jamsmeerder. Nog één schroefje en hij smeert een boterham in twee seconden."

"En waar is de boterham?" vroeg Juul.

"Tegen het plafond van de keuken. Dat schroefje dus." Hij zag de envelop, en zijn neus zag hem eerder dan zijn ogen. "Bij Newtons nachthemd, wat rúíkt daar zo naar succes?"

"Post voor u," zei Pim.

De professor veegde zijn handen af aan zijn labjas — die daar niet schoner van werd, en de handen ook niet — en pakte de envelop aan. Hij bekeek het lakzegel, mompelde "een fles, kijk eens aan", en scheurde hem open. Er dwarrelde een wolkje parfum uit dat de dichtstbijzijnde rabarberplant zichtbaar deed rillen.

"Voorlezen," zei Juul, en ze klikte haar stopwatch in. Waarom ze dat deed wist op dat moment nog niemand, maar bij Juul kwam de reden meestal na de meting vanzelf.

De professor schraapte zijn keel en las voor:

"Zeer geachte, zeer geleerde, zeer beroemde professor Krak. Als grootste limonadekenner van Grommerdam, nee, van het land, nee, van deze eeuw, wordt u — briljante geest, sieraad van de wetenschap, keizer van de smaak — eerbiedig uitgenodigd als eregast én jurylid van het Gouden Fles-festival op de Grote Markt. Hoogachtend, uw grootste bewonderaar, Directeur K. Knijp, Prikkel-fabriek."

Het was even stil in de tuin. Zelfs de jamsmeerder zei niets.

"Elf complimenten in vier zinnen," zei Juul toen, met een blik op haar stopwatch. "Dat is bijna drie complimenten per zin. Dat klopt niet. Mijn opa zei altijd: als iemand je vaker prijst dan hij ademhaalt, houd dan je vuurtoren op slot."

Maar de professor hoorde haar niet. De professor stond te glimmen. Niet zoals de envelop glom — erger. Hij hield de brief op armlengte, toen dichtbij, toen weer op armlengte, alsof hij hem van alle kanten wilde proeven.

"Eregast," zei hij zacht. "Jurylid. Ik. Weten jullie," en hij ging op een omgekeerde emmer zitten, wat de emmer maar net hield, "dat ik in veertig jaar nog nóóit ergens voor ben uitgenodigd? Behalve één keer bij de brandweer, maar dat was geen uitnodiging, dat was een dagvaarding."

"Professor," zei Pim. "Die geur. Ik ken die geur ergens van."

"Dat is Eau de Succes, jongen. Heel duur. Heel beroemd."

"Nee, ik bedoel—" En toen had Pim het te pakken, het ding dat al de hele middag in zijn achterhoofd borrelde. De avond na hun avontuur in het gras. De heg. Hij was 's avonds nog even teruggelopen om zijn knikker te zoeken, en bij de heg had hij het geroken: zoet, zwaar, te veel. Hij had er verder niet over nagedacht. Toen niet. "De heg," zei hij. "Na die middag dat wij klein waren. De heg rook precies zo."

"Heggen ruiken wel vaker ergens naar," zei de professor vrolijk. "Dat is het mooie van heggen."

"Professor." Juul zette haar handen in haar zij. "Iemand met dit parfum heeft bij uw heg gestaan. En nu stuurt iemand met dit parfum u een brief vol nepcomplimenten. Vindt u dat niet raar?"

"Ik vind het reuze aardig," zei de professor beslist, en hij vouwde de brief op alsof het een diploma was. "Directeur Knijp is een collega. Een limonademan, net als ik! Wij mannen van de limonade begrijpen elkaar." Hij stak zijn wijsvinger op. "En bovendien: een jurylid krijgt alle limonades van het hele festival gratis te proeven. Grátis, Juul. Wetenschap is offers brengen."

Pim en Juul keken elkaar aan. Het was de eerste keer dat ze dat deden op die speciale manier — die manier waarop je zonder woorden zegt: wij zijn de enige twee mensen hier die opletten. Het zou niet de laatste keer zijn.

✦ ✦ ✦

Op school ging het maandag mis. Nou ja, bijna.

Het begon bij de kapstok, waar Boris — groot, luid, en die week de trotse eigenaar van drieënzestig nieuwe voetbalplaatjes — de tas van Pim van het haakje pakte en hem op het bovenste plankje legde, waar zelfs de meester alleen met een stoel bij kon.

"Hoppa," zei Boris. "Klimmetje voor Duimpje. Moet je maar groeien."

Een paar kinderen grinnikten. Niet omdat het grappig was, maar omdat Boris groot was, en dat is een soort grappig waar je weinig voor hoeft te doen.

Pim keek omhoog naar zijn tas. In zijn hoofd zei hij alle rustige dingen die hij altijd in zijn hoofd zei. Maar het was een lange week geweest, en ergens tussen al die rustige dingen door glipte er iets anders naar buiten, iets warms en boos.

"Weet je, Boris," zei hij, "ik kan iets wat jij nooit—"

Hij stopte. Precies op tijd. Het geheim zat al in zijn keel, het duwde tegen zijn tanden: ik ben tien centimeter klein geweest, ik heb op een slak gereden, een kat zo groot als een vrachtwagen heeft op me gejaagd en ik was niet eens de bangste van ons twee. Eén zin maar. Eén zin en Boris' mond zou openvallen.

En niemand zou hem geloven, en het geheim zou kapot zijn, en de professor had gezegd: níémand.

"…wat ik nooit wat?" zei Boris, en hij kwam een stap dichterbij.

"Onder de sorteertafel van het postkantoor door lopen zonder te bukken," zei Pim. "Levensgevaarlijk werk. Niet voor iedereen weggelegd."

Er werd gelachen, en deze keer niet om Boris' soort grappig. Boris fronste, zoals iemand fronst die voelt dat er ergens een grap voorbijkwam maar niet precies zag waar.

"Negen seconden," zei Juul, die ineens naast hen stond met haar stopwatch in de aanslag. "Zo lang deed jij erover om iets terug te bedenken. En er kwam niks. Wil je het nog een keer proberen? Ik meet wel."

Boris keek van Juul naar Pim en van Pim naar de stopwatch, besloot dat hij dringend ergens anders moest zijn, en ging daar naartoe. De tas werd in de pauze door de meester naar beneden gehaald, die er verder niets van zei, behalve: "Merkwaardig hoge kapstokken hebben wij toch."

"Dat was op het randje," zei Juul zachtjes toen ze de klas in liepen. "Ik zag het aan je. Je wilde het bijna zeggen."

"Bijna," gaf Pim toe.

"Vier komma zes seconden," zei Juul. "Zo lang stond je te wiebelen op dat bijna." Ze grijnsde. "Maar je zei niks. Dat telt."

✦ ✦ ✦

Diezelfde woensdag stond burgemeester Van Dam op het bordes van het stadhuis, voor een plein vol Grommerdammers, en kondigde met veel armgezwaai het Gouden Fles-festival aan. Er kwamen kraampjes, zei hij, en een fanfare, en een echte landelijke jury, en de beroemde professor Krak als eregast — hier keken Pim en Juul elkaar weer op die speciale manier aan — en, dankzij de gulle hoofdsponsor Directeur Knijp, een gratis welkomstdrankje voor de hele stad.

"Gratis!" riep iemand, en het plein juichte, want voor gratis juicht een plein altijd.

"En dan nu," zei de burgemeester stralend, "een kleine grap om af te sluiten. Wat drinkt een burgemeester het liefst? … Burgemeester-limonade!" Hij keek verwachtingsvol het plein over. Het plein keek verwachtingsvol terug. Ergens hoestte een duif. "Omdat… kijk, burgemeester zit er al in," legde de burgemeester uit, en toen klapte de fanfare er maar snel overheen.

Die avond zat Pim op de rand van zijn bed en keek uit het raam, naar de tuinen van de Dwarsstraat. Bij nummer 15b brandde nog licht in het schuurtje; de professor was vast zijn schoenen aan het poetsen, of zijn juryknikje aan het oefenen voor de spiegel — hij had ze die middag allebei aangekondigd alsof het experimenten waren. Pim dacht aan de brief. Elf complimenten in vier zinnen. Hij dacht aan de heg. En hij dacht: morgen ga ik het de professor nóg een keer zeggen, en dan luistert hij misschien wel.

Hij trok de gordijnen dicht en kroop in bed.

En dat was jammer. Want als hij nog héél even had blijven kijken, had hij het gezien: hoe er iets bewoog in het donker van de Dwarsstraat. Iets langs. Iets duns. Het gleed langs de lantaarnpaal — je zou gezworen hebben dat het er twee waren — en toen, geluidloos, met stijve scharnierbewegingen, klom er een lange, dunne schaduw over de schutting van nummer 15b.

Het licht in het schuurtje was net uit.

Hoofdstuk Zeven

Inbraak!

✦ ✦ ✦

Pim werd de volgende ochtend wakker van Wervel.

De ekster zat op zijn vensterbank en sloeg met zijn snavel tegen het raam, hard en snel, als een hagelbui met een plan. Toen Pim het gordijn opzij trok, vloog Wervel op, cirkelde één keer krijsend rond en schoot weg in de richting van nummer 15b. Twee tellen later zat hij alweer op de vensterbank. Tik-tik-tik. Wegvliegen. Terugkomen. Zelfs een jongen die nog half sliep begreep wat dat betekende: kom mee, kom mee, kom NU mee.

Pim was in één minuut aangekleed. In de tuin van nummer 13 stond Juul al, met haar jas over haar pyjama en haar rode laarzen aan haar blote voeten. Ze zei niets. Ze wees alleen maar.

Het hek van de professor stond open. Niet gewoon open — open zoals een hek nooit hoort te staan, scheef uit één scharnier, alsof iemand die veel haast en weinig geduld had er tegenaan was gelopen zonder sorry te zeggen. Door de verwilderde tuin liep een spoor van geknakte planten, dwars door het rabarberbos, en de rabarber van drie meter lag aan weerskanten plat alsof er een kleine tornado doorheen was gewandeld.

Ze renden.

De deur van het schuurtje hing aan één spijker. En binnen — binnen was het alsof de zwaartekracht een nachtje vrij had genomen en alles gewoon had laten vallen waar het zin in had. Kasten open. Laden op de grond. Het glaswerk van de professor, al die mooie slingerende buizen en bollen en trechters, lag in duizend glinsterende stukjes over de werkbank en kraakte onder hun schoenen als vers ijs. De sokkensorteermachine lag op zijn kant en sorteerde heel zachtjes, heel treurig, één laatste linkersok.

Midden in de ravage, op een krukje, zat professor Krak.

Hij had zijn motorbril in zijn handen en draaide hem rond en rond. Zijn wilde witte haar hing er wild en wit bij, maar verder was er niets aan hem wat bewoog. Pim had de professor al op heel veel manieren gezien: ondersteboven in een rabarberplant, tien centimeter groot, dansend om een geslaagde boterham. Maar zo stil had hij hem nog nooit gezien. Zo oud ook.

"Professor?" zei Juul zacht.

"Het Kladboek," zei de professor, zonder op te kijken. "Ze hebben het Kladboek."

Op de werkbank, tussen de scherven, lag een elastiekje. Het dikke bruine elastiek dat altijd om het leren boek had gezeten, om al die jaren aan formules en tekeningen en hoofdstukken bij elkaar te houden. Alleen het elastiekje. Verder niets.

"Veertig jaar," zei de professor. "Veertig jaar werk. Elke uitvinding die ik ooit gedaan heb. En het recept…" Hij stokte.

"Het recept van de krimpelimonade," zei Pim. Het was geen vraag.

De professor knikte langzaam. En toen deed hij iets raars: hij begon te lachen. Heel kort, heel schor, zonder één greintje vrolijkheid erin. "Maar ze hebben er niks aan," zei hij. "En dat is nou juist het allerergste."

"Hoezo is dat erg?" vroeg Juul. "Dat is toch juist goed?"

De professor stond op. Hij liep naar de kapotte werkbank, raapte een scherf op, legde hem weer neer. Toen draaide hij zich om, en zijn ogen stonden ernstiger dan Pim ze ooit had gezien.

"Luister. Allebei. Dit heb ik nog nooit aan iemand verteld, en jullie mogen het aan niemand doorvertellen, nog niet aan je kussen." Hij wachtte tot ze allebei geknikt hadden. "Het recept in het Kladboek is af. Op één ding na. Het allerlaatste ingrediënt staat nergens opgeschreven. Dat bewaar ik hier." Hij tikte tegen zijn slaap. "Eén lachtraan."

"Een wát?" zeiden Pim en Juul tegelijk.

"Een lachtraan. Een traan die gehuild is van het lachen. Het échte lachen, bedoel ik — niet dat beleefde hihi op verjaardagen. Het lachen waarbij je buik pijn doet en je ogen overlopen of je wilt of niet." Hij ging weer op het krukje zitten. "Zonder lachtraan krimpt de limonade je nog steeds. Prima zelfs. FLOEP, en je bent tien centimeter. Maar het groeikoekje…" Hij schudde zijn hoofd. "Het groeikoekje werkt alleen op limonade waar een lachtraan in zit. Wie drinkt van een brouwsel zónder, die blijft klein. Voor altijd. Tenzij er ergens een verse lading is, mét lachtraan, en verse groeikoekjes daarbij."

Het werd heel stil in het schuurtje. Buiten kraste Wervel op het dak.

"Dus wie het Kladboek gestolen heeft," zei Pim langzaam, "kan krimpelimonade maken…"

"…zonder terugweg," zei de professor. "Een val zonder deur. En de dief wéét het niet eens."

Juul was ondertussen naar de hoek van het schuurtje gelopen, waar de koekjestrommel altijd stond, het blauwe blik met GEDULD erop. Het lag op de grond, gedeukt, met het deksel drie meter verderop. Ze knielde erbij neer. "Professor. De groeikoekjes."

Het meeste was gruis. Iemand had in het blik gegraaid, er een paar uit gepakt of stuk geknepen, en de rest laten vallen. Tussen de kruimels vonden ze welgeteld een handjevol koekjes dat heel gebleven was. De professor telde ze twee keer, legde ze voorzichtig terug in het gedeukte blik, en zette het blik in de enige kast die nog een deur had.

"En de limonade zelf?" vroeg Pim.

De professor liep naar de achterwand, drukte op een knoest in het hout, en er zwaaide een kastje open dat er net nog niet geweest was. Daarin stond de jerrycan, groen en wel. "Geheime kast," zei hij. "Dat is het enige voordeel van een rommelig schuurtje: zelfs een dief kan er niks vinden." Hij probeerde erbij te glimlachen. Het lukte ongeveer half.

✦ ✦ ✦

Brigadier Klos arriveerde om tien voor negen op zijn dienstfiets, die hij tegen het scheve hek zette, waarna het hek en de fiets samen omvielen. Juul had hem opgehaald. "Zeven minuten en twaalf seconden heen," meldde ze, "en veertien minuten terug, want hij moest eerst zijn goede pet halen. Voor het onderzoek."

Brigadier Klos betrad de plaats delict zoals hij alles betrad: met zijn duimen achter zijn riem en een gezicht alsof hij dit allemaal al eens eerder had meegemaakt, wat niet zo was, want in Grommerdam werd nooit ingebroken.

"Zozo," zei hij. "Rommel."

"Inbraak," zei Juul.

"Dat maak ik zelf wel uit." Hij haalde een opschrijfboekje tevoorschijn, likte aan zijn potlood en schreef iets op. Pim kon meelezen. Er stond: rommel.

De brigadier schreed door het schuurtje, bekeek de kapotte deur ("Slecht onderhoud"), de lege plek van het Kladboek ("Mensen moeten hun boeken beter opruimen") en de platgewalste rabarber ("Storm geweest, waarschijnlijk"). Toen, in het bloembed naast de deur, vond hij de voetafdruk.

Het was een lange, smalle afdruk van een schoen met een puntige neus. Brigadier Klos hurkte erbij neer, wat kraakte, en snoof eraan, wat niemand hem gevraagd had.

"Parfum," zei hij verrast. En heel even, één tel lang, dachten Pim en Juul dat het goed zou komen. "Tja," zei Brigadier Klos toen, en hij kwam krakend overeind. "Lang, smal, puntig, en het ruikt raar. Dan weten we genoeg. Dit was waarschijnlijk een hele grote egel."

Stilte.

"Een égel," zei Juul.

"Een hele grote," zei de brigadier geduldig, alsof hij tegen kleuters sprak. "Egels ruiken raar, dat is bekend. Het boek is vermoedelijk gewoon zoekgeraakt, dat gebeurt bij professoren aan de lopende band. Mocht het anders zijn, dan horen we het vanzelf." Hij klapte zijn boekje dicht. "En mocht het tóch een inbraak blijken te zijn: ik heb het altijd al niet vertrouwd hier. Dat wist ik allang."

Hij tikte tegen zijn goede pet, raapte zijn fiets van het hek, en reed weg. En als jij nu denkt dat een politieman toch zou moeten weten dat egels geen puntschoenen dragen, dan heb je helemaal gelijk, maar Brigadier Klos was al dertig jaar politieman in een stadje waar nooit iets gebeurde, en dat doet wat met een mens.

✦ ✦ ✦

"Knijp," zei Pim, zodra de fiets de hoek om was. "Professor, het wás geen egel. Puntschoenen. Parfum. Dezelfde geur als de brief, dezelfde geur als de heg. Iemand heeft ons daar zien krimpen, en een week later stuurt Directeur Knijp u een brief die stinkt naar precies datzelfde parfum, en de nacht daarna is het Kladboek weg. Dat is geen toeval, dat is een rij dominosteentjes."

Maar de professor schudde zijn hoofd, meteen al, nog voor Pim uitgesproken was. "Nee. Nee, nee. Jongen, ik snap dat het zo lijkt. Maar Directeur Knijp is een limonademan. Een collega. Iemand die zijn leven wijdt aan prik en smaak en bubbels, net als ik. En limonademannen bestelen elkaar niet, dat is… dat is als een bakker die brood steelt van een bakker. Ondenkbaar!" Hij raapte de treurige sokkensorteermachine op en zette hem recht, alsof daarmee de wereld ook weer rechtop stond. "Bovendien heeft de man mij eregast gemaakt. Eregast! Je maakt iemand geen eregast om hem daarna te beroven."

"Dat is anders precies de volgorde die ik zou kiezen," zei Juul.

"Juul!"

"Nou ja! Eerst zorgen dat iemand blij is en niet oplet, en dán—"

"Genoeg." De professor zei het niet boos, maar wel zo beslist dat het gesprek er ter plekke van omviel. "Geen beschuldigingen zonder bewijs. Dat is regel één van de wetenschap. Ik ga opruimen, en morgen ga ik nadenken over hoe ik ooit uit mijn hoofd veertig jaar werk moet opschrijven." Hij zuchtte, en heel even zag hij er weer zo oud uit als op het krukje. "Als jullie willen helpen vegen: de bezems staan achter de deur. Als de deur het houdt."

Ze hielpen vegen tot het middag was. Er zat verder niets anders op.

Die avond zaten Pim en Juul op het platte dak van de schuur van nummer 11, waar je via de regenton kon komen als je moeder toevallig laat moest werken op het postkantoor. De zon zakte. Ergens verderop klonk de fanfare, die aan het oefenen was voor het festival: elke avond dezelfde mars, en elke avond ging het op dezelfde plek mis, bij de tuba.

"Hij gaat het brouwen," zei Pim. "Knijp. Hij heeft het recept, hij heeft een hele fabriek, en over tweeënhalve week staat heel Grommerdam op de Grote Markt met een gratis welkomstdrankje in zijn hand." Hij hoorde zelf hoe het klonk, en werd er een beetje misselijk van. "En als er iets misgaat, blijft iedereen die het drinkt voor altijd tien centimeter. Zonder terugweg. En de professor gelooft er niks van, en de politie denkt aan egels."

Juul trok haar knieën op en zette haar kin erop. Haar rode laarzen glommen dof in het late licht. Ze was al een tijdje stiller dan normaal, en als Juul stil was, werd er ergens diep van binnen gemeten en gerekend.

"Dus moet iemand dat boek terughalen," zei ze. "Vóór het festival. Uit de fabriek."

"Ja."

"Uit een afgesloten fabriek, met hekken en sloten en die reus van een Ludo ervoor."

"Ja."

Ze zuchtte. "We kunnen niet inbreken, Pim. We zijn kínderen."

Pim keek uit over de daken van Grommerdam, naar de rand van de stad, waar de Prikkel-fabriek als een grijze fles tegen de avondlucht stond. Hij voelde het touwtje in zijn zak, en de knikker, en het halve koekje. Kleine dingen. Hij was zelf ook maar een klein ding, had hij altijd gedacht.

"Nee," zei hij. "Maar we kunnen wel héél klein zijn."

Hoofdstuk Acht

Operatie Duimpje

✦ ✦ ✦

Het plan kreeg zijn naam op zaterdagochtend, aan de keukentafel van Dwarsstraat 13, en het was Pim zelf die hem bedacht.

"Operatie Duimpje," zei hij.

Juul keek op van haar aantekeningen. "Dat is toch dat woord waar je een hekel aan hebt?"

"Juist daarom." Pim haalde zijn schouders op. "Boris gebruikt het om me klein te laten voelen. Nou, deze week is klein voelen precies de bedoeling. Als ik dan toch Duimpje ben, dan is het vanaf nu de naam van een geheime operatie."

Juul dacht daar twee seconden over na — ze klokte het zelf, uit gewoonte — en knikte toen plechtig. Bovenaan het vel papier schreef ze met grote blokletters: OPERATIE DUIMPJE.

De keukentafel lag vol. Juuls moeder was naar haar werk en dacht dat ze een spreekbeurt aan het voorbereiden waren. Het onderwerp: inbreken in een limonadefabriek als je tien centimeter groot bent.

"Uitrusting," zei Juul. "Punt één: klimmen." Ze hield een grote paperclip omhoog die ze met twee tangen in een haakvorm had gebogen. "Enterhaak. Weegt bijna niks als je klein bent, en met jouw touwtje eraan komen we overal op."

Pim gaf zijn touwtje. Het deed even pijn — dat touwtje zat al twee jaar in zijn zak — maar grote zaken vragen kleine offers.

"Punt twee: verdediging." Juul legde een zilverkleurige naald op tafel, geleend uit haar moeders naaidoos. "Voor mij. Ik geef hem terug. Waarschijnlijk."

"En ik?"

"Jij krijgt het luciferdoosje." Ze schoof het naar hem toe. "Slee, schild, schuilhut en ladekast in één. Opa zei altijd: op zee heb je niks aan een zwaard, wel aan een goeie boot."

"We gaan niet naar zee."

"Overal waar je niet kunt staan is zee," zei Juul, en daar was weinig tegen in te brengen.

Verder gingen mee: broodkruimels voor onderweg (in een gevouwen papiertje), een reservestukje touw, Juuls stopwatch (uiteraard), en — het allerbelangrijkste — voor ieder één groeikoekje, uit het gedeukte blik van de professor, stevig ingepakt in zilverfolie. Pim woog het pakketje op zijn hand. Zo'n klein ding. Het hele verschil tussen een avontuur en een ramp.

"Regel van de professor," zei hij. "Nooit zonder koekje op zak."

"Over de professor," zei Juul, en ze beet op het uiteinde van haar potlood. "Die moet het nog wel goedvinden, hè."

Daar was het zwakke punt van Operatie Duimpje. En dat wisten ze allebei.

✦ ✦ ✦

"Nee," zei professor Krak. "Nee, nee, en bij Newtons nachthemd: NEE."

Hij stond midden in het half opgeruimde schuurtje met zijn armen over elkaar, en zijn wilde witte haar stond nog rechterop dan anders, alsof het meeprotesteerde.

"Weten jullie wel wat jullie vragen? Jullie vragen of ik twee kinderen van tien centimeter een fabriek in mag sturen. Een fabriek! Vol machines en muizenvallen en lijm en een kerel zo groot als een kledingkast! Wat denk je dat je moeder zegt, Pam — Pum — Pim — als ik haar moet vertellen dat haar zoon zoek is geraakt in een limonadefabriek en dat hij past in een luciferdoosje?"

"Dat hoeft ze nooit te weten, want het luciferdoosje gaat mee," zei Juul behulpzaam.

"JUUL."

"Professor." Pim ging op het krukje staan, zodat hij de professor ongeveer kon aankijken. "Luister nou één minuut. Juul houdt de tijd bij."

Juul klikte haar stopwatch in. De professor snoof, maar hij bleef staan, en dat was genoeg.

"Over tweeënhalve week staat heel Grommerdam op de Grote Markt," zei Pim. "Mijn moeder ook. Iedereen krijgt een gratis drankje van Directeur Knijp. Als u gelijk hebt, is er niks aan de hand. Maar als wíj gelijk hebben, dan brouwt hij op dit moment uw limonade na, zonder lachtraan, zonder terugweg. U zei het zelf: een val zonder deur. De politie denkt aan egels. U mag de fabriek niet in. Grote mensen komen niet door een hek en niet langs Ludo." Hij haalde adem. "Maar iemand van tien centimeter komt overal. U heeft zelf iets uitgevonden waardoor de twee kleinste kinderen van Grommerdam de enige twee mensen zijn die dit kúnnen. Dat is toch geen toeval meer, dat is gewoon… wetenschap."

Het bleef stil.

"Achtenvijftig seconden," zei Juul. "Netjes."

De professor draaide zich om en keek lang naar de lege plek op de plank, waar veertig jaar werk had gelegen met een elastiekje eromheen. Toen hij zich weer omdraaide, zag Pim tot zijn schrik dat zijn ogen glansden.

"Toen ik zo oud was als jullie," zei hij langzaam, "zei iedereen tegen mij: dat kan niet. Dat kan niet, Aldo. Doe eens normaal, Aldo." Hij zette zijn motorbril af en poetste hem met een punt van zijn labjas. "Ik heb mezelf beloofd dat ik dat zinnetje nooit tegen kinderen zou zeggen. En nu sta ik hier en wil ik het heel graag zeggen, drie keer achter elkaar."

"Maar?" zei Juul.

"Maar jullie hebben gelijk, en dat is buitengewoon irritant." Hij zette de bril weer op zijn voorhoofd. "Dus: het mag. ONDER voorwaarden. Wie ze breekt, blijft de rest van zijn leven gewoon groot. Als straf."

De voorwaarden waren: één — het groeikoekje blijft áltijd op zak, en bij twijfel eet je het meteen op, boek of geen boek. Twee — jullie blijven bij elkaar, altijd, overal. Drie — jullie gaan alleen kíjken en halen, niet vechten; helden zijn kinderen die thuiskomen. En vier — hij haalde iets uit zijn borstzak — "dit."

Het was een fluitje, zo klein dat het op Pims handpalm paste toen hij groot was, en zo groot als een trompet zodra hij klein zou zijn. "Zelf gemaakt. Mensen horen hem niet. Wervel hoort hem op twee kilometer afstand. Eén stoot betekent: kom me halen. Drie stoten betekent: kom me NU halen en neem de professor mee." Hij keek er ernstig bij. "Ik verwacht nul stoten."

"En hoe komen we erin?" vroeg Juul. "In de fabriek, bedoel ik. Door het hek?"

"Hek?" De professor keek haar aan alsof ze iets geks had gezegd. "Wie heeft het over een hek? Jullie gaan door de lucht, natuurlijk." En hij floot twee keer kort tussen zijn tanden, waarop er buiten iets zwart-wits van het dak dook, door het kapotte raam scheerde, en met veel vertoon op de werkbank landde.

Wervel. De ekster maakte een buiginkje.

"Vliegen jullie weleens?" vroeg de professor.

"Nee," zei Pim.

"Dat dacht ik al. Nou, het is net fietsen, alleen hoger, sneller, en zonder fiets." De professor rommelde in een la en haalde er een oud horlogebandje uit, plus een handvol veters. "Ik maak een tuigje met twee zitjes. En Wervel krijgt vooruitbetaald." Hij legde drie glimmende flessendoppen op de werkbank. Wervel bekeek ze stuk voor stuk met één oog, zoals een juwelier dat doet, en tikte toen driemaal met zijn snavel op het hout.

"Wat betekent dat?" vroeg Pim.

"Dat betekent: afgesproken," zei de professor. "Of: ik wil nog een dop. Dat is bij eksters hetzelfde woord."

✦ ✦ ✦

Ze vertrokken de maandagavond daarna, toen Pims moeder avonddienst had en dacht dat hij bij de buren logeerde — wat, strikt genomen, zelfs waar was.

De zon was net onder. In de tuin van nummer 15b stonden twee bekertjes klaar, met in elk één slok gifgroene limonade waarin gouden belletjes traag omhoogkropen. De geur van perendrups en onweer hing tussen de rabarber.

"Onthoud," zei de professor voor de zeventiende keer, "het koekje—"

"—blijft altijd op zak," zeiden Pim en Juul in koor.

"En hoe land je op een dak?"

"Knieën buigen, doorrollen, niet gillen."

"En als er iets misgaat, wat is dan het allerbelangrijkste?"

"Dat we samen zijn," zei Juul.

"Nee. Ja. Ook." De professor wapperde met zijn handen. "Het fluitje. Het fluitje is het allerbelangrijkste. Nou ja, en dat samen. Drink."

Ze dronken tegelijk. Eén tel gebeurde er niets, behalve de smaak — peer, en heel in de verte een donderbui. Toen begon het bekende gekriebel achter Pims knieën, en de tuin schoot omhoog, de rabarber werd een woud, de professor werd een toren met wit haar, en—

FLOEP.

FLOEP.

"Elf voor acht," zei Juul, ergens links van hem, tien centimeter klein en tevreden. "Operatie Duimpje is begonnen."

Het tuigje zat al om Wervel heen, en de professor tilde hen er één voor één in, voorzichtig, tussen duim en wijsvinger. Pim zat voor, Juul achter. De veren onder hen waren glad en warm, en daaronder klopte, heel snel, een piepklein vogelhart.

"Vooruit dan maar," zei de professor zacht. "Wervel: de fabriek. En denk erom: rústig vlie—"

Wervel dook van zijn hand af als een steen. Pim wilde gillen, wist nog nét dat dat tegen de landingsregels was, en toen sloegen de vleugels uit en veerden ze omhoog, over de heg, over de schuttingen, de avondlucht in.

En als jij nu denkt dat een ekster geen vliegtuig kan zijn, dan heb je nog nooit op Wervel gevlogen.

Grommerdam lag onder hen als een speelgoedstad die iemand met veel liefde had neergezet. De grachten glansden als linten van donker glas. De lantaarns sprongen juist aan, straat voor straat. Daar was de Dwarsstraat, drie daken lang; daar het postkantoor, waar achter een verlicht raampje een piepkleine mevrouw Post piepkleine pakjes woog; daar de Grote Markt met de Scheve Sint, die van bovenaf nóg schever leek. De wind trok aan Pims haar en rook naar avond en water en heel in de verte naar friet.

"Vier minuten en twintig seconden," riep Juul achter hem, boven de wind uit. "Dan zijn we er! Als hij rechtdoor vliegt!"

Hij vloog niet rechtdoor.

Onder hen, op het terras van café De Dorstige Snoek, lag naast een leeg glas een muntstuk te glimmen in het lantaarnlicht. Pim voelde het vogellijf onder zich verstrakken, één fatale halve tel — "Wervel. Wervel, NEE—" — en toen klapte de wereld opzij en gingen ze omlaag als een baksteen met vleugels, tollend langs een dakgoot, scherend over een parasol, en Wervels snavel raapte de munt van het tafeltje zonder af te remmen. Ergens gilde een meneer iets over zijn wisselgeld. Toen klommen ze alweer, de munt blonk in de snavel, en Juul zat achterop verwenste dingen te roepen én te melden dat de duikvlucht precies drie komma één seconden had geduurd.

"BRAVE vogel," riep Pim, met trillende knieën. "STOMME vogel. Allebei."

De fabriek groeide voor hen op uit de schemer: een reusachtige grijze fles tegen een paarse lucht, met een rietje van een schoorsteen en hier en daar een verlicht raam, geel en koud. Van dichtbij was hij nog groter dan Pim had gedacht. Van tien centimeter hoog was hij ongeveer zo groot als een land.

Wervel minderde vaart, scheerde langs de gevel omhoog en mikte op de dakrand. De landing in de dakgoot was — nou ja. Knieën gebogen, doorgerold, niet gegild: twee van de drie gehaald. Ze rolden door een laag natte bladeren en bleven hijgend liggen in iets wat naar roest en oud regenwater rook.

Wervel zette hen keurig af, kreeg zijn vierde flessendop (uit Juuls rugzakje, "voor onvoorziene omstandigheden"), en fladderde naar de overkant van het dak om te wachten.

Tien meter verderop in de goot zat het ventilatierooster: een gietijzeren raster met spijlen waar een kind van tien nooit doorheen zou kunnen. Een kind van tien centimeter kon er rechtop doorheen lopen, als door een deftig poortje.

Ze stapten tussen de spijlen door, en de nacht buiten werd een grot binnen. Een schacht liep schuin omlaag, glad en donker en fluisterend van verre geluiden: getik, gezoem, ergens heel diep een langzame druppel. Aan het einde was een tweede rooster, en daarachter viel maanlicht door hoge fabrieksramen naar binnen, in stoffige blauwe banen.

Pim en Juul kropen tot aan de rand en keken.

Onder hen — ver, ver onder hen — strekte de fabrieksvloer zich uit als een stad in het donker. Straten van lopende banden. Torens van ketels en tanks. Pleinen van beton, rijen slapende machines met hier en daar één rood waakzaam lampje, en helemaal achterin, hoog en stil, iets groots onder een dekzeil.

"Zo," fluisterde Juul. "En dat moeten wij in."

"Nee," fluisterde Pim terug. "Dat moeten wij door. Het boek ligt ergens waar de baas woont." Hij keek omhoog, naar de donkere ramen van de kantoren, hoog in de hals van de fles. En heel even, hij wist het bijna zeker, ving hij door het rooster een vleugje op van bloemen die ruzie hebben.

Hoofdstuk Negen

De fabriek van binnen

✦ ✦ ✦

Onder hen lag de fabriek als een stad van slapende machines.

Pim hing aan het ventilatierooster en keek naar beneden. Heel diep naar beneden. Voor een gewoon mens was het misschien vier meter tot de vloer. Maar Pim was geen gewoon mens meer. Pim was tien centimeter, en voor iemand van tien centimeter is vier meter ongeveer hetzelfde als de Scheve Sint met een tweede Scheve Sint erbovenop.

"Hoogte?" fluisterde hij.

"In onze maten?" Juul tuurde langs hem heen de duisternis in. "Veertig verdiepingen. Misschien tweeënveertig."

"Fijn dat je het afrondt."

Hij haalde het touwtje uit zijn zak. Het touwtje dat altijd in zijn zak zat, samen met de knikker en het halve koekje, en dat zijn moeder al honderd keer had willen weggooien. Nu was het geen touwtje meer. Nu was het een klimtouw van veertig verdiepingen lang. Juul boog de paperclip om tot een enterhaak, klemde hem achter een spijl van het rooster, en trok er drie keer hard aan.

"Houdt-ie?" vroeg Pim.

"Hij hield het drie keer. Meer weet ik ook niet."

Ze klommen. Hand over hand, langs een muur die naar oud ijzer rook en naar iets anders — iets zoetigs en plats tegelijk, als limonade waar alle zin uit is gelopen. De geur van Prikkel. Toen Pims voeten eindelijk de bovenkant van een stellingkast raakten, deden zijn armen zeer tot in zijn oren.

"Vier minuten en achttien seconden," zei Juul, en klikte haar stopwatch. "Voor veertig verdiepingen is dat best netjes."

"Ik ga het niet in mijn dagboek schrijven."

Vanaf de kast zagen ze de fabriek pas echt. Lopende banden strekten zich uit als snelwegen, glimmend in het beetje maanlicht dat door de hoge ramen viel. Er stonden ketels zo groot als huizen, met daarop bordjes in nette letters: MENGKUIP 1. MENGKUIP 2. NIET ROEREN OP DINSDAG. Overal hingen buizen, kabels en slangen, en helemaal achterin, boven een deur met een gouden klink, brandde één verdacht lampje.

"Daar," zei Pim. "Waar het licht brandt. Wedden dat dat het kantoor van Knijp is?"

"Wedden hoef ik niet," zei Juul. "Er staat KANTOOR op de deur. Met gouden letters. En eronder staat KLOPPEN, WACHTEN, NOG EEN KEER WACHTEN."

Ze klommen de stellingkast af, plank voor plank, en staken de vloer over. En als jij nu denkt dat een fabrieksvloer gewoon een vloer is, dan ben je nog nooit tien centimeter geweest. Een fabrieksvloer is een woestijn met dopjes zo groot als vrachtwagenbanden, plassen limonade zo groot als vijvers, en stofvlokken die je aankijken alsof ze willen aanvallen.

Halverwege moesten ze een lopende band over. De band lag stil en was zo breed als een rivier, met rubber richels waar je overheen moest klauteren.

"Snel," zei Juul. "Ik vertrouw stilstaande machines niet. Dat is net als een slapende Sultan."

Ze waren precies in het midden toen ergens boven hun hoofd een klok zachtjes TING zei.

En de fabriek werd wakker.

✦ ✦ ✦

Het begon met een zoemen, diep onder de vloer, alsof een reusachtige hommel zich had verslapen. Toen sprongen er langs het plafond blauwe lampen aan, één voor één, tik-tik-tik, en een blikken stem galmde door de hal: "SPOELPROGRAMMA. ELF UUR. SPOELPROGRAMMA."

De band schokte. En begon te rijden.

"Rennen!" schreeuwde Juul.

Rennen op een rijdende lopende band is als rennen op een roltrap die de verkeerde kant op gaat, alleen dan zonder leuning en met richels ter hoogte van je middel. Pim sprong, struikelde, krabbelde overeind. Voor hen uit gleed de band een tunnel van staal in, waar borstels ronddraaiden zo groot als molenwieken.

"Niet die tunnel in!" riep Pim. "Ik wil niet geborsteld worden!"

"Dan de andere kant op! Tegen de band in!"

Ze renden. De band schoof. Ze bleven precies op dezelfde plek, als twee hamsters in een rad, en heel even dacht Pim: zo gaan we dus eindigen, sportend tot middernacht in de fabriek van de vijand.

Toen zag Juul de fles.

Er kwamen flessen aan. Lege flessen, in rijen, die door een grijparm één voor één van boven op de band werden gezet — KLONK. KLONK. KLONK. Ze kwamen recht op hen af, glazen torens die uit de hemel zakten, en elke fles landde precies op een kruisje op de band.

"Juul! Naar links, daar zit een kruisje, daar komt er zo een—"

"Ik zie het! Springen op drie! Eén—"

KLONK. Een fles landde vlak achter hen. De wind ervan blies Pims haar plat.

"Twee—"

KLONK. Vlak vóór hen. Pim zag zijn eigen spiegelbeeld in het groene glas, klein en bleek en met een kapsel dat nergens meer op leek.

"Drie!"

Ze doken opzij, tussen twee kruisjes in, en rolden over de richels naar de rand van de band. Boven hen zakte de volgende fles alweer omlaag. Juul greep de rand, slingerde eroverheen en stak haar hand uit. Pim pakte hem. Eén tel later hingen ze allebei aan de zijkant van de band, die gewoon doorreed alsof er niets gebeurd was.

"Loslaten," hijgde Juul. "Het is maar twee verdiepingen."

"Maar twéé—"

Ze vielen. En dat was het moment waarop Pim ontdekte waar de etiketteermachine zijn lijm laat lekken.

FLATSJ.

De lijmplas was lauw, geel en zo plakkerig als honderd boterhammen hagelslag zonder boter. Pim zakte tot zijn knieën weg. Juul tot haar laarzenrand. Elke stap maakte een geluid als een kus van een nijlpaard.

"Niet stilstaan," zei Juul. "Wie stilstaat, plakt vast."

"Ik stá niet stil. Mijn benen staan stil. Dat is iets heel anders."

Ze trokken elkaar beurtelings los, stap voor stap, en het scheelde niks of Juuls rechterlaars was voorgoed eigendom van de fabriek geworden. Aan de rand van de plas lag een verdwaald etiket, groot als een tapijt. PRIKKEL, stond erop. DE LIMONADE DIE JE NOOIT VERGEET. Pim veegde zijn handen eraan af.

"Dat klopt," zei hij. "Dit vergeet ik nooit meer."

En toen — precies toen ze allebei weer vaste grond onder hun schoenen hadden — rook Pim iets. Iets scherps en zoets, dat dwars door de lijmlucht en de limonadelucht heen sneed. Parfum.

Ze roken hem eerder dan ze hem zagen. Zo ging dat altijd met Directeur Knijp.

✦ ✦ ✦

"Verstoppen!" siste Juul.

Naast de etiketteermachine stond een lage stelling met dozen. Ze klauterden via een snoer omhoog, tot op de tweede plank, en drukten zich plat achter een doos met het opschrift RIETJES, GEEL, 10.000 STUKS. Beneden zwaaide de deur met de gouden klink open, en er viel een streep licht de fabriek in, en in die streep verscheen een schaduw zo dun als een lantaarnpaal.

"Ludo!" riep de schaduw. "LUDO! Waar zit je, mispunt?"

Ergens uit het donker kwam een veel grotere schaduw aangesjokt, kauwend. "Hier, oom Knijp. Ik was even bij de frietjes. Kijken of ze het naar hun zin hadden."

"Frietjes hebben het nooit naar hun zin. Frietjes zijn frietjes." Knijp beende de hal in, en het maanlicht gleed over zijn gouden tanden. Hij bleef staan bij Mengkuip 1 en klopte erop, teder, zoals je een paard klopt. "Ruik je dat, Ludo? Dat is de geur van succes."

"Ik ruik parfum," zei Ludo eerlijk.

"Dát bedoel ik." Knijp draaide een rondje, met zijn armen wijd. "Morgen beginnen de scheikundigen met brouwen. Ze hebben vandaag het hele recept overgeschreven, woord voor woord, uit dat smoezelige boekje van die professor. KrimpPrikkel, Ludo. Onthoud die naam. Over een maand kent het hele land hem."

Achter de rietjesdoos werd Juuls hand een vuist. Pim legde zijn vinger op zijn lippen.

"En dan winnen we de Gouden Fles?" vroeg Ludo.

"Dan winnen we de Gouden Fles." Knijp zei het zoals andere mensen amen zeggen. "De jury proeft mijn nieuwe wonderlimonade, de jury valt in katzwijm van bewondering, en de burgemeester hangt mij de fles persoonlijk om. Plan A."

"En als de jury het niet lekker vindt?"

Het bleef even stil. En toen deed Directeur Knijp iets wat erger was dan schreeuwen: hij begon te giechelen. Het klonk als een deur die nodig geolied moest worden.

"Dan, beste Ludo, is er plan B. Dan doe ik een páár druppeltjes van het spul in hun welkomstdrankje. Een paar kleine druppeltjes maar. En dan is de jury ineens een stuk…" — hij hield zijn duim en wijsvinger een centimeter uit elkaar — "…kleiner. Kleine mensen tekenen álles wat je ze voorlegt. Vooral als je dreigt de deksel op de schoenendoos te doen."

Ludo krabde op zijn hoofd. "Is dat niet gemeen, oom Knijp?"

"Gemeen?" Knijp legde een lange vinger tegen zijn kin, alsof hij er echt over nadacht. "Nee hoor. Het is zákendoen. Wie klein denkt, blijft klein, Ludo. En wie groot denkt, máákt anderen klein. Zo simpel is het."

Pim voelde iets kouds door zijn buik trekken. Naast hem bewoog Juuls mond zonder geluid. Hij kon precies lezen wat ze zei, en het was geen woord dat hier herhaald gaat worden.

"Oom Knijp?" vroeg Ludo. "En het boekje? Is dat nou veilig? Er lopen hier 's nachts weleens muizen, en muizen knagen aan—"

"Het Kladboek," zei Knijp, en hij proefde het woord alsof het van chocola was, "ligt in mijn kantoor. Op mijn bureau. Onder een glazen stolp, Ludo. Een stolp van dik glas, zo zwaar dat jíj hem nog met twee handen moet optillen. Daar komt geen muis bij, geen mot, en al helemaal geen professor." Hij snoof tevreden aan zijn eigen pols. "Nog vragen?"

"Eén," zei Ludo. "Als we de Gouden Fles winnen… krijgen we dan frietjes?"

Knijp keek zijn neef heel lang aan.

"Als wij de Gouden Fles winnen," zei hij toen, "koop ik voor jou de grootste frietfabriek van het land."

"Met mayonaise?"

"Uit een gouden kraan."

Ludo zuchtte zo diep en zo gelukkig dat de rietjesdoos ervan trilde. De twee liepen samen richting de trap, en Knijps stem stierf weg tussen de machines — iets over persberichten, en over een spandoek met zijn eigen gezicht erop, drie meter hoog.

Achter de doos kwam Pim langzaam overeind.

"Op zijn bureau," fluisterde hij. "Onder een stolp. Dat is te doen. Toch?"

"Een stolp die Ludo met twee handen moet tillen," zei Juul. "Wij zijn tien centimeter. Samen tillen wij ongeveer één boterham."

"Een halve," gaf Pim toe. "Maar we verzinnen wel iets. We zijn hier nu toch. Eerst kijken hoe dat kantoor eruitziet."

Ze slopen over de plank, langs de rietjesdoos, langs een doos met DOPPEN, GOUD, en langs een stapel folders waar het gezicht van Knijp duizend keer op stond, duizend keer even glimlachend. De plank was breed en het kantoor was dichtbij en heel even ging alles goed.

Je weet wat dat betekent, als heel even alles goedgaat.

Het licht veranderde. Dat was het eerste wat Pim merkte — niet een geluid, maar een schaduw, die over de folders viel, over de doos, over Juul en over hemzelf, een schaduw zo groot als het weer.

Langzaam keken ze omhoog.

Boven de plank hing het gezicht van Ludo. Zo dichtbij dat Pim de frietkruimels in zijn stoppels kon tellen. Het waren er elf.

Hoofdstuk Tien

Ludo

✦ ✦ ✦

Er zijn momenten in een mensenleven waarop je maar één ding kunt doen, en dat is heel hard gillen.

Ludo koos voor dat ene ding.

"MUIZEN!" brulde hij, en hij deinsde achteruit tegen een stelling, die rammelde alsof het onweerde. "OOM KNIJP! MUIZEN! HELE RARE MUIZEN! MET LAARSJES!"

"Rennen," zei Juul.

Dat hoefde ze geen tweede keer te zeggen. Ze sprintten over de plank, doken langs de doos met gouden doppen en gleden via een schuin gezakte folder omlaag, een bureau op dat tegen de stelling aan stond. Het was een oud kantoorbureau vol papieren, en normaal is een bureau ongeveer het saaiste meubel van de wereld, maar niet als je tien centimeter bent en er een reus achter je aan zit.

"MUIZEN PRATEN NIET, LUDO!" galmde de stem van Knijp, ergens ver weg bij de trap. "GA SLAPEN!"

"DEZE WEL! ZE ZEIDEN RENNEN!"

Pim keek achterom en wenste meteen dat hij dat niet had gedaan. Ludo had iets van de muur gegrist. Iets plats, iets rubberachtigs, iets met gaatjes erin, aan een lange steel.

Een vliegenmepper.

Als je nog nooit een vliegenmepper van dichtbij hebt gezien — echt van dichtbij, zo dichtbij dat je de gaatjes kunt tellen — dan raad ik je aan om dat zo te houden.

PETS!

De mepper kwam neer op de plek waar Pim een halve seconde eerder nog stond. Een stapel rekeningen wolkte de lucht in. Pim rolde onder een liniaal door, kwam overeind en rende verder, tussen twee koffiekringen door die glommen als bruine vijvers.

"Sorry muizen!" riep Ludo, en hij klonk oprecht verdrietig. "Ik vind jullie best aardig! Maar oom Knijp zegt dat ongedierte weg moet!"

PETS! De perforator sprong een gat in de lucht. PETS! Een potloodbakje ontplofte in een regen van paperclips, die alle kanten op stuiterden en rinkelden als vals geld. Pim gleed uit over een paperclip, surfte er een halve meter op mee en werd door Juul aan zijn kraag overeind gehesen.

"Daarheen!" Ze wees. Aan de rand van het bureau stond een houten bakje met laatjes, zo'n ouderwets kaartenbakje. Het onderste laatje stond op een kier. Ze doken erin, tussen stoffige kaartjes met namen van klanten die waarschijnlijk al honderd jaar geen Prikkel meer dronken, en hielden hun adem in.

Buiten werd het stil.

Heel even dacht Pim dat Ludo het had opgegeven. Toen werd het laatje — met kaartjes, met stof, met Pim en Juul en al — langzaam uit het bakje getrokken, en twee kleine ogen in een enorm gezicht keken naar binnen.

"Gevonden," zei Ludo trots.

"Achteruit!" riep Juul. En toen, tegen Pim: "Duwen!"

Ze zetten hun ruggen tegen de achterwand van het laatje. Die was oud en los en kierde al, en met een KRAK die Pim tot in zijn tenen voelde, klapte het dunne hout eruit. Ze vielen door het gat, achter het kaartenbakje langs, terug het bureau op — en stonden oog in oog met het vreemdste apparaat dat Pim ooit had gezien.

Het was een station van glimmende koperen buizen, die uit het bureau omhoogliepen en in het plafond verdwenen. Aan de voorkant zat een rond luik, en achter dat luik lag een soort raket van doorzichtig plastic, zo groot als een deegroller, met een deksel dat openstond. Op een geëmailleerd bordje boven het luik stond: BUIZENPOST. NIET VOOR BROODJES.

"Buizenpost," hijgde Juul. "Opa vertelde daarover. Vroeger schoten ze daar briefjes mee door het gebouw. Perslucht. Die dingen gaan als een speer."

"Hoe hard?"

"Weet ik niet precies." Ze keek hem aan, en er verscheen iets in haar ogen wat Pim inmiddels goed kende en waar hij nooit helemaal gerust op was. "Maar we gaan het meten."

✦ ✦ ✦

Achter hen schoof het kaartenbakje met veel kabaal opzij. De schaduw van de vliegenmepper streek al over de koperen buizen.

"Erin!" riep Juul.

Ze klauterden over de rand van de capsule. Vanbinnen lag er een oud, vergeeld briefje waar met potlood MAGAZIJN: 3 X ZOUT stond, en het rook er naar gum en naar 1953. Pim trok het deksel dicht op het moment dat het gezicht van Ludo boven hen verscheen, reusachtig en wazig door het bolle plastic.

"Muizen," zei Ludo streng, en hij pakte de capsule op.

De wereld zwaaide. Pim en Juul rolden over elkaar heen. Ludo hield de capsule voor zijn oog en schudde er zachtjes mee, zoals je met een spaarpot schudt om te horen wat erin zit.

"Oom Knijp!" riep hij blij. "Ik heb ze! Ik heb de pratende muizen in de raket gedaan! Wat nu?"

Van beneden klonk gestamp op de trap, en toen de stem van Knijp, dichterbij nu, druipend van ongeduld: "Als jij muizen hebt gevangen, Ludo, dan doe je wat je met álle post doet die ik niet wil lezen. Wegwezen ermee!"

"Oké!" zei Ludo.

"Nee!" zei Pim.

"Wacht!" zei Juul.

Maar Ludo wachtte niet. Ludo was misschien niet de slimste, maar opdrachten uitvoeren kon hij als de beste. Hij schoof het luik open, legde de capsule in de buis, aaide hem één keer met zijn wijsvinger — "Dag rare muizen" — en trok aan de grote koperen hendel.

Er gebeurde een halve seconde helemaal niets.

Toen greep de buis de capsule zoals Sultan een muis grijpt.

WHOESJ!

Pim werd tegen de achterwand geplakt alsof een onzichtbare hand hem daar met lijm vastdrukte. Zijn wangen wapperden. De wereld buiten het plastic werd een veeg van licht en donker, donker en licht. Ze schoten omhoog, klapten door een bocht — links, nee rechts, nee ONDERSTEBOVEN — en heel even zag Pim door het deksel de hele fabriekshal onder zich hangen: de banden, de ketels, de kuipen, allemaal piepklein.

"JOEHOEOEOE!" schreeuwde Juul.

"AAAAAAAH!" schreeuwde Pim.

Ze bedoelden allebei hetzelfde, ongeveer.

De buis dook omlaag. Pims maag deed dapper een poging om via zijn oren te ontsnappen. Bocht. Nog een bocht. Een lus — een echte lús, wie bóúwt er nou een lus in een postbuis — en toen werd het plastic om hen heen ineens ijskoud en het licht ging uit, alsof iemand een gordijn dichttrok, en ze vielen.

KLABAM.

De capsule sloeg ergens tegenaan, stuiterde, rolde, botste nog een keer, en bleef toen schommelend liggen, met het deksel omlaag en de wereld ondersteboven.

Het was heel lang heel erg stil.

"Juul?" zei Pim ten slotte. Zijn stem klonk raar in zijn eigen oren. "Leef je nog?"

"Ja." Een klik in het donker. "Achtentwintig seconden. Van het bureau tot hier in achtentwintig seconden. Weet je wat dat betekent?"

"Dat we nooit meer met de buizenpost gaan?"

"Dat dit het snelste vervoermiddel van heel Grommerdam is." Ze klonk diep tevreden. "Sneller dan Wervel. Sorry, Wervel."

✦ ✦ ✦

Het deksel zat klem. Natuurlijk zat het deksel klem. Ze moesten er samen tegenaan trappen, drie keer, voordat het met een zucht opensprong en ze naar buiten konden rollen — in iets zachts en muffigs dat bij nader onderzoek een gigantische berg ongeopende post bleek te zijn.

Pim krabbelde overeind en keek om zich heen.

Ze stonden in een kelder. Dat voelde je meer dan dat je het zag: de lucht was koel en dik, en het enige licht kwam van een klein rooster hoog in de muur, waar de maan doorheen scheen in dunne strepen. Overal om hen heen rezen kasten op, tot aan het onzichtbare plafond, volgepropt met mappen en dozen en stapels papier die in de loop van vele jaren waren gaan hellen als de Scheve Sint. Op de dichtstbijzijnde doos stond in verbleekte letters: ARCHIEF 1974. NIET WEGGOOIEN. OOK NIET LEZEN.

"Het archief," zei Juul. "De kelder dus. We zitten helemaal onderin de fabriek."

Pim deed voorzichtig een stap. Zijn linkerbeen deed pijn, zijn rechterelleboog deed pijn, en er zat een paperclipafdruk in zijn wang die daar volgens hem nog dagen zou zitten. "Alles doet zeer," meldde hij.

"Alles is er nog," zei Juul. "Dat is belangrijker. Controleer je zakken."

Dat was verstandig, en verstandig was precies waar Pim nu behoefte aan had. Hij voelde zijn zakken na. Touwtje: ja. Knikker: ja. Het halve gewone koekje: ja, in kruimels weliswaar, maar een half koekje in kruimels is nog steeds een half koekje. En in zijn binnenzak, veilig in zilverfolie, het pakketje waar alles om draaide: zijn groeikoekje. Hij kneep er even in, heel zachtjes. Hard en heel. Hij haalde opgelucht adem.

"Groeikoekje veilig," zei hij.

"Hier ook." Juul klopte op haar borstzak, en toen op haar riem. "Naald ook. Stopwatch ook. Alleen mijn trots is gedeukt. Ik ben verslagen door een man met een vliegenmepper."

"Hij heeft ons niet gemept. Hij heeft ons gepóst. Dat is iets heel anders."

Juul grinnikte. Toen hield ze haar stopwatch in een streep maanlicht en fronste. Op het kleine klokje onder de wijzerplaat — Juuls stopwatch had ook een klokje, uiteraard, wat had je anders verwacht — stond 23:47.

"23:47," zei ze. "We zijn twee uur en zeven minuten binnen. En we zijn verder van het kantoor van Knijp dan toen we begonnen."

"Maar we weten nu waar het Kladboek ligt," zei Pim. "Op het bureau. Onder de stolp. Dat wisten we twee uur en zeven minuten geleden nog niet."

"En we weten hoe de buizenpost werkt."

"En we weten dat Ludo elf frietkruimels in zijn stoppels had."

"Dat wist íík," zei Juul. "Jij was te druk met gillen."

Ze begonnen zich een weg te zoeken langs de bergen post, op zoek naar de muur, want waar een muur is, is een deur, en waar een deur is, is een kier, dat wist Pim inmiddels uit ervaring. Het maanlicht haalde hun voeten niet meer; hier, tussen de kasten, was het donker zo compleet dat Pim zijn eigen handen kwijtraakte.

En toen hoorde hij het.

Geritsel.

Heel zacht. Rechts van hen. Toen ook links. Toen achter hen, en vóór hen, en eigenlijk overal tegelijk — een droog, licht, trippelend geritsel, als regen op een krant, en het kwam dichterbij.

"Juul," fluisterde Pim.

"Ik hoor het."

Ze gingen met hun ruggen tegen elkaar staan, midden in het gangpad. Juul trok haar naald. Het geritsel hield op, allemaal tegelijk, alsof iemand een teken had gegeven.

En toen gingen in het donker de ogen aan.

Twee. Toen tien. Toen tientallen — kleine ronde oogjes die het schaarse licht vingen en glommen als natte knikkers, in een wijde kring om hen heen, op de vloer, op de planken, op de dozen van archief 1974. Ze knipperden niet. Ze wachtten.

Pim slikte.

"Juul," fluisterde hij. "Ik geloof niet dat wij hier de enige kleintjes zijn."

Hoofdstuk Elf

Generaal Snuf

✦ ✦ ✦

Niemand bewoog.

De ogen in het donker keken naar Pim en Juul. Pim en Juul keken naar de ogen in het donker. Juuls naald glansde in een streepje maanlicht, en Pim hield zijn knikker in zijn vuist, want een knikker is geen wapen, maar het is wel iets, en iets is beter dan niets.

Toen schoof er een gedaante naar voren, het licht in.

Het was een rat. Maar niet zomaar een rat. Deze was oud en breed en bruin als een boekenkast, met grijze haren rond zijn snuit en een litteken over zijn schouder. Waar zijn linkeroor had moeten zitten, zat helemaal niets. Hij liep langzaam, met de waardigheid van iemand die nog nooit ergens voor opzij is gegaan, en hij bleef op twee staartlengtes afstand staan en bekeek hen van top tot teen.

Voor de duidelijkheid: een rat is voor een gewoon mens ongeveer zo groot als een schoen. Voor iemand van tien centimeter is een rat zo groot als een pony. Een pony met tanden.

"Rustig blijven," fluisterde Juul. "Niet rennen. Rennen is voor ratten een uitnodiging."

"Ik ren niet. Ik sta te trillen. Dat is iets heel anders."

De oude rat kwam nog een stap dichterbij. Hij snuffelde. Zijn snorharen streken langs Pims jas, langs zijn mouw, langs het pakketje folie in zijn binnenzak — en toen gebeurde er iets vreemds. De rat verstijfde. Hij snuffelde nog eens, dieper nu, en zijn ene oor ging recht overeind staan.

En toen ging hij op zijn achterpoten zitten, tilde één voorpoot op, en begon op de stenen vloer te tikken.

Tik. Tik-tik-tik. Tik-tik. Tik.

"Hij doet iets," fluisterde Pim. "Waarom doet hij iets? Wat doet hij?"

Maar Juul gaf geen antwoord. Juul stond doodstil, met haar hoofd schuin, en haar lippen bewogen geluidloos mee, en haar ogen werden groter en groter en groter.

"Kort-lang," mompelde ze. "Dat is een A. Lang-kort-kort… ik mis het begin. Nog een keer. Alsjeblieft, nog een keer."

En alsof de rat haar verstond — en hij verstond haar, daar kwamen ze nog achter — begon hij opnieuw. Geduldig. Precies. Tik voor tik.

"K," zei Juul zachtjes. "R… A… K." Ze keek op. "Krak. Hij tikt Krak. Pim, deze rat kan morse!"

"Ratten kunnen geen morse."

"Deze wel!" Juul liet haar naald zakken, deed een stap naar voren en tikte met haar hak op de vloer: vraagteken, en toen, langzaam en een beetje plechtig: K-R-A-K, J-A. "Ik zeg hem dat we Krak kennen."

Het effect was enorm. Er ging een golf van geritsel door het donker, alsof honderd kranten tegelijk werden omgeslagen. De oude rat kwam overeind. Hij tikte weer, sneller nu, en Juul vertaalde hardop, woord voor woord, als een juf die dicteert.

"R-U-I-K… ruik. G-R-O-E-N… groen. D-R-A-N-K." Ze fronste. "Ruik groene drank. Hij ruikt de krimpelimonade. Aan óns."

"Peredrups en onweer," zei Pim. "Dat ruik je blijkbaar nog uren later. Vraag hem wie hij is."

Juul tikte. Het antwoord kwam meteen, vier letters, kort en trots als een handtekening.

"S-N-U-F," las Juul. "Snuf."

En daarna nog iets, met een extra harde tik erachter, en toen Juul het vertaald had, zei ze het eerst zachtjes voor zichzelf en toen hardop, en ze klonk alsof ze het zelf niet geloofde:

"Generaal Snuf."

De rat maakte een klein, stijf buiginkje. Om hen heen kwamen de andere ogen dichterbij, tientallen ratten die uit het donker schoven, jong en oud, dik en dun, en ze gingen allemaal netjes in een halve kring zitten, zoals kinderen bij een verhaal.

De generaal draaide zich om en tikte één woord.

"V-O-L-G," las Juul. "Volg."

"Volgen? Waarheen?"

Generaal Snuf keek Pim aan met zijn glimmende zwarte ogen. Toen liep hij naar de muur van de kelder, waar tussen twee kasten een gat zat, niet groter dan een vuist. Voor Ludo was het een muizengaatje geweest. Voor Pim en Juul was het een poort.

✦ ✦ ✦

De tunnel rook naar aarde en oud brood, en hij liep omlaag, en toen opzij, en toen omlaag én opzij tegelijk. Overal vertakten zich gangen, en bij elke splitsing zat een rat als een wegwijzer, die hen nakeek zonder één geluid te maken. Pim telde zeventien splitsingen en gaf het toen op.

En toen werd de gang breed, en hoog, en ze stapten een zaal binnen — en Pim bleef stokstijf staan en vergat te lopen, te praten en bijna te ademen.

Het rattenrijk.

De zaal was zo groot als een klaslokaal, uitgegraven onder de fundamenten, met wortels door het plafond die als kroonluchters naar beneden hingen. Langs de wanden liepen richels vol nesten van stro en krantensnippers. Er brandde licht — echt licht: hier en daar stond een theelichtje in een blikje, en vraag me niet hoe ratten aan brandende theelichtjes komen, want dat is misschien wel het enige raadsel van Grommerdam dat nooit is opgelost. Midden in de zaal stond een troon, opgebouwd uit tientallen kurken, keurig gestapeld als een taart. En daarachter, over de hele achterwand, glinsterde iets waar Juul een piepgeluidje van maakte.

Een muur van flessendoppen. Honderden. Duizenden misschien. Rode, gouden, zilveren, blauwe, allemaal opgepoetst en in de leem gedrukt in patronen — sterren, golven, en in het midden iets wat verdacht veel leek op een grote, deftige rat.

"Wervel zou hier flauwvallen," fluisterde Pim.

"Wervel mag hier nooit van zijn leven komen," fluisterde Juul terug.

Generaal Snuf klom op zijn kurkentroon, ging zitten en tikte op de armleuning. De zaal werd muisstil, wat een gek woord is voor een zaal vol ratten, maar zo heet dat nu eenmaal.

"W-A-A-R-O-M… H-I-E-R," vertaalde Juul.

En dus vertelden ze het. Om de beurt, en door elkaar heen, en Juul tikte de belangrijkste woorden mee op de vloer: het Kladboek. De inbraak. Knijp. De stolp. Het festival. De druppeltjes in de glazen van de jury. Bij het woord K-N-IJ-P ging er een laag, boos gesis door de zaal, en bij K-R-A-K juist een soort zucht, en Generaal Snuf zat roerloos op zijn troon en luisterde met zijn ene oor.

Toen ze klaar waren, bleef het lang stil. De generaal keek naar de doppenmuur alsof daar iets te lezen stond. Toen kwam hij langzaam van zijn troon af, liep naar Pim toe en tikte, vlak voor zijn voeten, een lange zin. Juul vertaalde hem stukje voor stukje, en haar stem werd er steeds zachter van.

"Ik… ken… Krak. Lang geleden. Zijn… lab." Ze stokte. "Kooi drie. Ik was… kooi drie."

"Een proefrat," zei Pim zachtjes. "Bij de professor. Dus dáár kent hij die geur van."

De generaal tikte verder. "Krak was… goed. Gaf kaas. Gaf naam. Deur… op… kier." Juul keek op. "Hij zegt: de deur stond op een kier. Expres, denk ik. Krak heeft hem laten gaan."

De oude rat wreef met een poot over de plek waar zijn oor had gezeten, één keer, en Pim besloot dat sommige vragen niet gesteld hoeven te worden.

In plaats daarvan deed hij iets anders. Hij stak zijn hand in zijn binnenzak — "PIM!" riep Juul, "verkeerde zak! Folie! FOLIE!" — en Pim verstijfde, trok zijn hand heel voorzichtig terug alsof de zak vol wespen zat, en stak hem toen in zijn gewone jaszak. Want begrijp dit goed, en de ratten begrepen het gelukkig niet verkeerd: in zijn bínnenzak zat het groeikoekje, in zilverfolie, het allerlaatste redmiddel, en dat mocht helemaal niemand opeten, geen rat en geen generaal en zelfs Pim zelf nog niet. Maar in zijn gewóne zak, tussen het touwtje en de knikker, zat wat daar altijd zat: een half koekje. Een doodgewoon half koekje. Een beetje kruimelig van de buizenpost, maar dat mocht de pret niet drukken.

Pim haalde het tevoorschijn, hield het even omhoog zodat iedereen het kon zien, en legde het toen neer voor de poten van Generaal Snuf.

"Voor u," zei hij. "Gewoon een koekje. Geen trucjes. Van mij."

De zaal hield zijn adem in. De generaal keek naar het koekje. Toen naar Pim. Toen nam hij één keurig hapje, kauwde langzaam, en gaf de rest — en dat betekende iets, dat begreep zelfs Pim zonder morse — met een duwtje van zijn snuit door aan de kleinste rat van de zaal, een grijs propje met flaporen dat helemaal achteraan zat.

Daarna ging Generaal Snuf rechtop zitten en salueerde. Met zijn linkerpoot, tegen de plek waar geen oor zat.

"Ik denk," zei Juul plechtig, "dat we er net een leger bij hebben."

✦ ✦ ✦

Wat volgde was de raarste vergadering waar Pim ooit bij had gezeten, en hij had weleens een ouderavond meegemaakt.

Generaal Snuf tikte, Juul vertaalde, en langzaam werd duidelijk waarom de ratten zo gloeiend, gloeiend boos waren op Directeur Knijp. Het was begonnen met de vallen: blinkende, wrede knippen, honderd tegelijk, op elke plank en achter elke kast. Toen kwam het gif, waardoor de goede afvalbakken — de bakken achter de kantine, waar vroeger korstjes kaas en halve boterhammen in zaten, het beste vuilnis van heel Grommerdam — niet meer te vertrouwen waren. En sinds kort spoelde de fabriek 's nachts haar mislukte Prikkel door de putten, recht door het onderste stelsel van tunnels.

"S-T-I-N-K-T," tikte een dikke rat vanaf de richel er verontwaardigd achteraan, en daar was geen vertaling voor nodig.

"Dan zijn we het eens," zei Pim. "Knijp moet gestopt worden, en het Kladboek moet terug. Maar het ligt onder een glazen stolp, in een afgesloten kantoor, en het kantoor is boven en wij zijn onder."

Generaal Snuf maakte een geluid dat bij een mens een lachje zou zijn geweest. Hij sprong van zijn troon, liep naar een gladgeveegd stuk vloer en begon te krabben met zijn nagel — lijnen, hoeken, kruisjes. Een kaart. En terwijl hij krabde, tikte hij met zijn andere poot, en Juul vertaalde, en het kwam hierop neer:

De ratten kenden elke tunnel van Grommerdam. Onder de Grote Markt, onder de gracht, onder de kerk (waar het scheef liep, uiteraard), en dwars door alle muren van de Prikkel-fabriek. Er liep een gang door de spouwmuur, achter de trap langs, twee verdiepingen omhoog — tot in de wand van het kantoor van Directeur Knijp. En in die wand zat een oud stopcontact dat al jaren los zat.

"Een achterdeurtje," zei Juul. "Recht het kantoor in. Op vijftig centimeter van het bureau." Ze had de kaart al drie keer nagemeten met haar duim en wijsvinger, want zo was Juul.

"En de stolp?" vroeg Pim. "Die tilt zelfs Ludo met twee handen."

Juul keek naar de kurkentroon. Toen naar de doppenmuur. Toen naar de tientallen ratten om hen heen, die allemaal terugkeken, sterk en stil en met heel veel poten samen.

"Weet je," zei ze langzaam, "ik denk dat tillen ons probleem niet meer is."

Pim voelde iets warms in zijn borst, iets wat groter was dan tien centimeter, veel groter, en hij grijnsde naar de generaal. "Wanneer?" vroeg hij. "Wanneer doen we het?"

Generaal Snuf keek hem aan. Zijn oude ogen glommen als twee natte knikkers, en heel even leek het of hij ook grijnsde.

Toen tilde hij zijn poot op en tikte één laatste bericht. Acht letters. Juul las ze een voor een, en het werd er heel stil van in de zaal.

"V-A-N-N-A-C-H-T."

Vannacht.

Hoofdstuk Twaalf

Het Kladboek

✦ ✦ ✦

Het losse stopcontact zwaaide open als een deurtje, precies zoals Generaal Snuf had beloofd, en Pim stapte uit de muur het kantoor van Directeur Knijp binnen.

Het was er donker, maar niet helemaal. Door het hoge raam scheen de maan, en in dat blauwe licht zag Pim een kantoor dat eruitzag zoals Knijp rook: te veel, te glimmend en te vol met zichzelf. Aan de wand hingen zeven schilderijen, en op alle zeven stond Directeur Knijp, in zeven verschillende jassen, met zevenmaal dezelfde gouden grijns. Op de vloer lag een tapijt zo dik dat Pim er tot zijn enkels in wegzakte, en het hele kantoor stonk naar Eau de Succes, alsof het parfum hier woonde en Knijp alleen op bezoek kwam.

En midden in de kamer stond het bureau.

Het was een reusachtig, donker, glanzend bureau, en er bovenop, in het maanlicht, stond de glazen stolp. En onder die stolp, op een kussentje van paars fluweel nota bene, lag het Kladboek van Professor Krak. Dik, bruin, met het elastiek er nog omheen. Het lag daar als een gevangene, vond Pim. Een gevangene op een véél te mooi kussen.

"Daar is het," fluisterde hij. "We zien het echt. Het is er echt."

"Drie meter naar het bureau," fluisterde Juul. "In onze maten: een straat oversteken en een flatgebouw beklimmen. Kom."

Achter hen glipten de ratten één voor één uit het stopcontact. Twintig had Generaal Snuf er meegenomen, zijn beste verhuizers, en helemaal achteraan kwam het kleine grijze propje met de flaporen, dat volgens Juul Flap heette, want iemand moest toch een naam hebben.

De klim naar het bureaublad ging via het gordijnkoord, dat naast het bureau tot op de grond hing: voor een rat een snelweg, voor een kind van tien centimeter een touwladder. Binnen twee minuten stonden ze allemaal boven, op een bureaublad zo groot als een schoolplein, tussen een vulpen als een kano en een presse-papier waar een echte vlinder in zat, wat Pim stiekem het treurigste vond wat hij ooit had gezien.

Ze liepen om de stolp heen. Eén keer. Twee keer.

Van dichtbij was het ding nog erger dan gevreesd: glas zo dik als Pims arm, en de rand sloot naadloos aan op het hout. Juul duwde ertegen. Er gebeurde niets. Probeer maar eens een kerkklok omver te duwen.

"Tillen kan niet, duwen kan niet," zei Juul. Ze zei het niet verdrietig. Ze zei het zoals ze alles zei: als een meetresultaat. "Dus gaan we wippen."

"Wippen?"

"Natuurkunde, Pim. Opa zei altijd: wat te zwaar is voor je armen, is precies goed voor een hefboom." Ze wees. Op het bureau lag een potlood, lang en geel, met een gum op zijn kont. En naast het bakje met pennen lag nog een losse vlakgum, zo groot als een matras. "Potlood eronder. Gum als steunpunt. En dan met z'n tweeëntwintigen op het uiteinde hangen."

Generaal Snuf had maar een halve tik nodig om het te begrijpen. Misschien had hij in het lab van Krak weleens iets over hefbomen opgestoken, of misschien was hij gewoon slimmer dan de meeste mensen die Pim kende. De ratten sleepten de vlakgum tot vlak naast de stolp, wrikten de punt van het potlood in het piepkleine randje tussen glas en hout, en legden het potlood over de gum heen. Het achterste eind stak omhoog als een wipwap die wacht op een kind.

"Iedereen erop," zei Juul. "Op drie. Eén… twee…"

Op drie sprongen twintig ratten, één jongen en één meisje tegelijk aan het uiteinde van het potlood.

Heel even gebeurde er niets. Toen kwam, met een zucht en een KRRRK van glas over hout, de rand van de stolp los van het bureau. Eén centimeter. Anderhalve centimeter. Een gouden streep maanlicht gleed onder het glas door over het paarse kussen.

"Flap!" riep Pim. "De tweede gum! NU!"

Het kleine ratje schoot naar voren, duwde met zijn neus de tweede gum in de kier, en toen het potlood terugveerde, bleef de stolp openstaan als een deur op een kiertje. De kier was laag. Maar een rat kan zich plat maken op manieren waar wetenschappers nog steeds niet uit zijn, en het Kladboek lag vlak bij de rand.

Zes ratten glipten naar binnen. Ze pakten het elastiek in hun tanden, zetten hun nagels in het fluweel, en trokken.

Het boek schoof. Langzaam, met horten en stoten, centimeter voor centimeter, schoof het Kladboek van zijn kussen, door de kier, onder het glas door, het maanlicht in. Pim en Juul grepen elk een hoek van het elastiek en trokken mee, al gaf dat waarschijnlijk evenveel verschil als een mug die een tractor duwt.

En toen lag het vrij. Het Kladboek van Professor Aldo Krak, terug in vriendelijke handen. En poten.

"Gelukt," hijgde Pim ongelovig. "Juul. Het is gelukt."

"Nog niet," zei Juul. "Gelukt is pas als we thuis zijn. Dit is halverwege gelukt."

Ze had gelijk, en dat was jammer, want op dat moment ging alles mis.

✦ ✦ ✦

Het boek van het bureau af krijgen ging verrassend soepel: de ratten lieten het via het gordijnkoord op het tapijt zakken als echte verhuizers, met tegenwicht en alles. Twintig ratten gingen eromheen staan, beten zich vast in het elastiek en tilden het hele boek gewoon op, alsof het niks was, alsof ze elke week een boek verhuisden.

"Ratten verhuizen alles," zei Juul zacht. "Vraag maar niks."

De stoet stak het tapijt over, recht op het stopcontact af. En daar, vlak voor de muur, half verstopt achter de plint, stond het ding waar Generaal Snuf de hele nacht al omheen had gelopen: een muizenval. Blinkend, gemeen, met een stukje oude kaas erop dat zo droog was dat zelfs Flap er zijn neus voor optrok.

Maar deze val was anders. Uit deze val liep een dun rood draadje, de plint in, de muur op, het plafond over.

"Waarom zit er een draadje aan een muizenval?" fluisterde Pim.

Hij kwam er meteen achter.

Een van de dragende ratten, moe en trots en heel even niet oplettend, zwaaide met zijn staart. De staart raakte de val niet eens — hij raakte het dráádje, en dat was genoeg.

SNAP! deed de val.

RRRRIIIIING! deed het hele gebouw.

Overal tegelijk barstten bellen los, in het kantoor, op de gang, boven hun hoofden, snerpend en rammelend, en aan het plafond flitste een rood licht aan dat ronddraaide als een vuurtoren die slecht nieuws heeft. Ergens boven klonk gestommel, een deur, en toen een stem die Pim door merg en been ging, schel en woedend en nog hees van de slaap:

"INBREKERS! DIEVEN! LUDOOOO!"

"RENNEN!" schreeuwde Juul, en niemand deed alsof hij dat niet gehoord had.

De ratten stormden met het Kladboek naar het stopcontact. Het gat was krap voor een boek van die maat; het bleef steken, half binnen, half buiten, en de ratten duwden en trokken en piepten, en Pim en Juul zetten hun schouders tegen het elastiek, en achter hen vloog de kantoordeur open en het licht knalde aan.

In de deuropening stond Directeur Knijp.

Hij droeg een nachtjapon. Een lange, zijden nachtjapon met — dit is echt waar — zijn eigen initialen op de borst geborduurd, en een slaapmuts met een gouden kwastje, en op de een of andere manier rook hij zelfs midden in de nacht naar Eau de Succes. Zijn ogen schoten door het kantoor, naar het bureau, naar de openstaande stolp, naar het lege paarse kussentje.

Het geluid dat Directeur Knijp toen maakte, kun je het beste beschrijven als een theeketel die verliest met monopolie.

"MIJN BOEK!" gilde hij. "MIJN RECEPT! MIJN MILJOENEN!" En toen zag hij, bij de plint, het laatste hoekje van het Kladboek de muur in schuiven, voortgeduwd door iets grijs met flaporen. "RATTEN! Het zijn de RATTEN! LUDO! DE RATTEN HEBBEN MIJN BOEK!"

Ludo verscheen achter hem in de deuropening, in een pyjama met frietjes erop, de vliegenmepper slaperig in zijn hand. "De pratende muizen?" vroeg hij hoopvol.

"RATTEN, Ludo! Gewone, ordinaire, stelende ratten!" Knijp beende door het kantoor, rukte de stolp van het bureau en keek eronder, alsof het boek zich misschien onder het kussentje verstopt had. Toen werd hij heel stil. En dat was enger dan het gillen. "Goed," zei hij zacht, tegen niemand, tegen de zeven schilderijen van zichzelf. "Góéd. Ze denken dat ze me hebben. Maar een recept is maar papier. En papier kan ik missen… zolang ik het bréín maar heb." Hij draaide zich om naar Ludo, en zijn gouden tanden glommen in het lamplicht. "Ludo. Trek je jas aan. Haal de auto."

"Nu? Het is nacht, oom Knijp."

"Dan zijn we mooi vóór de melkboer," zei Directeur Knijp, "bij de Dwarsstraat."

Maar dat hoorden Pim en Juul al niet meer. Die waren toen al diep in de muur, rennend achter twintig ratten en één Kladboek aan, omlaag, omlaag, het donker in, waar de bellen alleen nog klonken als een boze droom.

✦ ✦ ✦

De zon kwam op boven de gracht, en hij deed dat prachtig, alsof hij wist dat er publiek was.

Bij het water, tussen het riet, hadden de ratten het Kladboek op een oude houten kaasplank geladen die ergens uit een tunnel tevoorschijn was gekomen. Zes zwemmers ernaast, twee duwers erachter: zo zou het boek over de gracht naar de Dwarsstraat varen. Generaal Snuf inspecteerde de knopen in het elastiek en tikte kort en tevreden.

Pim stak twee vingers in zijn mond en floot het signaal van de professor: kort, kort, lang.

Wervel kwam aanvallen uit de ochtendlucht als een zwart-witte pijl, landde naast hen in het gras en bekeek het gezelschap — twee kleine kinderen, twintig ratten, één varend boek — zonder één veer van verbazing. Wervel had bij Professor Krak wel gekker meegemaakt.

Maar opstijgen, ho maar. Aan het elastiek van het Kladboek, meegelift uit het kantoor, hing een glimmende zilveren paperclip, en Wervel boog zich ernaartoe met de blik van een juwelendief.

"Nee," zei Pim. "Wervel. Nee. Eerst vliegen."

"KRRA," zei Wervel, wat in het eksters van alles kan betekenen, behalve ja.

"Geef nou maar," zuchtte Juul. "We hebben geen tijd voor onderhandelingen." Ze peuterde de paperclip los en stak hem omhoog; Wervel griste hem uit haar hand, verstopte hem ergens onder zijn vleugel waar eksters hun schatten verstoppen, en zakte toen pas gedienstig door zijn poten.

Ze vlogen naar huis door een roze ochtend. Onder hen gleed Grommerdam voorbij: de daken, de Scheve Sint die scheef goedemorgen zei, de gracht waar een kaasplank met een boek erop dapper koers hield. Pim hing in de veren en voelde iets warms: ze hadden het gedaan. Het Kladboek was terug. De professor zou "Bij Newtons nachthemd!" roepen, en dan zouden ze thee drinken en alles vertellen, drie keer achter elkaar.

Wervel landde in de wilde tuin van nummer 15b, tussen de rabarber, waar de kaasplank net door het slootje kwam aangevaren.

En daar klopte iets niet.

De deur van het schuurtje hing open. Niet uitnodigend open, zoals altijd — écht open, scheef aan één scharnier. Ervoor, in het natte gras, lag een stoel op zijn kant, met zijn vier poten in de lucht als een dood insect.

"Professor?" riep Pim. Zijn stem was tien centimeter klein in de grote stille tuin. "PROFESSOR!"

Niets. Wervel begon heen en weer te springen op het tuinpad, opgewonden krassend. Generaal Snuf stond doodstil, zijn neus in de wind, en wat hij rook beviel hem duidelijk helemaal niet.

Binnen was het een slagveld van kleine dingen: een omgevallen krukje, een gebroken theekopje, de motorfietsstapel omver. Op het fornuis stond de theepot. Juul klom erheen en hield haar hand ertegen.

"Warm," zei ze zachtjes. "De thee is nog warm, Pim. Ze zijn hier net geweest."

En toen zag Pim de tafel.

Midden op de grote houten tafel lag de uitnodiging voor het Gouden Fles-festival, de gouden envelop die zo naar parfum stonk dat je er hoofdpijn van kreeg. Iemand had hem daar neergelegd. Netjes. Expres. Als een visitekaartje.

En onder de envelop, zorgvuldig vastgepind als een vlinder in een presse-papier, lag de motorbril van Professor Krak.

Hoofdstuk Dertien

Weg

✦ ✦ ✦

De thee was nog warm.

Dat was misschien wel het allerergste, vond Pim later. Niet de omgevallen stoel, die op zijn zij lag als een dood insect. Niet de deur, die zachtjes heen en weer zwaaide in de ochtendwind. Nee — dat kopje thee, midden op tafel, met een dun sliertje damp erboven, alsof professor Krak elk moment binnen kon lopen, zijn handen kon warmen aan het kopje en kon zeggen: "Bij Newtons nachthemd, waar was ik ook alweer gebleven?"

Maar er kwam niemand binnen. Er was alleen de wind, en de klok, en Wervel, die op de kastrand heen en weer sprong en een geluid maakte dat Pim nog nooit van een ekster had gehoord. Het klonk als een deurbel die kapot was van verdriet.

"Professor?" riep Juul. "Professor Krak!"

Ze renden het hele huisje door. De slaapkamer: leeg, het bed onbeslapen. De keukenkast: leeg, op zevenendertig potjes zelfgemaakte jam na. De tuin: leeg, als je de reuzenrabarber niet meetelde, en die vertelde niets, want rabarber is een waardeloze getuige.

Terug in de keuken bleef Pim staan bij de tafel. Daar lag de uitnodiging voor het Gouden Fles-festival, goud en glimmend en stinkend naar parfum. En daaronder, netjes vastgepind alsof iemand een briefje achterliet, lag de motorbril van de professor.

Pim pakte hem op. De glazen waren dof van ouderdom, het elastiek was drie keer geknoopt. Professor Krak deed die bril nooit af. Nooit. Hij douchte ermee, beweerde Juul, en niemand had het tegendeel kunnen bewijzen.

"Hij is meegenomen," zei Pim. Zijn stem klonk raar, alsof iemand anders hem gebruikte. "Ze hebben hem gewoon... meegenomen."

Juul rook aan de uitnodiging en trok haar neus op. "Eau de Succes," zei ze. "De hele keuken stinkt ernaar. Weet je wat dit is, Pim? Dit is een visitekaartje. Knijp wíl dat we weten dat hij het was. Hij denkt dat niemand hem kan pakken."

Pim stopte de motorbril voorzichtig in zijn jaszak, bij het touwtje en de knikker. Hij voelde zich alsof iemand de vloer onder Grommerdam had weggetrokken. Gisteren waren ze nog helden geweest. Vannacht hadden ze het Kladboek teruggestolen, met twintig ratten en een ekster en meer geluk dan verstand. En terwijl zij door het donker naar huis vlogen, was iemand anders óók op pad geweest.

"We gaan naar de politie," zei Juul, en ze klikte haar stopwatch in. "Nu meteen."

✦ ✦ ✦

Het politiebureau van Grommerdam was klein, rook naar koffie en had één agent: brigadier Klos. Hij zat achter zijn bureau met een potlood, dat hij eerst uitgebreid aflikte voordat hij iets opschreef. Dat aflikken duurde langer dan het schrijven.

"Vermist, zeggen jullie." Lik. "Naam?"

"Professor Aldo Krak," zei Juul. "Dwarsstraat vijftien-b."

"Leeftijd?"

"Oud," zei Pim. "Heel oud. Ouder dan de Scheve Sint, zegt hij zelf, maar dat is waarschijnlijk een grapje."

"Bijzondere kenmerken?"

"Wild wit haar. Brandgaten in zijn jas. Een motorbril op zijn voorhoofd —" Juul aarzelde. "Die heeft hij nu dus niet op. Die ligt bij ons. Dat is nou juist het bewijs."

Brigadier Klos legde zijn potlood neer en keek hen aan zoals je naar een puppy kijkt die je krant heeft opgegeten. "Kinderen. Ik zit al eenendertig jaar bij de politie. Weten jullie hoeveel oude mannen er in die tijd zijn verdwenen in Grommerdam?"

"Nee," zei Pim.

"Negentien. En weten jullie waar die allemaal waren? Wandelen. Negen van de tien oude mannen die verdwijnen, zijn gewoon een eindje gaan wandelen."

"En de tiende?" vroeg Juul.

"Die was vissen." Klos sloeg zijn boekje dicht alsof daarmee alles gezegd was.

"Maar de stoel lag omver!" riep Pim. "En zijn thee was nog warm, en de deur stond open, en —"

"Stoelen vallen om," zei brigadier Klos. "Dat wist ik allang. Daar heb je geen politie voor nodig, daar heb je zwaartekracht voor." Hij boog zich voorover en snoof. "Zeg, wat ruik ik toch? Hebben jullie parfum op?"

"Dát!" Juul sloeg de gouden uitnodiging op het bureau. "Dat is het parfum van directeur Knijp. Zijn uitnodiging lag boven op de motorbril. Wij denken dat directeur Knijp de professor heeft ontvoerd, naar de Prikkel-fabriek, omdat —"

Verder kwam ze niet, want brigadier Klos begon te lachen. Het was geen gemene lach, eerder de lach van iemand die denkt dat hij een goede mop hoort. "Directeur Knijp! De man die elk jaar de politiekantine sponsort! Die man ontvoert nog geen verkoudheid." Hij rook nog eens aan de envelop en knikte goedkeurend. "Lekker luchtje trouwens. Chic."

Buiten, op de stoep, stond Juul zo hard op haar stopwatch te drukken dat haar duim er wit van werd. "Veertien minuten en twaalf seconden," zei ze. "Zo lang duurt het om door een volwassene niet geloofd te worden."

En als jij nu denkt: dan vertellen ze toch gewoon de héle waarheid, met krimpelimonade en ratten en alles — bedenk dan even hoe dat geklonken zou hebben. Meneer de agent, wij waren gisteren tien centimeter groot en hebben met een rattenleger een notitieboek gestolen. Er zijn snellere manieren om naar bed gestuurd te worden met een thermometer in je mond, maar niet veel.

"We staan er alleen voor," zei Pim.

"Nee," zei Juul. "We staan er met zijn tweeën voor. Dat is precies twee keer zoveel."

✦ ✦ ✦

Thuis rook het naar erwtensoep en zorgen. Mevrouw Post had gehoord dat "die aardige uitvinder van vijftien-b" spoorloos was — in Grommerdam gaat nieuws sneller dan de post, en dat vond mevrouw Post als postkantoorhoudster eerlijk gezegd een beetje beledigend.

"Jullie blijven vanavond binnen," zei ze, terwijl ze soep in de kommen schepte. "Er lopen rare mensen rond, en jij bent al zo'n klein ventje."

"Mam," zei Pim vermoeid. "Klein is geen zwakte."

"Nee, lieverd. Maar het is wel makkelijk optilbaar." Ze gaf hem een kus op zijn haar en rende weer naar de winkelbel.

Pim en Juul zaten net over hun dampende soep gebogen toen er op het raam werd getikt. Tik. Tik-tik. TIK.

Wervel zat op de vensterbank, met opgezette veren en woeste oogjes, en in zijn snavel bungelde iets bruins en slierterigs.

"Een veter," fluisterde Juul toen Pim het raam had opengeschoven. Ze pakte hem voorzichtig aan. Een bruine schoenveter, gerafeld, met een brandgat op de plek waar ooit een experiment te dichtbij was gekomen. "Dit is de veter van de professor. Pim — veters vallen niet zomaar uit je schoen als je vrijwillig gaat wandelen."

Wervel krijste, sprong op en neer, vloog een rondje en kwam weer terug. Het was overduidelijk vogeltaal voor: kom mee, kom mee, waarom zitten jullie nou soep te eten, KOM MEE.

Ze wachtten tot mevrouw Post een pakketje stond te wegen, glipten de deur uit en volgden de ekster door de schemerige straten. Langs de Grote Markt, waar werkmannen al feestverlichting ophingen voor het Gouden Fles-festival. Langs het kanaal, waar het water zwart en stil lag. Helemaal naar de rand van de stad, waar de Prikkel-fabriek tegen de avondlucht stond als een reusachtige grijze fles die iemand was vergeten op te ruimen.

"Daar," zei Juul.

Helemaal boven in de fabriek zat een toren, en helemaal boven in die toren was één raam verlicht. Geel licht. En achter dat raam, klein maar onmiskenbaar, bewoog een wolk wild wit haar.

"Professor!" schreeuwde Pim, voor hij er erg in had.

De haarwolk drukte zich tegen het glas. Een hand veegde de wasem weg. Heel even zagen ze hem echt — oud en ver weg en zonder motorbril — en toen schoof er een enorme donkere schaduw achter hem langs, en ging het licht uit.

Het bleef heel lang stil aan de rand van Grommerdam.

"Ludo," zei Juul zacht. "Die schaduw was Ludo."

Pim balde zijn vuisten. Ergens diep in zijn jaszak voelde hij de motorbril tegen zijn knikker tikken. "We halen hem daar weg," zei hij. "En we brengen hem zijn bril terug."

Wervel kreeg een glimmende flessendop als beloning, en nam hem aan met de waardigheid van een generaal die een medaille krijgt.

✦ ✦ ✦

Die avond, in het schuurtje van de uitvinderij, maakten ze de balans op. Juul noemde het "inventaris". Pim noemde het "kijken hoe erg het is".

Het was erg.

Op de werkbank stond de jerrycan met krimpelimonade. Vroeger klotste hij zwaar en veelbelovend. Nu tilde Pim hem op met één hand, en het geluid dat eruit kwam was het treurige geluid van bijna-leeg. Juul goot de inhoud voorzichtig in een maatbeker en ging er met haar neus vlak boven hangen, alsof meten beter ging als je heel streng keek.

"Twee slokken," zei ze. "Misschien tweeënhalf, als je vals speelt. De rest is bij de inbraak kapotgevallen." De giftig-groene limonade glinsterde met piepkleine gouden belletjes, en heel even rook het schuurtje naar perendrups en onweer.

"En de koekjes?" vroeg Pim, hoewel hij het antwoord al wist.

Juul haalde de koekjestrommel van de plank. Er zat een deuk in van de nacht van de inbraak. Ze maakte hem open. Op de bodem lag een treurig laagje gruis, vermalen en vermengd met glassplinters van de kapotte flessen — daar hoefde je niet eens over na te denken. En daarbovenop, als door een wonder heel gebleven, lag precies één groeikoekje: goudbruin, keihard, met die geur van oma's zolder die betekende dat alles nog goed kon komen.

"Eén," zei Juul.

"Eén," zei Pim.

Ze keken er allebei een tijdje naar. Eén koekje. Twee slokken. De rekensom was zo simpel dat zelfs iemand die nooit zijn huiswerk maakte hem kon maken: twee kinderen klein, één koekje om samen van te kruimelen, en als er óók maar íéts misging — als het koekje nat werd, of zoekraakte, of in de verkeerde zak zat — dan bleven ze tien centimeter. Voor altijd. Want verse groeikoekjes kon maar één iemand op de wereld bakken, en die zat opgesloten in een toren.

"Eigenlijk," zei Pim langzaam, "moet er maar één van ons gaan. Dan blijft de ander groot. Voor als het misgaat. Om het na te vertellen."

"Mee eens," zei Juul, veel te snel. "Ik ga, jij blijft."

"Nee, ík ga. Ik ben al klein, ik heb een voorsprong."

"Dat is geen argument, dat is een mop. We tossen erom." Juul viste een munt uit haar laars — vraag niet waarom Juul geld in haar laarzen bewaarde; dat was hoofdstuk één van háár kladboek. "Kop: ik ga. Munt: jij blijft."

Pim dacht na. "Wacht eens even. Bij kop ga jij, en bij munt ga jij óók, want als ik blijf —"

"Gooien!" riep Juul, en ze gooide.

De munt draaide glinsterend door het lantaarnlicht, en op het allerhoogste punt gebeurden er twee dingen tegelijk. Pim riep: "Ik heb verloren!" En Juul riep: "Ik heb verloren!" En de munt was nog niet eens geland.

Hij kwam neer op de werkbank, wiebelde, en bleef op zijn kant staan, keurig rechtop tegen de koekjestrommel, alsof zelfs het toeval er niet uit wilde komen.

Ze keken van de munt naar elkaar. En toen begonnen ze allebei te lachen — dat rare, hikkende lachen dat je krijgt als je eigenlijk bang bent, en opgelucht, en boos, allemaal tegelijk.

"Jij speelde vals," zei Pim.

"Jij ook," zei Juul. "Je riep voordat je gekeken had."

"Jij ook!"

"Dan is het beslist." Juul raapte de munt op en stopte hem terug in haar laars. "Samen, of helemaal niet. Twee slokken, twee kinderen. Het klopt precies, dus het is de bedoeling."

Ze verstopten het Kladboek in de buik van de sokkensorteermachine, tussen honderdveertig linkersokken, want geen dief ter wereld zoekt daar. Ze legden alles klaar: het touwtje, de naald, het luciferdoosje, de fluit van de professor. Het ene groeikoekje wikkelde Pim in drie lagen folie en bond hij met het touwtje vast op het luciferdoosje, als een pakje op een slee.

Buiten sloeg de klok van de Scheve Sint elf uur, een tikje scheef, zoals altijd.

"Morgen," zei Juul, en ze klikte haar stopwatch. "Operatie Duimpje Twee begint over acht uur en veertien minuten."

Hoofdstuk Veertien

De toren

✦ ✦ ✦

Om zeven uur 's ochtends, bij het rioolrooster aan het kanaal, stond het hele leger al klaar. Nou ja, leger. Het waren twaalf ratten, een omgekeerde bloempot als uitkijktoren, en Generaal Snuf, die op de bloempot stond met zijn ene oor fier in de wind.

Juul hurkte en tikte met haar knokkel op het rooster. Kort-kort-lang. Snuf tikte terug, razendsnel, met zijn staart op het metaal.

"Hij zegt: de tunnels liggen klaar tot onder de fabriek," vertaalde Juul. "En: wie te laat komt, krijgt geen kaas."

Ze gingen achter de oude treurwilg staan, waar niemand hen kon zien. Juul schonk de maatbeker leeg in twee dopjes: twee slokken giftig-groene limonade, met gouden belletjes die omhoogkropen alsof ze er zelf ook niet veel zin in hadden. De lege jerrycan gaf een holle, definitieve galm toen Pim hem neerzette. Dit was alles. Hierna was er geen goede krimpelimonade meer op de hele wereld.

"Op de professor," zei Juul.

"Op de professor," zei Pim.

Het smaakte zoals altijd naar perendrups en onweer. Eén seconde gebeurde er niets. Toen begon het gekriebel achter zijn knieën, alsof daar iemand met een veertje woonde.

FLOEP.

FLOEP.

De wereld sprong omhoog. De treurwilg werd een groene wolkenkrabber, het rioolrooster een kathedraalpoort, en Generaal Snuf veranderde in een strijder van twee koppen groter dan zijzelf, die keurig salueerde met zijn voorpoot.

Het foliepakket met het groeikoekje stond naast hen op het luciferdoosje, glimmend als een zilveren piano. Zo groot leek het nu. Vier ratten namen het doosje op sleeptouw alsof ze dat elke dag deden — en wie weet deden ze dat ook; je weet nooit wat ratten doen op dinsdag.

De tocht onder Grommerdam door duurde volgens Juuls stopwatch achttien minuten en negen seconden. Ze reden op rattenruggen door tunnels vol aarde en oude regen, en eindigden in de kelder van de Prikkel-fabriek, bij een piepklein deurtje in de muur. Daarachter ging een schacht loodrecht omhoog, het donker in. Vroeger, tikte Snuf, gingen daar dienbladen in: koffie voor de baas, helemaal boven in de toren. Een etenslift.

Midden in de schacht hing een staalkabel, dik als een boomstam — nou ja, voor iemand van tien centimeter — en glimmend van het oude vet.

"Klimmen," zei Juul, en ze klikte haar stopwatch in. "Vanaf nu telt het."

Klimmen langs een vette staalkabel is precies zo leuk als het klinkt. Pim klemde zijn armen en benen eromheen en schoof omhoog als een rups met hoogtevrees. Onder hen bonden de ratten het koekjespakket aan het uiteinde van Pims touwtje. Boven hen verdween de kabel in zwart niks.

Na een eeuwigheid — "Zes minuten," zei Juul, die makkelijk praten had met laarzen die overal grip op hadden — begon diep onder hen iets te grommen. De kabel trilde. Uit de diepte kwam iets groots en plats omhoogzetten, recht op hen af.

"De lift!" riep Juul. "Iemand heeft de lift opgeroepen! Springen — op het dak!"

Het houten liftje ving hen op als een stuiterend dienblad en nam hen mee omhoog, sneller dan ze ooit hadden kunnen klimmen. Pim hees bliksemsnel het pakket in — het touwtje sneed in zijn handen — en toen zaten ze op het dak van een ratelende etenslift, terwijl de kelder onder hen kromp tot een lichtpuntje.

Door de kieren van het liftje rook Pim iets. Koffie. En beschuit.

"Juul," fluisterde hij. "Dit is een ontbijt. Ze brengen ontbijt naar boven. Weet je wat dat betekent?"

"Dat we op de goede weg zijn," zei Juul grimmig. "Gevangenen krijgen ontbijt."

✦ ✦ ✦

Boven in de toren, in het glazen laboratorium, stond professor Aldo Krak intussen aan zijn negenendertigste mislukte brouwsel van die week te roeren. En voor de duidelijkheid: die brouwsels mislukten niet per ongeluk. Ze mislukten met grote precisie en vakmanschap, want expres iets verkeerd doen is veel moeilijker dan per ongeluk iets goed doen.

Het laboratorium was rond en helemaal van glas, met koperen ketels, rekken vol flessen en één bordje aan de muur: DENK GROOT. Iemand — niemand wist wie, maar hij had wild wit haar — had er met potlood onder geschreven: of denk gewoon even na.

De deur ging open. Het parfum kwam eerst binnen, zoals altijd; je rook directeur Knijp eerder dan je hem zag, en je zag hem eerder dan je hem wilde zien.

"En, professor?" Knijp spreidde zijn lange grijpvingers. "Werkende krimpelimonade? Werkende groeikoekjes? Morgen is het festival, en mijn geduld was al niet groot ingekocht."

"Ah! Perfecte timing," zei Krak stralend. "Probeersel eenenveertig is gereed. Ludo, jongen, jij hebt een gezond gestel. Proef eens."

Ludo, die bij de deur stond met een puntzak frietjes (ontbijt), zette gehoorzaam de zak weg, pakte het glas en dronk het in één teug leeg. Iedereen wachtte. Ludo boerde bescheiden.

Toen begon zijn haar te groeien. Niet langer — groener. In tien seconden veranderde de stoppelkop van Ludo in een keurig, fris, grasgroen gazonnetje, inclusief één madeliefje boven zijn linkeroor.

"Hm," zei professor Krak, en hij noteerde iets. "Gras. Interessant. Dat was niet de bedoeling — de bedoeling was gazon zónder madeliefje."

Ludo bekeek zichzelf in de bolle kant van een ketel. Hij draaide zijn hoofd naar links en naar rechts. "Ik vind het wel wat," zei hij eerlijk. "Het staat bij mijn frietjes."

"IDIOOT!" gilde Knijp — tegen wie van de twee was niet helemaal duidelijk. Hij griste het volgende glas van de werkbank, probeersel drieënveertig, dat onschuldig stond te parelen. "Weet je wat, professor? Ik proef zélf wel. Ik heb de fijnste smaakpapillen van Grommerdam. Als jij denkt dat je mij kunt bedotten met —"

Hij nam een ferme slok.

Er viel een korte, plechtige stilte, zoals voor een onweersbui.

Toen deed directeur Knijp zijn mond open en zei: "DING-DONG."

Hij sloeg zijn handen voor zijn lippen. Zijn ogen werden groot van ongeloof. Zijn schouders schokten omhoog, en uit zijn binnenste rolde opnieuw, diep en gedragen en volkomen kerkelijk: "DING-DONG. DING-DONG."

"Gefascineerd," mompelde Krak, driftig schrijvend. "De hik. Maar dan in klokslag. Hij loopt zelfs gelijk, hoor je dat? Het is nu precies negen uur — DING — ja, prachtig, negen keer, tel maar mee."

"IK VERMOORD JE — DING-DONG — IK VERMOORD JE MET — DING-DONG — MET JE EIGEN ROERSTAAF —" Directeur Knijp beierde als de Scheve Sint op zondagochtend, en hoe bozer hij werd, hoe harder hij galmde, en beneden in de fabriek keken twee schoonmakers op hun horloge en gingen koffiedrinken.

Het duurde twintig minuten voor het uitgewerkt was. Toen stond Knijp met zijn neus vlak voor die van de professor. Zijn stem was ineens heel zacht, en dat was erger dan het gillen.

"Luister goed, oude man. Ik heb jouw prutswerk niet eens nodig. Mijn chemici hebben je recept overgeschreven voordat die ongedierte-bende het boekje terugstal. Er staan beneden zeven vaten KrimpPrikkel. Het spul werkt — getest op een watermeloen en op de kanarie van mijn boekhouder, en die is nu heel handzaam. Er ontbreekt maar één ding: dat terugkoekje van jou doet het niet op mijn limonade. Er mist een ingrediënt, hè? Iets wat niet in het boekje staat." Hij tikte met één lange vinger tegen Kraks voorhoofd. "Het zit daar. En morgen, na het festival, komt het eruit. Goedschiks…" Zijn gouden tanden glommen. "…of we doen een experimentje met jou en een heel klein glaasje."

Professor Krak zei niets. Hij keek alleen maar heel lang naar Knijp, en wie hem goed kende, zag dat hij voor het eerst niet grappig probeerde te zijn.

"Tot vanavond, professor. Wij gaan verhuizen, jij en ik. Het festival wacht." De deur sloeg dicht. De sleutel knarste twee keer om. Het parfum bleef hangen als een nare gedachte.

✦ ✦ ✦

Professor Krak stond net mistroostig in een lege ketel te staren toen er gefluisterd werd.

"Professor. Professor! Hier, bij de deur!"

Hij draaide zich om. Er was niemand. Natuurlijk was er niemand; hij zat in een afgesloten toren. "Zo," zei hij tegen zichzelf. "Nu hoor ik al stemmen. Dat is vroeg. Ik had gehoopt pas stemmen te horen als ik minstens honderd was."

"Het sleutelgat, professor!"

Hij knielde — wat op zijn leeftijd drie afzonderlijke krakende geluiden opleverde — en tuurde door het sleutelgat. Aan de andere kant stonden twee piepkleine figuurtjes. Eentje met rode rubberlaarzen. Eentje met een touwtje over zijn schouder.

"Bij Newtons nachthemd," fluisterde de professor. "Piet. Pam. Pim! En Juul! Jullie zouden thuis zijn! Veilig! Groot!"

"We komen u redden," zei Pim. "Dat wilde niet lukken op groot, dus we doen het op klein."

"Onder de deur door, er zit een kier," commandeerde de professor. Twee kinderen van tien centimeter schoven zich plat als brieven onder de deur door, en trokken de slee met het platte koekjespakket er gewoon achteraan. Pim ging het eerst. Post past overal doorheen, dacht hij, en heel even was hij trots op zijn achternaam.

Wat volgde was het raarste en fijnste weerzien uit Pims leven. De professor tilde hen op zijn vlakke hand tot vlak voor zijn gezicht, zei vier keer "bij Newtons nachthemd" en drie keer "voorzichtig, daar staan jullie op mijn duim". Pim en Juul vertelden alles: de veter, het torenraam, de twee slokken, het ene koekje op de slee. Bij dat laatste werd de professor stil.

"Eén koekje," herhaalde hij. "En geen limonade meer. Kinderen, kinderen. Dan is er geen enkele reserve. Als dat koekje iets overkomt —"

"Er overkomt het niks," zei Juul. "Het zit in drie lagen folie. Ik heb het zelf gecontroleerd. Twee keer."

De professor vertelde zíjn nieuws, en dat was slechter. De vaten. De kanarie. En het festivalplan: "Knijp noemt het een demonstratie. Morgen krijgt heel Grommerdam een gratis welkomstdrankje uit zijn gouden tapwagen. Het gewone volk krijgt gewone prut — maar de glazen op het podium, van de jury en de burgemeester, die vult hij met KrimpPrikkel zodra het hem uitkomt. Een jury van tien centimeter, Pim. En het vreselijke is: zijn limonade heeft geen terugweg. Het ingrediënt dat de terugweg opent, staat niet in het Kladboek. Het zit alleen hier." Hij tikte tegen zijn slaap. "En daar blijft het, al schudt hij me ondersteboven."

"Het ingrediënt dat u bedoelt," fluisterde Pim. "Is dat de lachtr—"

"Sst!" De professor legde bliksemsnel een vinger tegen zijn lippen. "Niet uitspreken. Zelfs hier niet. Als iemand jullie ooit vraagt wat het is, zeggen jullie: dat is hoofdstuk zeventien van mijn kladboek. Meer hoeft niemand te horen. Hoe minder mensen het hardop zeggen, hoe minder mensen Knijp ondersteboven kan schudden."

"Dan is het plan simpel," zei Juul, die al op haar stopwatch keek. "U blijft de brave eregast spelen en vertraagt alles wat u vertragen kunt. Wij zorgen met de ratten dat er uit die tapwagen geen druppel KrimpPrikkel in ook maar één glas komt. En daarna bevrijden we u, en bakt u nieuwe koekjes."

"Dat is geen simpel plan," zei de professor. "Dat zijn drie onmogelijke plannen in een rijtje." Hij zuchtte, en toen verscheen er iets ouds en ondeugends in zijn ogen. "Ik doe mee."

"O — en deze is van u." Pim wees op zijn rug, waar naast het touwtje de motorbril hing, voor hem zo groot als een hoepel. "We konden hem niet tillen op klein, dus hij ligt thuis klaar. U krijgt hem terug zodra u vrij bent. Belofte."

De professor moest daar even zijn neus van snuiten, wat op tien centimeter afstand klinkt als een misthoorn.

En toen, precies op dat moment, kroop er iets onder de deur door het laboratorium binnen. Geen persoon. Een geur. Zoet, zwaar, duur en fout.

"Eau de Succes," fluisterde Juul.

Voetstappen op de trap. Een sleutel in het slot.

"Mijn zak!" siste de professor, en hij hield de zak van zijn labjas open als een tent. "Erin, allebei, nú! Pakket en al!"

Pim en Juul doken met slee en koekjespakket in de duisternis, precies op het moment dat de deur openzwaaide en de stem van directeur Knijp door het glazen lab galmde:

"Professor! Tijd om te verhuizen. Het festival wacht op ons."

Hoofdstuk Vijftien

Verstekelingen

✦ ✦ ✦

Als je ooit wilt weten hoe het is om in de jaszak van een professor te reizen, dan kan Pim het je precies vertellen: het is donker, het schommelt, en het ruikt naar pepermunt uit een vorige eeuw.

De bodem van de zak lag vol pepermuntgruis, dat bij elke stap van de professor omhoogstoof als sneeuw. Juul moest binnen tien seconden al niezen, en ze kon het nog nét smoren in haar mouw, want boven hun hoofd, aan de andere kant van een dun laagje stof, liep directeur Knijp gewoon door te praten. In een hoek lag bovendien een boterbabbelaar, een oud, halfgesmolten, weer hard geworden snoepje ter grootte van een matras. Pim ging erop zitten. Dat was een vergissing. Juul moest hem lostrekken met beide handen en één laars tegen het snoepje.

"Sst," siste hij.

"Jij plakt aan een snoepje en ík moet stil zijn," fluisterde Juul.

Ze werden een trap afgedragen, een gang door, en toen klonk het dichtslaan van een autoportier, twee keer, en het ronken van een lange zwarte motor. De professor zat stijf rechtop — dat voelde je aan alles — en naast hem, in een wolk parfum die zelfs door de jaszak heen drong, zat directeur Knijp te praten. Slechteriken vertellen hun plannen het liefst hardop, vooral als ze denken dat niemand belangrijks meelustert. Dat is hun grootste zwakte, en je mag best even onthouden dat het die avond hun redding werd.

"Morgenochtend om tien uur," zei Knijp genietend, "opent burgemeester Van Dam het festival. Om elf uur proeft de jury. En om twaalf uur — o, om twaalf uur wordt het mooi, professor. De grote toost. Gratis welkomstdrankje voor heel Grommerdam, aangeboden door Prikkel. Het volk krijgt gewone Prikkel uit de grote kraan. Maar de glazen op het podium, van de jury en de burgemeester, hangen aan een apart slangetje. Eén draai aan mijn gouden kraantje en daar stroomt iets… specialers."

"En als de jury Prikkel gewoon laat winnen?" vroeg de professor mat.

"Dan blijft het kraantje dicht en is er niets aan de hand!" Knijp lachte zijn gouden lach. "Ik ben geen monster, professor. Ik ben een zakenman. Maar áls die fijnproevers moeilijk gaan doen… dan krimpt de hele jury, mét burgemeester, voor het oog van heel Grommerdam. En weet je wie ze dan de schuld geven? De rare professor van de krimpelimonade, die toevallig eregast is. Jou dus. En dan stel ík ruimhartig een nieuwe jury voor. Ik ken toevallig drie heren die alles lekker vinden wat ik ze betaal."

"Oom Knijp," klonk de stem van Ludo achter het stuur, een beetje bezorgd. "Krijgen die juryleden dan ook zo'n koekje? Om terug te groeien?"

"Details, Ludo. Handen aan het stuur."

"Eén hand, oom. De andere is voor de frietjes."

In de jaszak zaten Pim en Juul doodstil tussen het pepermuntgruis. Juul had haar stopwatch ingedrukt toen Knijp begon te vertellen, en klikte hem nu uit. "Zeven minuten en veertig seconden," fluisterde ze. "Zó lang kan een slecht mens over zichzelf praten zonder adem te halen."

"Schrijf het op," fluisterde Pim terug. "Voor later. Voor als iemand ons ooit gelooft."

✦ ✦ ✦

Het festivalterrein op de Grote Markt was die avond nog leeg en donker. Overal stonden kraampjes met dichtgeknoopte zeilen, als slapende dieren. In het midden torende het podium, en daarnaast, onder een dekzeil, stond iets groots en glimmends waar Knijp bij het uitstappen een kushandje naar wierp.

De professor werd de artiestentent in geleid — een grote witte tent waar morgen de burgemeester zijn keel zou komen smeren. En daar ging het mis.

"Die vieze jas gaat uit," besliste Knijp. "Brandgaten zijn geen reclame. Morgen draag je iets deftigs, professor. Ludo — ophangen dat ding."

Er was niets wat de professor kon doen. Twee piepkleine verstekelingen voelden hoe de wereld optilde, zwaaide, en met jas en al aan een haak werd gehangen, twee meter boven de grond. De voetstappen verdwenen. Een tentflap ritselde. Stilte.

Pim klom naar de rand van de zak en keek naar beneden. Twee meter is niet veel, tenzij je tien centimeter groot bent; dan is het een ravijn. "Touwtje," zei hij, en voor één keer was hij blij dat zijn broekzakken altijd hetzelfde bevatten. Ze knoopten het vast aan de knoop van de zak, lieten eerst de slee met het koekjespakket zakken — langzaam, hand over hand, het pakket draaide glinsterend rond in het maanlicht — en klommen er daarna zelf achteraan, langs de jas van de professor, die naar rook en pepermunt en thuis rook.

Toen stonden ze op de grond, in een reusachtig donker festivalland, en moesten ze alleen nog maar even helemaal naar de overkant van de Grote Markt. "Even" is in zo'n geval een woord van twee centimeter voor een reis van tweehonderd meter.

De eerste hindernis rook je eerder dan je hem zag, en voor één keer was het geen parfum. Het was frituurvet. Achter een kraam met het bord VERSE FRIETJES lag een meer. Een echt meer, glimmend en geel, van gemorst vet dat uit een kapot bakje was gelopen en zich over de stenen had uitgespreid. En in de kraam, met zijn rug naar hen toe, stond — natuurlijk — Ludo. Zijn nieuwe post. Knijp had hem de frietkraam van het festival gegeven, en Ludo was er zo blij mee dat hij 's nachts alvast kwam oefenen. Hij neuriede en schudde een mandje, en af en toe viel er een frietje op de grond, met de dreun van een omvallende boom. Nou ja, bijna dan.

"Eromheen duurt te lang," fluisterde Juul. "Erdoorheen dan maar. Kleine stapjes. Vet is glad."

Vet is niet glad. Vet is verraderlijk. Drie stappen ging het goed. Bij de vierde schoot Pims voet onder hem vandaan, hij klapte achterover, de slee schoot los uit zijn hand, gleed weg over het gladde geel — sneller, en sneller, als een bobslee zonder remmen — stuiterde tegen een steen, wipte omhoog, en het zilveren pakketje maakte een sierlijke boog door de lucht.

"NEE —" riep Pim.

PLONS.

Het was geen grote plons. Voor Ludo, die even omkeek en niets zag, was het niet eens een geluidje. Maar voor Pim en Juul was het de grootste plons uit de geschiedenis van Grommerdam: het koekjespakket, hun enige, allerlaatste groeikoekje, was in het frituurvetbakje onder de kraam beland.

Ze visten het eruit met het touwtje, wat een kwartier duurde en hun armen deed trillen. Ze legden het pakketje op de stenen. Ze vouwden de folie open. En toen zaten ze er allebei heel stil naast.

Het groeikoekje was geen koekje meer. Het was een spons. Het vet was door alle drie de lagen folie gekropen, zoals vet dat altijd doet, en het goudbruine, keiharde koekje dat naar oma's zolder hoorde te ruiken, glom nu slap en doorweekt en rook naar oud vet en verloren wedstrijden. Juul prikte er voorzichtig in. Haar vinger zakte er zo doorheen, en het stukje dat ze eraf brak, viel uit elkaar tot gele drab.

"Misschien," begon Pim, "als het droogt —"

"Nee," zei Juul zacht. "Kijk dan. Er is niks meer van over om te drogen."

En laten we het maar meteen heel duidelijk zeggen, zodat er geen misverstand over bestaat: dit was het enige groeikoekje dat er nog was. Niet het enige dat ze hadden meegenomen — het enige op de hele wereld. Er lag er thuis geen tweede in de trommel. Er was geen reserve, geen plan B, geen kruimel. Zolang niemand verse groeikoekjes bakte — en dat kon alleen professor Krak, en die was gevangen — bleven Pim Post en Juul de Wit precies tien centimeter groot. Vandaag, morgen, en alle dagen daarna.

Pim staarde naar de gele drab en voelde iets kouds in zijn buik zakken. Hij dacht aan zijn moeder, die een pakketje stond te wegen en niet wist waar hij was. Aan de deurpost in de keuken, met alle potloodstreepjes. Je kon er nu tien van hem op elkaar stapelen tussen twee streepjes.

"Pim." Juul zat naast hem. Haar stem was rustig, maar haar handen niet. "Weet je wat dit betekent?"

"Dat we nooit meer groot worden?"

"Nee. Het betekent dat we geen terugweg meer hebben. Dat is iets anders." Ze stond op en trok hem overeind, met vette handen en al. "Mensen zonder terugweg kunnen maar één kant op. Vooruit. We bevrijden de professor, hij bakt nieuwe koekjes, en tot die tijd blijven we gewoon heel erg goed in klein zijn. Wij zijn er tenslotte de beste twee ter wereld in."

Pim keek naar haar. Rode laarzen, vette vegen op haar wangen, kin omhoog. "Jij zou generaal moeten worden," zei hij.

"Ik word uitvinder," zei Juul. "Kom. We hebben nog een markt over te steken."

✦ ✦ ✦

De rest van de oversteek ging als volgt, en Juul heeft alles getimed, dus het klopt tot op de seconde.

Eerst kwamen ze in een sneeuwstorm terecht. Geen echte — het was oktober, maar zo koud nou ook weer niet. Bij het podium stond een confettikanon dat de versierploeg die avond had getest, en de wind kreeg de restjes te pakken precies toen Pim en Juul voorbijkwamen. Van dichtbij, op tien centimeter, is een confettisneeuwstorm geen feestje: ronde snippers zo groot als dienbladen dwarrelden om hen heen, plakten aan hun haren, en Pim verdween op zeker moment volledig onder een paars exemplaar en lag daar als een pakketje onder een dekentje. ("Achttien seconden," zei Juul. "Zo lang duurde het voor je weer een jongetje was in plaats van een cadeautje.")

Daarna vonden ze de ballon. Hij was losgeraakt van een kraampje en hing nu een halve meter boven de grond, met een touw en een plastic gewichtje eraan, en de wind sleepte dat gewichtje in sprongetjes over de Markt — precies de goede kant op. Ze renden, grepen het gewichtje, en hielden zich vast. FLAP. BONK. FLAP. Het was geen vliegen en geen lopen; het was hinkelen aan de hemel, en Pims maag deed bij elke sprong iets wat magen niet horen te doen. Bij de podiumtrap liet de wind hen los, rolden ze uit over de stenen, en bleven ze hijgend liggen, midden op de lege, donkere Grote Markt.

Uit de schaduw van het podium klonk: plok… plok… plok.

Over het zwarte water van het kanaal, dat langs de rand van de Markt liep, kwam een klomp aangevaren. Een oude houten klomp, met een luciferhoutje als mast, en hij zat afgeladen vol ratten die met hun staarten peddelden alsof ze nooit anders deden. Voorop, met zijn ene oor in de wind, stond Generaal Snuf.

De klomp schuurde tegen de kant. Snuf sprong aan wal, keek de twee vettige, met confetti beplakte kinderen indringend aan, en salueerde.

Juul salueerde terug. Toen knielde ze en tikte het hele verhaal op de stenen: het plan van Knijp, het aparte slangetje, het gouden kraantje, de toost om twaalf uur. En het koekje. Snuf luisterde onbeweeglijk. Alleen bij het woord "frituurvet" gingen zijn snorharen even omlaag, wat bij ratten hetzelfde is als een lange, diepe zucht.

Toen tikte hij terug. Kort en zakelijk, zoals generaals doen.

"Hij zegt: ratten komen overal," vertaalde Juul. "En hij zegt: onder het podium is een goede plek om te schuilen. Zijn soldaten hebben de slangen al gezien. Vannacht verkennen we, morgen slaan we toe."

Ze schuilden die nacht onder het podium, tussen de planken en de balken, op een bed van confetti dat verrassend zacht lag. Pim sliep slecht. Elke keer als hij zijn ogen dichtdeed, zag hij het pakketje door de lucht zeilen, en elke keer werd het net niet gevangen.

Toen hij ze opendeed, kroop er grijs licht tussen de planken door. Ochtend. Ergens boven hun hoofd klikte iets, en toen kraakte er een stem over de hele Markt, zo hard dat de confetti ervan trilde:

"Test… test… een, twee… Grommerdam?"

De luidsprekers stonden aan. De kraampjes gingen open. En vandaag zou de hele stad drinken wat directeur Knijp maar in de glazen goot.

Hoofdstuk Zestien

Het Gouden Fles-festival

✦ ✦ ✦

Om negen uur 's ochtends was de Grote Markt van Grommerdam veranderd in iets wat Pim, door een kier tussen twee podiumplanken, alleen maar kon omschrijven als "een taart waar mensen in wonen".

Overal hingen vlaggetjes, rood-wit-geel, in slingers van kraam naar kraam. De Grommerdamse Harmonie stond voor de Scheve Sint koperen feestmuziek te spelen, waarbij de tuba altijd nét een tel achterliep, wat de dirigent na veertig jaar had opgegeven en het publiek juist gezellig vond. En van de kerk tot aan het kanaal stonden limonadekraampjes: kersenlimonade uit Zwolle, kruidige winterlimonade van een man met een baard tot op zijn buik, limonade met echte bosbessen, limonade met — beweerde het bordje — echte wolkjes erin. Heel Nederland was gekomen om de Gouden Fles te winnen.

En midden op de Markt, pal naast het podium, stond het ding dat gisteravond nog onder een dekzeil had gelegen.

De tapwagen van directeur Knijp was zo groot als een vuilniswagen, maar dan goud. Niet een béétje goud — helemaal goud, spiegelend, verblindend, met kranen van glimmend messing en bovenop zeven dikke vaten waar PRIKKEL op stond in feestletters. Aan de voorkant hing een spandoek van vijf meter breed:

GRATIS WELKOMSTDRANKJE VOOR HEEL GROMMERDAM — AANGEBODEN DOOR PRIKKEL, DE LIMONADE VAN DE TOEKOMST

"Zeven vaten," fluisterde Juul naast Pim. "Precies wat de professor zei. En kijk — daar."

Uit de buik van de tapwagen kwamen twee slangen. Een dikke grijze, die naar een rij glimmende tapkranen aan de voorkant liep, waar straks heel Grommerdam zijn gratis drankje zou halen. En een dunne, met een gouden streep erop, die onopvallend over de stenen kronkelde, onder het podium door — vlak langs hun schuilplek — en omhoog verdween naar de langwerpige tafel op het podium. De jurytafel. Waar zes glazen stonden te wachten, met de voetjes al in een keurige rij.

Onder het podium was het die ochtend een drukte van belang. Twaalf ratten plus Generaal Snuf hadden zich tussen de balken geïnstalleerd, en Juul had met een stukje krijt — gevonden, half zo groot als zijzelf, prima te slepen — een complete plattegrond op een plank getekend. De dikke slang. De dunne slang. Het gouden kraantje aan de zijkant van de wagen, waarmee Knijp kon kiezen wat er door de dunne slang stroomde.

"Plan A," zei Juul, en ze tikte met het krijt op haar tekening alsof ze al jaren juf was. "We stoppen de dunne slang bij de wagen. Daar zit een koppelstuk. Als we daar iets in proppen — een kurk, een prop papier, een frietje desnoods — dan komt er geen druppel KrimpPrikkel op het podium, wat Knijp ook draait."

Snuf tikte iets met zijn staart.

"Hij zegt: en als plan A mislukt?"

"Dan is er plan B," zei Pim. "De ratten knagen de dikke slang door. Maar dat is voor het uiterste geval, want als de dikke slang lekt, komt er paniek, en bij paniek gaat Knijp misschien rare dingen doen met die vaten."

Snuf salueerde. Twee jonge ratten salueerden ook, naar elkaar, en kregen een tik van een oudere rat.

Boven hun hoofd dreunden voetstappen het podium op. De Markt stroomde vol. Duizend stemmen, duizend schoenen, de geur van suikerspin en gebakken uien en ergens, dun en giftig er dwars doorheen, een sliert Eau de Succes.

"Daar is hij," zei Pim grimmig. Je rook directeur Knijp eerder dan je hem zag; dat was in dit geval handig, want zo wist je precies wanneer je moest wegduiken.

Door de kier zagen ze hem het podium beklimmen, dun als een lantaarnpaal in een gloednieuw goudkleurig pak. Achter hem kwam de jury: drie deftige proevers uit de grote stad, met strikjes en notitieboekjes en neuzen die zo getraind waren dat ze verzekerd waren voor een miljoen. En achter hén, tussen twee stevige mannen in Prikkel-uniform, liep een oude man met wild wit haar, in een stijf, splinternieuw jasje zonder één brandgat.

"Dames en heren!" galmde Knijp in de microfoon. "Applaus voor onze eregast: professor Aldo Krak, de beroemdste uitvinder van Grommerdam!"

De Markt klapte beleefd. De professor stak een hand op als iemand die zwaait naar een trein waar hij niet in wilde zitten. Zijn ogen zochten de planken van het podium af, en heel even, toen niemand keek, knipoogde hij recht naar de kier waar twee piepkleine gezichten doorheen gluurden. Vlak achter hem kwam Ludo staan, met grasgroen haar onder zijn pet en een madeliefje boven zijn oor, als de vriendelijkste gevangenbewaarder ter wereld.

✦ ✦ ✦

Om twintig over elf begon plan A. En om zevenentwintig seconden óver twintig over elf begon plan A te mislukken, want Juul timede het, ook als het tegenzat. Vooral als het tegenzat.

Het probleem heette Ludo, en het at frietjes.

Knijp had zijn neef namelijk één simpele opdracht gegeven: "Jij zit op dit krukje, naast dit gouden kraantje, en je laat er niemand bij. Niemand, Ludo. Ook geen aardige mensen. Ook geen mensen met snorren. Niemand."

En daar zat hij. Een berg van een man op een krukje van een meter, pal naast het koppelstuk van de dunne slang, met op zijn schoot een puntzak frietjes van zijn eigen kraam, want een mens moet toch wat tijdens het bewaken. Elke vijf seconden daalde er een hand zo groot als een strandlaken naar de zak, klemde drie frietjes, en steeg weer op. Het zoutgruis regende om hem heen op de stenen.

Pim en Juul lagen plat achter een wiel van de tapwagen, met een kurk die de ratten uit een kraampje hadden gerold. De kurk was perfect. De afstand was acht rattenlengtes. Het enige wat ze hoefden te doen, was langs twee laarzen ter grootte van roeiboten sluipen, het koppelstuk in klimmen, en de kurk erin stampen.

"Nu," fluisterde Juul, toen Ludo net omhoogkeek naar een meeuw.

Ze renden. Vier stappen, vijf, zes — en toen viel er een frietje.

Het viel niet zomaar. Het viel als een boomstam, precies tussen hen in, met een slappe, vettige dreun, en er stoof een wolk zout omhoog die Pim vol in zijn gezicht kreeg. Hij struikelde, niesde — en de wereld werd donker, want Ludo boog zich voorover om zijn frietje te pakken. Er is iets met frietjes en Ludo: hij raakt ze nooit kwijt zonder afscheid.

De hand kwam omlaag als een zonsverduistering met vingers. Pim en Juul stonden versteend tussen duim en wijsvinger, en heel even, één vreselijke seconde, keek Ludo recht naar de grond, recht naar de plek waar twee kinderen van tien centimeter naast zijn frietje stonden.

Maar mensen zien alleen wat ze verwachten te zien. Ludo verwachtte een frietje. Ludo pakte het frietje, blies het zout eraf — waardoor Pim en Juul allebei omver woeien en achter de kurk belandden, wat hun redding was — bekeek het frietje van alle kanten, en at het alsnog op. Toen kwam Knijps stem er dwars doorheen, snijdend als een schaats: "LUDO! Zit je te ETEN naast mijn kraantje? Ogen open! Vandaag is de belangrijkste dag van mijn leven!"

"Sorry, oom," dreunde Ludo, en hij ging er nog eens goed voor zitten, precies met zijn laars tegen het koppelstuk aan.

En dat was dat. De kurk kon terug in het magazijn. Pim en Juul kropen onder het podium terug, waar Snuf hen opving met een blik die geen morse nodig had.

"Plan A mislukt," hijgde Juul. "Elf uur zesendertig. Nog vierentwintig minuten tot de toost."

Hoog boven de Markt, op de nok van de Scheve Sint, zat op dat moment een ekster. Hij was er al een uur, en hij keek maar naar één ding. Niet naar de frietjes. Niet naar de duizend mensen. Wervel keek naar het gouden kraantje van de tapwagen, dat glom in de herfstzon als het mooiste, glimmendste, stelenswaardigste ding dat een ekster ooit had gezien.

Onthoud die ekster. Meer zeg ik niet.

✦ ✦ ✦

Om kwart voor twaalf beklom burgemeester Van Dam het podium voor "een kort welkomstwoord", en iedereen in Grommerdam wist wat dat betekende: pak een stoel.

De burgemeester had een speech van veertien kantjes, een ambtsketen die hij tijdens het praten liet draaien als een discobal, en één grote droom: dat er ooit, één keer in zijn leven, om een van zijn grappen gelachen zou worden.

"Grommerdammers! Gasten! Limonadeliefhebbers!" begon hij. "Wat een dag. Wat. Een. Dag. Weet u waarom limonade nooit de trap neemt?" Hij wachtte, stralend. "Omdat hij niet kan liften!"

Er kraaide ergens een meeuw. Verder niets. Duizend mensen keken naar hun schoenen. Eén klein kind vroeg hardop: "Mama, wanneer begint het leuke?"

"Grommerdam lacht niet snel," mompelde de burgemeester, en hij bladerde door naar kantje twee. Het is belangrijk dat je dit onthoudt — dat Grommerdam niet snel lacht — want er komt een dag, en die is dichterbij dan je denkt, dat alles daarvan gaat afhangen. Maar op deze middag was het gewoon veertien kantjes lang doodstil, op de tuba na, die één keer per ongeluk BLOEP zei.

Onder het podium was het minder stil. De jury was voor de speech al langs de kraampjes geweest, en Pim had door de kier alles gezien: hoe de drie proevers bij de kersenlimonade waren gaan glimmen, hoe ze bij de wolkjeslimonade waren gaan wiegen, en hoe ze bij de Prikkel-kraam alle drie tegelijk hetzelfde gezicht hadden getrokken — het gezicht van iemand die in de regen zijn bus ziet wegrijden. Eén prover had "hm" gezegd. De tweede had "tja" gezegd. De derde had helemaal niets gezegd en dat was het allerergst.

En Knijp had het gezien. Knijp had het allemáál gezien. Pim zag hem staan aan de zijkant van het podium, en zag hoe zijn gezicht van goud naar grauw trok, en hoe zijn lange grijpvingers zich om de rand van de tapwagen krulden.

"Juul," fluisterde Pim. "Hij gaat het doen. Hij wacht de uitslag niet eens af."

Directeur Knijp keek links. Hij keek rechts. Toen boog hij zich langs de wagen en draaide, met twee vingers, heel rustig, het gouden kraantje een kwartslag om.

Boven hun hoofd begon de dunne slang met de gouden streep te gorgelen. Ze hoorden het door de planken heen: een zacht, borrelend, groen geluid dat langs kroop, omhoog, naar de zes glazen op de jurytafel.

"De dikke slang!" siste Juul. "Plan B! NU!"

Snuf blafte een morse-bevel. Twaalf ratten stortten zich op de dikke grijze slang en begonnen te knagen alsof hun pensioen ervan afhing — maar festivalslangen zijn gemaakt van rubber met staaldraad erin, en knagen kost tijd, en tijd was er niet meer. Boven klonk gerinkel van glazen die werden volgeschonken. Er klonk geroezemoes van duizend mensen die hun gratis welkomstdrankje ophaalden bij de glimmende kranen. Er klonk het bonken van Pims eigen hart.

Door de kier zag Pim de jurytafel: zes volle glazen, geel en borrelend en onschuldig — voorlopig. Want door de dunne slang kroop het groene gegorgel gestaag verder, omhoog, naar het sierlijke tapkraantje boven de tafel dat elk juryglas vlak voor het proeven "een verse feestscheut" zou geven. Zo had Knijp het door de microfoon aangekondigd. Nu wisten ze wat dat betekende.

Burgemeester Van Dam legde eindelijk, éíndelijk, kantje veertien neer. Hij pakte zijn glas. Op de hele Markt gingen duizend armen tegelijk omhoog, als een golf.

"Grommerdammers!" riep de burgemeester. "Proost — op de Gouden Fles!"

Duizend glazen gingen omhoog.

Hoofdstuk Zeventien

De omgekeerde kraan

✦ ✦ ✦

"Grommerdammers!" galmde burgemeester Van Dam over de Grote Markt. "Proost — op de Gouden Fles!"

Duizend glazen gingen omhoog. Duizend armen. Duizend kelen die knalrode dorst hadden gekregen van een toespraak die zeventien minuten te lang had geduurd. De herfstzon ving het gele drankje in al die glazen tegelijk, zodat de hele markt heel even vol gouden lampjes leek te hangen.

En onder het podium, tussen de balken en de spinnenwebben, stonden twee kinderen van tien centimeter met ingehouden adem door een kier te kijken.

"Nu," fluisterde Pim. "Nu moet het kloppen."

"Of niet," zei Juul.

"Of niet," gaf Pim toe. Zijn stem trilde een beetje. Dat mocht. Als je tien centimeter groot bent, geen groeikoekje meer hebt en de hele stad op het punt staat iets te drinken wat eigenlijk niet mag bestaan, dan mag je stem best trillen.

Om te begrijpen wat er daarna gebeurde, moeten we heel even terug in de tijd. Niet ver. Vier minuten en negen seconden maar. Juul had het geklokt.

✦ ✦ ✦

Vier minuten en negen seconden eerder stond burgemeester Van Dam nog midden in zijn toespraak ("…en dáárom, beste mensen, is limonade eigenlijk net als het leven, alleen dan natter…"), en kropen Pim en Juul onder de gouden tapwagen van directeur Knijp.

Daar, in de schaduw tussen de wielen, lag het zenuwstelsel van het hele feest: slangen. Eén dikke hoofdslang, zo dik als een omgevallen boom wanneer je zelf tien centimeter bent, liep van de vaten met KrimpPrikkel naar de rij glimmende tapkranen. Eén dunne, goudkleurige slang liep apart omhoog, naar het podium, naar de pronkkraan waaruit straks het glas van Knijp zelf zou worden gevuld. En helemaal achteraan hing een slappe grijze slang die aan de waterleiding van de markt vastzat. Spoelwater. Gewoon, eerlijk, saai water.

"Oké," zei Juul zakelijk, alsof ze een boodschappenlijstje voorlas en niet een reddingsplan. "De ratten bijten de hoofdslang door. Dan zit ik met een probleem: waar blijft het krimpspul? Antwoord: nergens. Wij koppelen de waterslang aan de grote kranen. En het doorgebeten stuk van de hoofdslang…" Ze wees omhoog, naar de dunne gouden slang. "…dat duwen we dáárin."

"Dus de hele stad krijgt water," zei Pim langzaam, "en Knijp krijgt alles wat voor de hele stad bedoeld was."

"In één glas," zei Juul. "We draaien de kraan gewoon om."

Pim keek naar de slangen, toen naar Juul, toen weer naar de slangen. "Er is één probleempje," zei hij. "Ludo."

Dat was waar. Ludo stond op wacht bij de tapwagen, precies zoals oom Knijp hem had opgedragen. Nou ja — wacht. Hij hield vooral de wacht over een puntzak frietjes, die hij één voor één naar binnen werkte met de aandacht van een juwelier. Maar Ludo's voeten stonden wél op twintig centimeter van de hoofdslang, en Ludo's voeten waren zo groot als roeiboten.

Uit het donker naast hen klonk getik op een spijker. Kort-kort-kort. Kort-lang.

"Generaal Snuf zegt dat zijn ratten klaarstaan," vertaalde Juul. "En hij vraagt of het nu eindelijk mag, want zijn kiezen jeuken."

Pim stak twee vingers in zijn mond en floot het fluitsignaal dat professor Krak hun had geleerd. Hoog-laag-hoog. Voor mensenoren was het niks bijzonders, een jongen die floot op een feest.

Voor één paar zwart-witte vleugels boven de Scheve Sint was het een startschot.

Wervel klapte zijn vleugels dicht en viel uit de lucht als een steen met een mening. Hij had de tapwagen al de hele ochtend in de gaten gehouden, en niet vanwege het reddingsplan. Boven op die wagen zat namelijk de gouden pronkkraan, en die pronkkraan had een hendel die glom zoals alleen dingen glimmen die van eksters zijn — de ekster weet het alleen nog niet.

SJOEF!

Wervel scheerde over Ludo's pet, griste de gouden hendel van de kraan alsof het een pinda was, en steeg op.

"Hé!" riep Ludo. Hij keek naar zijn frietjes. Hij keek naar de lucht. Dat was een moeilijke keuze, dat zag je aan zijn gezicht. "Hé! Dat is van oom Knijp!" Hij propte de puntzak in zijn borstzak en denderde achter de vogel aan, dwars door een rij dranghekken, die omvielen met het geluid van een heel slecht drumstel.

"Nú!" zei Juul.

Wat er toen onder die tapwagen gebeurde, duurde precies éénenveertig seconden, en het was het best georganiseerde stukje chaos dat Grommerdam ooit níét heeft gezien. Twaalf ratten vielen aan op de hoofdslang alsof het een reuzendrop was. Rubber kraakte. Tanden knarsten. Toen — PANG — schoot de slang los en begon het groene spul met de gouden belletjes eruit te gulpen, en Pim sprong opzij, want één druppel op je hoofd is grappig als je groot bent en een zwembad als je klein bent. En van dit zwembad kon je niet meer terugkomen.

"Til!" hijgde Juul. Met z'n tweeën, plus zes ratten, plus Generaal Snuf die aanwijzingen tikte op een wieldop, sleepten ze het spuitende slang-uiteinde naar de dunne gouden podiumslang en propten het erin. Pim knoopte het vast met zijn touwtje — het touwtje dat al drie hoofdstukken lang in zijn zak op dit moment had zitten wachten, al wist het dat zelf natuurlijk niet. Daarna duwden ze de grijze waterslang op de koppeling van de grote tapkranen. Hij klikte vast met een keurig, tevreden geluidje.

Juul klikte haar stopwatch. "Eénenveertig seconden. Nieuw record voor het ombouwen van een limonadewagen."

"Was er dan een oud record?" vroeg Pim.

"Vanaf nu wel," zei Juul.

Boven hun hoofd, op het feest, riepen mannen in gele Prikkel-schorten dat het welkomstdrankje eraan kwam. De kranen gingen open. En uit alle twaalf tegelijk stroomde — glashelder, fris en volkomen onschuldig — gewoon water in duizend glazen.

Niemand zag het verschil. En als je nu denkt: hoe kan een hele stad nou het verschil niet proeven tussen Prikkel en kraanwater — dan heb je precies begrepen wat er al die jaren met Prikkel aan de hand was.

✦ ✦ ✦

En zo komen we terug bij het begin. Bij duizend geheven glazen, bij de burgemeester die "Proost!" riep, en bij twee heel kleine kinderen onder het podium die hun adem inhielden.

Boven op het podium stond directeur Knijp te stralen. Hij droeg zijn beste pak, zijn gouden tanden glinsterden in de zon, en zijn parfumwolk was zo dicht dat de eerste drie rijen toeschouwers met tranende ogen stonden te proosten. Naast hem, tussen twee touwen, zat professor Krak op een krukje, als "eregast". De professor keek somber. Zijn wilde witte haar hing er verslagen bij.

Knijp griste de microfoon uit de handen van de burgemeester.

"Eén moment!" riep hij, en zijn stem rolde over de markt. "Voordat u drinkt, beste mensen, drink ík. Ik drink altijd als eerste. Kwaliteit, mensen! Daar sta ik persoonlijk garant voor!" Hij hief zijn eigen glas — het grote pronkglas, vers gevuld uit de gouden podiumkraan, tot de rand toe vol met iets wat gifgroen was geweest als er geen gele kleurstof doorheen had gezeten. Nu was het gewoon een beetje bruinig. Niemand lette erop. Iedereen had dorst.

"Op de Gouden Fles!" riep Knijp. "Op mij!"

En hij dronk het glas in één keer leeg, met zijn hoofd in zijn nek, zodat de hele stad zijn adamsappel op en neer kon zien wippen. Tegelijk namen duizend Grommerdammers een grote slok welkomstdrankje.

Het werd stil op de Grote Markt.

Het was het soort stilte waarin je heel veel mensen tegelijk kunt horen dénken. Wat de mensen dachten was ongeveer dit: smaakt dit naar… water? Ergens achteraan zei een mevrouw hardop: "Het lijkt wel natte krant, maar dan zonder de krant." Iemand anders zei: "Sst. Straks hoort de directeur je."

Maar de directeur hoorde helemaal niets meer. De directeur stond doodstil, met het lege glas in zijn hand, en op zijn gezicht verscheen een uitdrukking die je zelden ziet bij volwassen mannen in dure pakken. Eerst verbazing. Toen begrip. Toen, heel kort, pure paniek.

"Eén komma nul," fluisterde Juul onder het podium, met haar oog op de stopwatch. "Twee komma nul. Drie—"

FLOEP.

Het ging precies zoals het altijd ging, alleen had nog nooit iemand het zien gebeuren op een podium, voor duizend man publiek, met een fanfare ernaast. Directeur Knijp klapte in elkaar zoals een paraplu in elkaar klapt, maar dan sneller, en netter, en met een klein feestelijk geluidje. Zijn pak kromp keurig met hem mee — vraag niet waarom, dat is hoofdstuk zeventien van een zeker kladboek. Het enige wat niet meekromp, was zijn parfum. Eau de Succes trok zich van krimpen niets aan, en dus stond daar nu, midden op het podium, een mannetje van tien centimeter, tot zijn enkels in een glinsterende plas van zijn eigen geur.

De microfoon, die net nog bij zijn mond had gezeten, torende boven hem uit als een lantaarnpaal. En omdat microfoons niet weten wanneer ze hun mond moeten houden, hoorde de hele stad wat er toen kwam.

"PIEP!" zei directeur Knijp. Hij schraapte zijn keel en probeerde het opnieuw, streng en directeurachtig. "PIEP! PIEPIEPIEP!"

Duizend Grommerdammers stonden roerloos, met duizend glazen water in de hand, en staarden naar het podium. Burgemeester Van Dam deed zijn mond open en weer dicht, als een vis die zijn tekst kwijt is. Brigadier Klos legde zijn hand op zijn wapenstok en haalde hem er weer af, omdat nergens in zijn dienstvoorschriften stond wat je moest doen met een verdachte ter grootte van een boterham. Professor Krak veerde op van zijn krukje, en op zijn gezicht vochten schrik en opluchting om de beste plek. "Bij Newtons nachthemd," mompelde hij.

En toen, vooraan bij het podium, begon een peuter te lachen.

Ze zat op de schouders van haar vader, ze had een suikerspin in haar knuistje, en ze wees met een plakkerig vingertje naar het woedende mannetje in de parfumplas.

"Klein meneertje!" kraaide ze. "Kléín meneertje!"

Dat was alles. Meer was er niet nodig. Het lachen sprong van de peuter over op haar vader, van haar vader op de mevrouw van de natte krant, en toen rolde het over de Grote Markt zoals een golf over een strand rolt — rij na rij na rij, langs de limonadekraampjes, langs de fanfare (de tubaspeler proestte ín zijn tuba, wat klonk als BLORP), helemaal tot aan de Scheve Sint, die er zo mogelijk nog iets schever van leek te gaan hangen. Duizend mensen die net nog braaf hadden geproost, stonden nu te schateren om de grote directeur Knijp, tien centimeter hoog, die met zijn vuistjes naar de wolken stond te zwaaien en in de microfoon piepte als een theeketel die niemand van het vuur haalt.

Onder het podium stonden Pim en Juul elkaar aan te kijken.

"Het is gelukt," zei Pim. "Juul. Het is écht gelukt."

"Negenendertig minuten eerder dan gepland," zei Juul, maar haar grijns was breder dan haar hele gezicht eigenlijk toestond.

Generaal Snuf tikte iets op de plank boven zijn hoofd. Juul luisterde — en haar grijns verdween.

"Wat zegt hij?" vroeg Pim.

"Hij zegt: gevaar," zei Juul. "Groot gevaar. Létterlijk."

Het licht in de kier werd donker. Boven hen kraakte een plank, en door het gat waar de slangen doorheen liepen, schoof langzaam en zoekend een hand naar binnen. Een enorme hand. Een hand met frietvet aan de vingers.

De hand van Ludo — en hij kwam recht op hen af.

Hoofdstuk Achttien

Tien centimeter woede

✦ ✦ ✦

"Rennen!" riep Juul.

Dat was geen moeilijk advies om op te volgen. De hand van Ludo kwam als een graafmachine door het slangengat naar binnen en klopte blind in het rond, op zoek naar — ja, naar wat eigenlijk? Naar muizen, dacht Ludo waarschijnlijk zelf. Ludo was nooit helemaal over de pratende muizen van die nacht in de fabriek heen gekomen.

Pim dook onder een balk door, Juul rolde over een spijker heen, en de vingers van Ludo misten hen op een halve centimeter — wat voor Ludo niks was en voor hen ongeveer een halve straat.

"Daarheen!" Generaal Snuf zat bij een kier tussen twee planken en tikte als een bezetene. Omhoog. Nu.

"Omhoog is het pódium!" hijgde Pim. "Daar staat iedereen!"

Maar achter hen schoof de tweede hand van Ludo naar binnen, en voor hen wees de kier omhoog naar het daglicht, dus eigenlijk viel er niks te kiezen. Ratten duwden hen van achteren, Snuf ging voorop, en twee tellen later klommen Pim en Juul door een spleet tussen de planken — en stonden ze in het volle herfstlicht, midden op het podium van het Gouden Fles-festival, tussen schoenen zo groot als bestelbusjes.

Het was daarboven geen feest meer. Het was een schoenenzee in paniek. De burgemeester liep rondjes en riep om kalmte op een toon die precies het tegenovergestelde bereikte. De jury was op de tafel geklommen, alle drie de deftige proevers tegelijk, wat de tafel maar nauwelijks vond kunnen. Een schaaltje bittergarnituur was omgevallen, en tussen de gevallen blokjes kaas en augurk lagen cocktailprikkers uitgestrooid als zwaarden op een slagveld.

En bij de parfumplas, tien centimeter hoog en witheet van woede, stond directeur Knijp. Hij zag de kinderen meteen.

Je vraagt je misschien af hoe iemand van tien centimeter er dreigend uit kan zien. Het antwoord: dat kan niet, maar niemand had het aan Knijp verteld. Hij raapte de langste cocktailprikker op, zwiepte hem twee keer door de lucht, en kwam op hen af met grote passen van drie centimeter per stuk.

"JULLIE!" piepte hij. De microfoon hing gelukkig te hoog om het nog te versterken, maar op tiencentimeterhoogte verstond je hem prima. "Jullie hebben mijn kraan omgedraaid! Mijn festival! Mijn miljoenen! Ik wist het! Vanaf het begin! Dat krielkippetje van een Post en dat meetmeisje met die laarzen!"

"Krielkippetje," zei Pim tegen Juul. "Dat is nieuw."

"Drie komma twee seconden," zei Juul, met een blik op haar stopwatch. "Zo lang deed hij over die zin. Voor iemand met zulke korte beentjes liep hij anders behoorlijk snel."

Knijp stormde recht op Pim af, prikker vooruit. En hij zou hem geraakt hebben ook, als er niet iets tussen was gekomen. Iets met rode laarzen.

TIK.

Juuls naald ving de prikker op. Ze had hem al die tijd op haar rug gedragen, aan een lusje van garen, zoals ridders dat doen in verhalen en verstandige meisjes in het echt.

"Ga je gang," zei Juul. "Maar dan tegen mij."

Wat volgde was het kleinste duel uit de geschiedenis van Grommerdam, en meteen ook het felste. Knijp kon schermen — écht schermen. "Jeugdkampioen prikken van kostschool De IJzeren Lat!" piepte hij trots, terwijl hij uitviel, "negentienhonderd-en-lang-geleden!" Zijn prikker flitste heen en weer, en Juul week achteruit over de planken, pareerde, struikelde over een broodkruimel, rolde om en stond alweer. Naald tegen prikker. Tik-tik-TIK. Als je heel goed had geluisterd, klonk het als de allerkleinste zwaardenfilm ter wereld.

"Links!" riep Pim. "Juul, LINKS!"

Links kwam een schoen. Geen gewone schoen — de glimmende pump van de deftigste jurydame, die juist op dat moment besloot dat de tafel toch geen veilige plek was en eraf sprong. De hak kwam neer als een heipaal, PENG, precies tussen Juul en Knijp in, en het hele podium veerde ervan. Juul werd gelanceerd, maakte een halve salto en landde — dat moet gezegd — keurig op haar laarzen.

"Acht komma vijf voor de landing," hijgde ze. "Van mezelf."

Overal om hen heen dreunden nu voeten. Grote mensen in paniek kijken niet naar de grond, en de grond was precies waar Pim, Juul en een schermende directeur zich bevonden. Een wandelstok priemde vlak naast Pim in het hout. Een omgevallen glas rolde rakelings langs Snuf, die er met een keurig sprongetje overheen ging alsof hij zijn hele leven glazen ontweek — wat, als je erover nadenkt, voor een marktrat aardig in de buurt van de waarheid komt.

"We moeten hier wég!" riep Pim. Hij greep Juul bij haar mouw. En toen zag hij, door het woud van benen heen, iets wat zijn maag in een knoop legde: Ludo. Ludo was klaar onder het podium, Ludo kwam de trap op, en Ludo had zijn beide handen alvast in vangpositie.

"Muizen!" bulderde Ludo, bijna opgelucht dat hij het probleem eindelijk kon zien. "Oom Knijp! Ik pak de muizen!"

De schaduw van zijn handen viel over hen heen als een onweerswolk. Pim deed het enige wat hij nog kon bedenken: hij pakte zijn knikker. Zijn laatste bezit, zijn lievelingsknikker met het groene draadje erin, al drie hoofdstukken trouw in zijn broekzak. Hij legde hem op de plank, mikte, en rolde hem met beide handen weg — niet naar Ludo, want tegen Ludo begint een knikker niks, maar naar Knijp, die net met geheven prikker kwam aanstormen voor een laatste uitval.

Directeur Knijp stapte er met zijn linkervoet vol op.

Wat er dan gebeurt, weet iedereen die weleens op een knikker heeft gestaan. Zijn voet ging vooruit, de rest van Knijp ging achteruit, de prikker ging hoog de lucht in, en de directeur van de Prikkel-fabriek maakte een korte, verbaasde vlucht en landde op zijn achterwerk in een blokje jonge kaas.

"PIEP," zei hij, gedempt.

Maar Ludo's handen kwamen nog steeds. Dichterbij. Groter. En toen—

✦ ✦ ✦

"BLIJF VAN ZE AF."

Er schoof iets tussen de kinderen en de handen van Ludo. Iets blauws, met stickers erop, en een deuk erin van de keer dat het van het klimrek was gevallen. Pim kende dat ding. Hij had er drie jaar lang elke pauze naar zitten kijken, meestal terwijl de eigenaar ervan "Duimpje" naar hem riep.

Het was de broodtrommel van Boris.

En achter de broodtrommel stond Boris zelf, breed en rood en hijgend, op het podium waar hij helemaal niet mocht komen, met zijn armen over elkaar en zijn kin vooruit, recht omhoog kijkend naar Ludo — die drie koppen groter was dan hij.

"Boris?" zei Pim.

Boris keek heel even naar beneden. Naar de twee piepkleine kinderen naast zijn broodtrommel. Je zag hem slikken. Je zag hem besluiten dat hij hier later wel over na zou denken, misschien volgende week, misschien nooit.

"Ik ken die muizen," zei Boris tegen Ludo. "Dat zijn geen muizen. Dat is Duimpje. En niemand doet mijn Duimpje wat." Hij haalde diep adem. "Alleen ík mag hem plagen. En dat doe ik ook niet meer."

Het bleef even stil daarboven, hoog in de lucht waar de grote mensen woonden. Ludo's handen hingen roerloos boven de broodtrommel. Zijn gezicht deed zichtbaar zijn best. Ludo dacht na, en dat was bij Ludo geen stil proces: zijn wenkbrauwen verschoven, zijn lippen bewogen, en ergens diep vanbinnen vielen langzaam een paar dingen op hun plek.

Hij keek naar de tiny directeur in het blokje kaas, die alweer overeind krabbelde en "LUDO! GRIJP ZE DAN, STOMKOP!" piepte.

Hij keek naar Boris, die geen centimeter opzij ging.

Hij keek naar zijn eigen handen.

"Oom Knijp," zei Ludo langzaam, "noemt mij altijd stomkop." Hij liet zijn handen zakken. "En hij heeft nog nooit frietjes voor me gehaald. Niet één keer. Ik haal altijd frietjes voor hém, en dan zegt hij dat ik het verkeerde zout heb." Hij knikte, alsof hij een heel lang rekensommetje eindelijk af had. "Oom Knijp is geen aardige oom."

"Nee," zei Boris. "Dat is hij niet."

"PIEP!" protesteerde Knijp. "PIEPIEP! Ik onterf je! Ik ontsla je! Ik—"

Verder kwam hij niet, want Ludo bukte zich, verrassend soepel voor iemand van zijn formaat, pakte van de omgevallen prijzentafel een souvenirbeker — zo'n glimmende plastic Gouden Fles-beker die ze bij de kraampjes verkochten — en zette hem met een zacht, definitief klok over zijn oom heen.

"Zo," zei Ludo tevreden. "Nu even niet."

Onder de beker klonk gedempt gepiep, en het geluid van een heel klein mannetje dat tegen plastic trapte.

Ludo draaide zich om naar Pim en Juul, en heel Grommerdam hield de adem in toen die enorme hand opnieuw naar de kinderen toe kwam — maar nu langzaam, met de palm omhoog, plat als een dienblad.

"Sorry van daarnet," zei Ludo verlegen. "Ik dacht dat jullie muizen waren. Willen jullie een frietje? Ze zijn nog een beetje warm."

"Straks graag," zei Pim, en hij meende het.

✦ ✦ ✦

Daarna ging alles snel. Ludo stapte naar het krukje van de eregast en trok de touwen van professor Krak los alsof het pakketlint was. Wervel kwam aanzeilen van de kerktoren — de gouden kraanhendel had hij daar veilig opgeborgen bij de rest van zijn verzameling — en landde op de schouder van de professor, waar hij bezitterig met zijn snavel klapte.

En de professor? De professor zakte op het podium op zijn knieën, zette zijn motorbril recht, en boog zich over de twee kleinste helden van het land.

"Piet," zei hij ademloos. "Pam. Pim. En Juul. Bij Newtons nachthemd, jullie leven nog."

"Grotendeels," zei Pim.

"Op drie procent na," zei Juul. "Die pump scheelde niet veel."

Krak lachte, maar het was maar een halve lach, want zijn ogen gingen naar Pims lege handen, en naar Juuls lege zakken, en toen begreep hij het. Geen goudbruin koekje. Geen kruimel. De professor werd heel stil, en om hen heen werd de hele markt het ook, want duizend mensen begonnen zo langzamerhand te snappen dat er hier iets veel groters aan de hand was dan een directeur van tien centimeter.

Professor Krak stond op. Hij liep naar de microfoon, boog hem naar beneden — hij piepte er verschrikkelijk bij, de microfoon dan — en keek uit over de Grote Markt. Over de fanfare met de deuk in de tuba. Over de jury op de tafel. Over duizend Grommerdammers met duizend glazen water.

Hij schraapte zijn keel.

"Grommerdam!" zei professor Aldo Krak. "Ik moet jullie iets vertellen. En daarna moet ik jullie om iets heel geks vragen: ik heb jullie tranen nodig. Maar alleen de lekkerste soort."

Hoofdstuk Negentien

De lachtraan

✦ ✦ ✦

Er zijn toespraken die te lang duren. De toespraak van burgemeester Van Dam, eerder die dag, was er zo een geweest. En er zijn toespraken waarbij duizend mensen zeventien minuten lang vergeten dat ze een glas in hun hand hebben. De toespraak van professor Krak was er zo een.

Hij vertelde alles. Eerlijk, van voren af aan, met zijn motorbril scheef op zijn voorhoofd en zijn stem die af en toe oversloeg.

Hij vertelde van de limonade die gifgroen was met gouden belletjes en die rook naar perendrups en onweer. Hij vertelde van FLOEP en van tien centimeter, en hij liet het zien ook: hij hield zijn handen een klein stukje uit elkaar, en duizend mensen bogen tegelijk naar voren. Hij vertelde van het goudbruine groeikoekje dat naar oma's zolder rook, en van de terugboer, en toen hij "BOEEEER" zei, precies zoals het klonk, lachte er nog niemand — daarvoor was iedereen te druk met luisteren.

Hij vertelde van de inbraak. Van het gestolen Kladboek. Van de kelder vol vaten. Hij wees naar de gouden tapwagen en vertelde wat er vanmiddag in de glazen had móéten zitten, en waarom dat erger was dan wie ook kon vermoeden: "Van mijn limonade kun je terugkomen. Van de zijne niet. Nooit meer. Hij wist het niet — het interesseerde hem ook niet, en ik weet niet wat van die twee erger is."

Er ging een rilling over de markt. Duizend mensen keken naar het glas in hun hand, en zetten het heel voorzichtig neer.

"Dat het toch goed is gegaan," zei Krak, "komt niet door mij. Ik zat vastgebonden op een krukje. Het komt door twee kinderen van tien jaar en tien centimeter, en door een leger ratten onder deze markt dat slimmer is dan de gemeenteraad — neemt u me niet kwalijk, burgemeester — en door één ekster met een zwak voor glimmende dingen."

Hij knielde, en toen hij weer overeind kwam, stonden Pim en Juul op zijn uitgestrekte hand. Hij hield ze voorzichtig naast de microfoon, in het volle licht.

"Grommerdam," zei de professor. "Dit zijn Pim Post en Juul de Wit. Zij hebben jullie allemaal gered."

Het bleef één tel stil. Toen klonk er, ergens midden op de markt, een gil die Pim uit duizenden herkende.

"PIM?!"

De menigte week uiteen, en daar kwam Mevrouw Post — dwars door alles heen, met haar posttas nog om en haar leesbril in haar haar, langs de fanfare, de trap van het podium op zonder ook maar iemand om toestemming te vragen. Ze stopte pas bij de hand van de professor, en daar stond ze dan, hijgend, en keek naar het jongetje van tien centimeter dat naar haar zwaaide.

"Hoi mam," zei Pim. "Ik kan het uitleggen."

"Dat," zei zijn moeder met een heel dunne stem, "lijkt me een uitstekend idee."

"Mevrouw Post," zei professor Krak zacht, "ik beloof u: ik maak hem weer groot. Vandaag nog. Maar daarvoor heb ik iets nodig wat ik niet zelf kan maken." Hij draaide zich naar de microfoon en naar de stad. "Het recept is af op één ding na. Het laatste ingrediënt staat in geen enkel boek, ook niet in het mijne. Ik heb een lachtraan nodig. Een traan die gehuild is van het lachen. Van écht lachen. En niet één — ik heb er een heel flesje van nodig, want er moeten verse koekjes komen voor deze twee." Hij haalde diep adem. "Grommerdam. Ik moet jullie vragen om te lachen. Nu meteen. Zo hard als je kunt."

Duizend mensen keken elkaar aan.

Probeer het zelf maar eens: lach. Nu meteen. Zo hard als je kunt. Precies. Zo stil was het op de Grote Markt.

✦ ✦ ✦

"Ik weet wat!" riep burgemeester Van Dam. "Ik ken moppen!"

Als er ergens in de buurt een ramp op het punt van gebeuren staat, is dit de zin waar je bang voor moet zijn. Maar niemand hield hem tegen. De burgemeester pakte de microfoon, rechtte zijn ambtsketen en straalde.

"Waarom nam de burgemeester een ladder mee naar het feest?" Hij wachtte. "Omdat het feest een HOOGTEpunt nodig had!" Hij sloeg zich op de knie. "Snapt u? Hoogte! Punt! Vanwege de ladder!"

Ergens tjirpte een eenzame krekel, en zelfs die klonk beleefd.

"Nog eentje dan! Wat zegt een limonadefles tegen de andere limonadefles?" Stilte. "Niets! Flessen kunnen niet praten!" De burgemeester keek verwachtingsvol de markt rond. "Die moet je even laten bezinken," legde hij uit. "Dat is het geheim van humor. Het bezinken."

"Nul tranen," rapporteerde Juul vanaf de hand van de professor. Ze had haar stopwatch al in de aanslag.

Toen probeerde brigadier Klos het. Hij klom op het podium, hees zijn riem op en zei: "Ik zal eens iets vertellen wat écht grappig is. Ik had dit hele complot namelijk allang door. Al wéken. Ik zei laatst nog tegen mijn vrouw: let op, Ria, die Knijp gaat de hele stad krimpen. Dat wist ik allang." Hij keek triomfantelijk. "Nou? Is dat geestig of niet?"

"Dat is geen mop," zei een mevrouw vooraan.

"Jawel," zei Klos gekwetst. "De mop is dat niemand mij ooit gelóóft."

Daarop besloot de burgemeester dat het menens werd. Hij commandeerde de hele markt: "GROMMERDAM! Op drie… LACHEN! Eén! Twee! DRIE!"

En duizend mensen deden braaf "HA. HA. HA," in de maat, terwijl de fanfare er een vrolijk deuntje onder speelde, en het klonk ongeveer zo gezellig als een parkeergarage. Juul klikte haar stopwatch in en uit en schudde haar hoofd.

"Nepgelach duurt nooit langer dan twee komma één seconde," zei ze. "Dan valt het om. Luister maar."

Ze had gelijk. Het ha-ha zakte in als een mislukte cake, en toen was het weer stil, en professor Krak stond daar met zijn lege glazen flesje in de herfstzon, en heel even — heel even maar — zag Pim iets in de ogen van de professor wat hij daar nog nooit had gezien. Twijfel.

En precies op dat moment besloot Wervel dat hij lang genoeg had stilgezeten.

✦ ✦ ✦

Je moet weten: Ludo had medelijden gekregen met zijn oom. Zo was Ludo nou eenmaal. Hij had de souvenirbeker een stukje opgetild, "voor de frisse lucht", en directeur Knijp stond nu in de opening als een heel klein standbeeld van woede, te piepen dat iedereen ontslagen was, de hele stad, inclusief de fanfare en de duiven.

En in het zonlicht glinsterden zijn gouden tanden.

Vanaf de schouder van de professor had Wervel die tanden al een uur in de gaten gehouden, zoals een kind een gevallen euro in de gaten houdt. Glimmend. Goud. Onbeheerd, zo ongeveer. En nu was de beker open.

Wervel dook.

Het was een prachtduik, recht op de gouden tanden af, en hij mislukte volkomen. Knijp zag de ekster komen, gilde, en dook terug de beker in. Wervels snavel greep mis — en kreeg toch iets te pakken. Iets zwarts. Iets glads. Iets wat losschoot met een geluidje als een dopje van een flesje.

Wervel steeg op met zijn buit, en directeur Knijp kwam overeind in de bekeropening, briesend van woede — en spiegelglad kaal, op drie lange, treurige haren na die in de wind heen en weer zwaaiden als vergeten spaghetti.

En zo kwam heel Grommerdam er in één klap achter wat nog nooit iemand had geweten, zelfs Ludo niet: het haar van directeur Knijp was niet het haar van directeur Knijp. Het was een toupetje. Een piepklein, meegekrompen toupetje, en het bungelde nu aan de snavel van een ekster als een natte zwarte muis.

"GEEF TERUG!" piepte Knijp. "DAT IS PRIVÉ! DAT IS MIJN PRIVÉHAAR!"

Wervel landde op de microfoon. Hij legde het toupetje voor zich neer, bekeek het van links, bekeek het van rechts — en zette het toen op zijn eigen kop.

Wat er toen over de Grote Markt spoelde, was geen golfje. Het was springtij.

Het begon bij de peuter met de suikerspin, sloeg over op de fanfare, en toen brak de hele markt tegelijk. Een ekster met een toupetje op, die heen en weer paradeerde over een microfoon en af en toe een buiging maakte. Een directeur van tien centimeter die in zijn beker op en neer sprong en floot van woede als een theeketel die niemand, maar dan ook niemand van het vuur wilde halen. En toen klom Generaal Snuf op de rand van de prijzentafel, ging op zijn achterpoten staan, en deed Knijp ná — elke armzwaai, elke sprong, elk pootstampje, precies tegelijk, als een heel klein, heel harig spiegelbeeld.

De markt BRULDE. Mensen hingen over elkaar heen. De tubaspeler moest zijn tuba afgeven omdat hij er anders in zou vallen. De deftigste jurydame maakte een geluid als een scheepshoorn en verontschuldigde zich bij niemand. Burgemeester Van Dam lachte het hardst van iedereen en riep telkens "MIJN MOP WERKTE VERTRAAGD!", wat het alleen maar erger maakte.

"NU!" riep professor Krak. "TRANEN! IEDEREEN!"

Hij sprong het podium af en rende de markt over met zijn glazen flesjes, van gezicht naar gezicht, "mag ik even — dank u — niet vegen! niet vegen!", en overal waar hij kwam, ving hij druppels die glinsterden in de zon.

Maar de allerbeste ving hij vlak naast zich.

Mevrouw Post stond nog steeds bij de hand van de professor, waarop haar zoon van tien centimeter stond. Ze had de hele dag angsten uitgestaan die geen moeder zou moeten voelen, en nu keek ze naar een ekster met een toupetje en naar haar piepkleine, springlevende, grijnzende zoon — en ze begon te lachen en te huilen tegelijk, allebei even hard, zonder te kiezen, want soms hoeft dat niet. De tranen rolden zo over haar wangen.

"Mam," zei Pim. "Je verspilt lachtranen."

"Stil, jij," hikte zijn moeder.

Professor Krak was er al, met zijn allerkleinste flesje. "Mag ik?" vroeg hij zacht. Ze knikte, lachend, huilend. Hij ving er drie op, hield het flesje tegen het licht en knikte plechtig.

"De allerbeste soort," zei hij.

✦ ✦ ✦

Wat er daarna op dat podium gebeurde, noemden de kranten later "het wonderlijkste kookprogramma uit de geschiedenis van het land". Professor Krak vorderde de jurytafel, drie brandertjes van de wafelkraam en een soeppan van het eetcafé. Wervel werd (tegen betaling van twee flessendopjes, toupetje mocht hij ophouden) op pad gestuurd en kwam terug met citroenen van het limonadekraampje. Ludo sjouwde een heel krat aan: suiker, bronwater, een stengel rabarber van de groenteman — "de dikste die u heeft, zei de professor!" — en, waarom wist niemand, één frietje.

"Voor erbij," legde Ludo uit.

De professor kookte zoals andere mensen dirigeren. Er werd geperst, geroerd, geproefd, gemompeld ("Bij Newtons nachthemd, iets meer onweer") en uit zijn binnenzak kwam een klein blikje waarop stond: ALLEEN BIJ NOODGEVALLEN. Wat erin zat, zag niemand. "Dat," zei hij tegen de jury, die het waagde te vragen, "is hoofdstuk drieëntwintig van mijn kladboek."

En helemaal aan het einde, toen de pan borrelde en dampte en de hele markt naar perendrups en onweer rook, pakte hij het kleinste flesje. Hij hield het even omhoog naar Mevrouw Post. Toen liet hij de lachtranen in de pan vallen. Eén. Twee. Drie.

De borrel stokte. De damp kringelde. En het brouwsel in de pan draaide zich om, diep vanbinnen, en kleurde goud — echt goud, warm goud, goud met piepkleine belletjes die omhoogklommen en BLING zeiden tegen de ondergaande zon.

De hele Grote Markt zuchtte tegelijk.

"Nu nog één ding," zei Krak. "Bakken."

Hoofdstuk Twintig

Groeikoekjes

✦ ✦ ✦

Er was maar één plek op de Grote Markt waar je iets kon bakken, en dat was de poffertjeskraam van meneer Van Galen.

Nu moet je over meneer Van Galen twee dingen weten. Eén: hij bakte al vierenveertig jaar poffertjes op precies dezelfde plek, met precies dezelfde koperen plaat, die hij Bertha noemde en elke avond oppoetste. Twee: er was in die vierenveertig jaar nog nooit iemand anders aan Bertha geweest. Niet zijn vrouw. Niet zijn zoon. Zelfs de koningin niet, en die had het nota bene gevraagd.

"Nee," zei meneer Van Galen dus.

"Meneer Van Galen," zei professor Krak, met de dampende pan goud brouwsel in zijn armen, "het gaat om twee kinderen."

"Iedereen heeft kinderen."

"Het gaat om twee kinderen van tien centimeter."

Meneer Van Galen keek langs de professor heen naar de hand van Mevrouw Post, waarop Pim en Juul netjes zwaaiden. Zijn snor bewoog. Bij meneer Van Galen zat al het gevoel in de snor.

"Vooruit," zei hij schor. "Maar ík bak. Niemand komt aan Bertha."

Wat volgde was een samenwerking zoals de markt nog nooit had gezien: de beste poffertjesbakker van Grommerdam en de chaotischste professor van het land, zij aan zij achter één koperen plaat. Krak goot zijn gouden brouwsel bij het beslag; Van Galen roerde met lange, plechtige halen; Krak strooide er iets overheen uit het blikje ALLEEN BIJ NOODGEVALLEN; Van Galen zei "als Bertha ontploft, betaalt u een nieuwe"; en Krak zei "dat is redelijk" op een toon die iedereen ongerust maakte.

Het beslag siste. Het beslag zong bijna. En de poffertjes die van de plaat kwamen, waren geen poffertjes. Ze waren hard, goudbruin en volmaakt rond, en de geur die eraf kwam, dreef over de hele markt: stoffig en zoet en oud en veilig tegelijk.

"Oma's zolder," zei Pim zacht.

"Dit," zei meneer Van Galen ontzet, terwijl hij er één tussen duim en wijsvinger hield, "zijn de slechtste poffertjes die ik ooit heb gebakken. Ze zijn steenhard. Ze ruiken naar meubels."

"Ze zijn perfect," zei professor Krak.

Meneer Van Galen keek nog eens goed naar het koekje, haalde zijn schouders op en bestrooide het uit gewoonte met poedersuiker. Sommige dingen krijg je er in vierenveertig jaar niet meer uit.

✦ ✦ ✦

Ze deden het op het podium, want de hele stad wilde het zien, en eerlijk is eerlijk: na alles wat de hele stad die dag al had gezien, had de hele stad daar wel een beetje recht op.

Pim en Juul stonden naast elkaar op de jurytafel. Voor hen lagen twee kruimels groeikoekje, elk zo groot als hun eigen hoofd. De fanfare zette een roffel in. Burgemeester Van Dam wilde een toespraak beginnen en werd door driehonderd mensen tegelijk "SSST" toegeroepen.

"Weet je nog hoe het moet?" vroeg Juul.

"Kauwen," zei Pim. "En dan komt de rest vanzelf."

"Op drie," zei Juul, en ze hield haar stopwatch omhoog. "Eén komma nul. Twee komma nul—"

"Drie," zeiden ze allebei, en ze namen tegelijk een hap.

Het koekje smaakte zoals altijd: naar oude planken, naar de zomer van heel lang geleden, naar iets wat je bijna vergeten was. Pim voelde het gekriebel beginnen, achter zijn knieën, toen in zijn buik, toen overal, alsof er ergens diep vanbinnen een heel orkest tegelijk zijn instrumenten oppakte.

"Daar komt-ie," zei hij nog.

BOEEEER!

BOEEEER!

Twee terugboeren tegelijk, en wat voor twee. Ze rolden over de Grote Markt, ketsten tegen de gevels, galmden door de straatjes en kwamen via de toren van de Scheve Sint terug als een echo die zelf ook geschrokken was. Duiven stegen op tot in de volgende gemeente. Ergens viel een fietsenrek om, gewoon uit solidariteit. En de Scheve Sint — daar zweren ooggetuigen tot op de dag van vandaag op — helde heel even een piepklein stukje verder over om te kijken wat daar beneden gebeurde.

KA-DOEM. KA-DOEM.

En daar stonden ze. Eén meter vierentwintig en één meter eenendertig, levensgroot — nou ja, je begrijpt wat we bedoelen — boven op de jurytafel, knipperend tegen het licht, in kleren die gewoon weer pasten, vraag niet waarom.

Eén tel was het stil.

Toen ontplofte de Grote Markt. Duizend mensen juichten, de fanfare speelde drie verschillende liederen tegelijk, en van alle kanten werd er geklapt en gestampt en gefloten voor de kleinste jongen van Grommerdam, die daar boven op die tafel stond en niet goed wist waar hij kijken moest. Mevrouw Post kwam als eerste bij hem, en wat er toen gebeurde, was privé, maar het duurde lang en er kwam geen woord bij te pas.

En toen begon iemand vooraan te scanderen. Iemand met een blauwe broodtrommel onder zijn arm.

"DUIMPJE! DUIMPJE! DUIMPJE!"

Heel de markt nam het over, en het gekke was: het klonk niet als plagen. Het klonk als een erenaam, als een ridderslag, als iets wat je op een standbeeld beitelt. Pim keek naar Boris, en Boris grijnsde en stak twee duimen op — allebei, voor de duidelijkheid.

"Voor het eerst in mijn leven," zei Pim tegen Juul, "vind ik het prima om Duimpje te heten."

"Dat werd tijd," zei Juul. "Zeven jaar en ongeveer vier maanden. Ik schat."

✦ ✦ ✦

Toen was directeur Knijp aan de beurt, want rechtvaardigheid, vond professor Krak, moet je op ware grootte uitvoeren.

"Ik eet geen kruimels!" piepte Knijp vanuit zijn souvenirbeker, waar Ludo een kruimel groeikoekje in had laten zakken. "Ik ben directeur! Directeuren eten geen — is dat poedersuiker? Ik ruik poedersuiker. Ik word hier vergiftigd met poedersuiker!"

"Oom Knijp," zei Ludo geduldig, "als u het niet opeet, blijft u zo klein als een frietje. En u weet wat er met frietjes gebeurt."

Het werd heel even stil in de beker.

Toen klonk er woedend geknabbel, en gepiep tussen de happen door — "dit verandert NIETS, ik ontsla iedereen, ik onteigen deze markt, ik—" en midden in dat gepiep, midden in een woord zelfs, kwam het.

BOEEEER!

KA-DOEM.

De souvenirbeker vloog in stukken, en daar stond directeur Knijp weer op ware grootte: mager als een lantaarnpaal, briesend, in een gekreukt pak — en spiegelkaal, want zijn toupetje zat op dat moment nog altijd op het hoofd van een ekster. Zijn parfumwolk was met hem meegegroeid; de eerste drie rijen deden een stap terug. Ze roken hem eerder dan ze hem in volle glorie zagen, en het was geen glorie.

"Zo," zei Knijp, en hij trok zijn jasje recht. "En nu is iedereen gearres—"

"Directeur Knijp," zei brigadier Klos, die achter hem stond met een uitgestoken paar handboeien en het gezicht van een man wiens grote moment eindelijk gekomen is. "U bent aangehouden. Wegens diefstal, ontvoering, en poging tot het verkleinen van een voltallige jury plus burgemeester." Hij klikte de boeien vast. "En mag ik daar iets aan toevoegen, als politieman?"

Hij keek de markt rond.

"Dat wist ik allang."

Knijp werd afgevoerd tussen de kraampjes door, en hij piepte niet meer, hij schreeuwde weer gewoon, wat eigenlijk minder indruk maakte. "Wie klein denkt, blijft klein!" krijste hij nog over zijn schouder, tegen niemand in het bijzonder.

"U hebt anders net een uur klein gedacht," zei Juul. "Eén uur en veertien minuten. Ik heb het geklokt."

✦ ✦ ✦

En toen moest er, omdat het per slot van rekening het Gouden Fles-festival was, nog een prijs worden uitgereikt.

De jury nam haar taak serieus. Eerst werd, voor de vorm en voor het proces-verbaal, de originele Prikkel geproefd. De deftigste jurydame nam een slokje, liet het door haar mond rollen, keek peinzend naar de wolken en sprak het oordeel uit dat later in alle kranten stond:

"Gewoon water met een leugentje erin."

Daarna wendde de jury zich tot professor Krak. Of de professor zijn wonderlijke groene limonade wilde inschrijven voor de wedstrijd, want áls er die dag iets bewezen was, dan wel dat die limonade deed wat geen enkele drank ooit—

"Nee," zei Krak.

De jury knipperde. "Nee?"

"Veel te gevaarlijk voor winkels," zei de professor beslist. "Stel je voor: een aanbieding. Twee voor de prijs van één. Een dorstige voetbalclub. Nee, nee. Sommige recepten horen in een kladboek en nergens anders." Hij stak zijn hand op tegen alle protesten. "Máár," zei hij, en er begon iets te twinkelen achter zijn motorbril, "ik heb toevallig iets anders bij me. Iets wat helemaal mislukt is."

Uit zijn binnenzak kwam een plat flesje met een kurk erop en een etiket in spinnenpotenhandschrift: BLIKSEMLIMONADE — MISLUKT — WEL LEKKER.

"Het moest eigenlijk lichtgevende limonade worden," legde hij uit terwijl hij drie jurglaasjes volschonk. "Dat werd het niet. Wat het wél werd, kan ik niet uitleggen. Dat moet u proeven."

De jury proefde.

Hoe Bliksemlimonade smaakt, is moeilijk op te schrijven. De jurydame zei later: het smaakt zoals onweer vóélt. Eerst wordt het stil in je mond, en donker, en verwachtingsvol. Dan rommelt er iets achter je kiezen. En dan slaat ergens de bliksem in, precies op je tong, en gaat overal in je hoofd het licht aan, en dan komt de regen, fris en zilver, en daarna ruikt de hele wereld even zoals een tuin na een bui.

De drie juryleden zeiden een tijdje niets. Hun haren stonden alle drie recht overeind, wat bij de jurydame gezien haar kapsel een hele prestatie was.

"Unaniem," zei ze toen.

En zo kreeg, aan het einde van de vreemdste festivaldag uit de geschiedenis van Grommerdam, professor Aldo Krak uit handen van burgemeester Van Dam de Gouden Fles uitgereikt — voor een limonade die per ongeluk bestond. De fanfare speelde. Het applaus rolde over de markt. Krak hield de gouden fles omhoog, het laatste zonlicht sloeg eraf in spatten, en hij boog naar links, en naar rechts, en riep dat dit een overwinning was voor alle mislukte experimenten van de hele wereld.

Je weet natuurlijk al lang wat er toen gebeurde. Een gouden fles. Glimmend als niets anders op die hele markt. Precies.

Er suisde iets zwart-wits uit de lucht, en Wervel landde boven op de Gouden Fles, sloeg zijn klauwen om de hals, klapte zijn vleugels op en keek de menigte aan met een blik die maar op één manier te vertalen viel: van mij.

"Wervel," zei Krak streng. "Af."

Wervel ging niet af. Wervel ging er eens goed voor zitten. Ze probeerden het met drie flessendopjes, met vier, met een hele handvol; ze probeerden het met een frietje van Ludo; meneer Van Galen probeerde het met een poffertje, vers van Bertha. De ekster verroerde zich niet. Hij zat op de grootste glimmende schat van zijn leven, hij had bovendien nog steeds een toupetje op, en hij was van plan allebei tot in lengte van dagen te houden.

"Ach," zei professor Krak ten slotte, en hij zette fles én vogel voorzichtig onder zijn arm. "Laat hem. Hij heeft hem verdiend. En ik moet er niet aan denken dat hij hem straks zelf komt halen."

Hoofdstuk Eenentwintig

Wat er met Knijp gebeurde

✦ ✦ ✦

Er zijn steden waar elke week wel iets gebeurt. Grommerdam was nooit zo'n stad geweest. De grootste misdaad in de geschiedenis van Grommerdam was veertig jaar lang de verdwenen fietsbel van bakker Bol geweest — een zaak die Brigadier Klos naar eigen zeggen "vrijwel meteen" had opgelost, namelijk nooit.

Maar nu was er een echte rechtszaak, met een echte rechter, en heel Grommerdam wilde erbij zijn. Omdat het gemeentehuis geen rechtszaal had, werd de raadszaal gebruikt, en omdat de raadszaal te klein was, sleepte de conciërge van De Springplank alle banken uit de gymzaal erheen. Toen dat nog niet genoeg was, gingen de ramen open, zodat de mensen op het plein het ook konden horen.

Pim en Juul zaten op de voorste bank, tussen mevrouw Post en professor Krak in. Ludo zat een rij daarachter, met een puntzak friet die hij uit beleefdheid pas wilde opeten "als het saaie stuk begint".

De rechter kwam uit de grote stad. Ze heette mevrouw Vonk, ze had een bril waar je bang van werd en een koffer vol wetboeken waar je nog banger van werd. Ze sloeg drie keer met haar hamer en zei: "Breng de verdachte binnen."

Ze roken hem eerder dan ze hem zagen.

Eerst golfde er een wolk Eau de Succes door de deuropening, zo dik dat de eerste drie rijen begonnen te kuchen. Daarna pas kwam Directeur Knijp zelf: dun als een lantaarnpaal, kaarsrecht van kwaadheid, met blinkende gouden tanden en een blik alsof niet hij, maar de rest van de zaal terechtstond.

"Waar is uw advocaat?" vroeg rechter Vonk.

"Ontslagen," zei Knijp. "Vanochtend. Ik verdedig mezelf. Niemand ter wereld praat zo goed over mij als ik."

"Juist," zei mevrouw Vonk, en ze schreef iets op. Het was de eerste van heel veel dingen die ze die dag opschreef.

De aanklacht werd voorgelezen. Het was een lange lijst: het stelen van een kladboek, het ontvoeren van een professor, het proberen te verkleinen van een complete jury plus een burgemeester, en het jarenlang verkopen van kraanwater met een kleurtje onder de naam limonade.

"Bezwaar!" riep Knijp. "Ten eerste: ik heb dat kladboek niet gestolen. Ik heb het láten stelen. Dat is heel wat anders. Daar heb je personeel voor."

Mevrouw Vonk schreef.

"Ten tweede: ik heb die professor niet ontvoerd. Ik heb hem uitgenodigd. In een toren. Met een slot op de deur, zodat hij niet zou verdwalen. Dat heet gastvrijheid."

Mevrouw Vonk schreef sneller.

"En ten derde: water is gezond. Ik heb deze stad jarenlang gezond gehouden en dit is de dank."

Juul boog zich naar Pim toe en fluisterde: "Elf bekentenissen in vier zinnen. Dat klopt helemaal."

"Meneer Knijp," zei de rechter, "u weet dat alles wat u zegt tegen u gebruikt kan worden?"

"Uitstekend," zei Knijp. "Dan wordt er eindelijk eens goed naar mij geluisterd."

Toen kwamen de getuigen. Brigadier Klos vertelde dat hij de verdachte "al maanden scherp in de gaten had gehouden". Mevrouw Vonk vroeg waarom hij dan nooit had ingegrepen. Klos dacht daar lang over na en zei toen: "Omdat ik wachtte tot hij iets zou doen wat ik allang wist." Niemand begreep dat, Klos zelf ook niet, maar hij keek er zeer tevreden bij.

Ludo was korter van stof. Hij stond op, veegde zijn vingers af aan zijn broek en zei: "Oom Knijp is geen aardige oom." Toen bood hij de rechter een frietje aan. Mevrouw Vonk zei dat dat niet gepast was, en nam er twee.

Als laatste mocht professor Krak iets zeggen. De hele zaal hield zijn adem in, want iedereen wist wat Knijp hém had aangedaan.

"Ik wil graag iets zeggen ten gunste van de verdachte," zei Krak.

Het werd doodstil.

"Zijn parfum," zei Krak, "is… aanwezig." Hij dacht even na of er nog meer was. Dat was er niet. "Maar ik wil de rechtbank één ding vragen. Geef hem een cel met een raam, en een bibliotheekpas. Ik heb die man wekenlang van dichtbij meegemaakt, en ik heb hem nooit één keer horen lachen. Niet één keer. Wie nooit lacht, moet in elk geval kunnen lezen. Dan komt de rest misschien vanzelf."

Mevrouw Vonk keek de professor lang aan over haar enge bril. Toen schreef ze ook dat op.

Het vonnis was kort en duidelijk. Schuldig aan alles, plus aan één ding dat Knijp zelf ter plekke had uitgevonden ("het zogenaamde éénrichtingslenen"). Twee jaar cel. De fabriek ging naar de arbeiders. Iedereen die ooit een flesje Prikkel had gekocht, kreeg zijn geld terug. En — mevrouw Vonk las het voor van een apart papiertje — in de gevangenis was parfum ten strengste verboden.

"GEEN EAU DE SUCCES?" Knijps stem schoot drie octaven omhoog, precies zoals toen hij tien centimeter groot was. "Ik ga in hoger beroep! Bij de koning! Bij de koningin! Bij ALLEBEI!"

Hij werd afgevoerd, kaarsrecht en krijsend, en zijn parfumwolk bleef nog een kwartier hangen, als een bezoeker die niet doorheeft dat het feest voorbij is.

"Dat wist ik allang," zei Brigadier Klos tegen iedereen die het horen wilde. En daarna ook tegen iedereen die dat niet wilde.

✦ ✦ ✦

Met de fabriek ging het daarna snel.

Het eerste wat de arbeiders deden, was alle ramen openzetten. Drie dagen lang waaide er Eau de Succes over de weilanden, en drie dagen lang keken de koeien verward om zich heen. Daarna werd er geverfd. Het grijze flesgebouw werd hemelsblauw, met geschilderde bubbels tot aan de hals. Alleen de dop bleef grijs, want de verf was op. Niemand vond dat erg. Op de gevel kwam een nieuw bord: DE VROLIJKE FLES.

En toen maakten ze limonade. Echte. Met echte citroenen, echte suiker en echte moeite. De eerste nieuwe smaak heette Grommerdammertje, en wie hem proefde, zei meestal een tijdje niks, en daarna: "Nog eentje."

Professor Krak mocht de allereerste fles openen. Hij nam een slok, deed zijn ogen dicht en zei: "Bij Newtons nachthemd. Dít is limonade." Van de arbeiders kreeg hij levenslang gratis drinken, en van Juul kreeg de limonade een acht komma negen. "De rest," zei ze, "is voor de spanning."

Ludo nam ontslag. Dat was nog een heel gedoe, want zijn baas zat in de cel, dus schreef hij een brief. Er zaten drie vetvlekken op en één hartje, dat hij er later weer uit probeerde te gummen. Het antwoord uit de gevangenis was zó boos dat Ludo er de volgende dag zijn friet in verpakte.

Want Ludo had nu een frietkraam. Op de Grote Markt, schuin tegenover de Scheve Sint, stond sinds kort een glimmende wagen met gouden letters: LUDO'S GOUDEN FRIET. Het werd binnen een maand de beroemdste friet van de provincie. Het geheim was simpel: Ludo bakte alles twee keer, en hij glimlachte er de hele tijd bij. Hij was, dat zag je van een kilometer afstand, de gelukkigste man van Grommerdam.

En hij vergat zijn vrienden niet. Juul schreef op een zaterdagmiddag een officieel document, met haar liniaal erbij, want officiële documenten horen rechte lijnen te hebben. Het heette Het Frietverdrag, en er stond in dat de restjes van de kraam elke avond om klokslag tien uur bij de putdeksel zouden worden neergelegd, en dat er elke vrijdag een stuk kaas bij zou zitten, "ten behoeve van het kaaspensioen der ratten van de Grote Markt, tot in de eeuwigheid, of zolang de kraam bestaat, wat het langste duurt".

Ludo ondertekende met een grote, zorgvuldige L. Generaal Snuf ondertekende met zijn staart, gedoopt in mayonaise. Het verdrag hangt nog steeds in de kraam, achter glas, en het ruikt nog steeds een beetje lekker.

De medaille kwam een week later. Juul had er drie avonden aan gewerkt: een zilverkleurige flessendop, opgepoetst tot spiegelglans, met een lint van rood veterband uit haar reservelaarzen, en op de achterkant gekrast: G.S. De uitreiking was op zondagochtend bij de putdeksel, met professor Krak in zijn nette jas (de labjas met de mínste schroeiplekken) en zeker veertig ratten in het gelid.

"Generaal Snuf," zei Krak plechtig, "voor moed, tunnelkennis en het redden van een complete stad."

Snuf ging op zijn achterpoten staan, salueerde met één poot, en tikte met de andere een lang bericht op de putdeksel. Juul vertaalde hardop, woord voor woord: "VOOR — GROMMERDAM — ALTIJD." Stilte. Toen tikte hij nog vier woorden: "WAAR — IS — DE — KAAS."

Midden onder het applaus schoot er iets zwart-wits uit de lucht omlaag, recht op de glimmende medaille af. Wervel. Natuurlijk Wervel. Hij werd op tien centimeter van zijn doel onderschept door Pim, die hem allang had zien aankomen, en omgekocht met drie extra glanzende flessendoppen. Het was omkoping, maar wel eerlijke.

✦ ✦ ✦

Op school was het verhaal intussen een legende geworden. En zoals dat gaat met legendes: hij groeide. Er waren inmiddels versies waarin Pim niet met een naald maar met een zwaard had gevochten, versies waarin Sultan twee meter hoog was geweest, en één versie — niemand wist waar die vandaan kwam — met een adelaar erin. Juul verbeterde alles onvermoeibaar. "Het was geen adelaar, het was een ekster van tweehonderdachttien gram. Ik heb hem gewogen."

Op het klassenfeest, vlak voor de herfstvakantie, gebeurde er iets wat nog vreemder was dan alles daarvoor. Boris kwam naar Pim toe. Hij stond een tijdje te schuifelen, keek naar zijn schoenen alsof daar hulp van te verwachten viel, en zei toen: "Pim." Niet Duimpje. Pim. "Wil je het nog één keer vertellen? Met de buizenpost erin? En het gedeelte met de vliegenmepper?" En toen, alsof het woord hem moeite kostte omdat het gloednieuw was: "Alsjeblieft?"

Dus vertelde Pim het nog een keer. De klas zat muisstil, ook al kende iedereen de afloop. Bij het stuk waar het groeikoekje in het frituurvet valt, hield de hele groep de adem in, alsof het deze keer misschien anders zou gaan. Juul deed de geluiden. Haar BOEEEER was zo overtuigend dat de juf van groep vier kwam vragen of alles in orde was.

Niemand zei trouwens nog Duimpje. Behalve heel soms, als Pim iets bijzonders deed — de bal uit de dakgoot klimmen, een som oplossen waar het hele bord vol van stond — dan riep er iemand "Duimpje!", en dan klonk het zoals je "kampioen" roept.

Pim was nog steeds één meter vierentwintig. Dat was geen mening, dat was gemeten, gewoon weer tegen de deurpost van de keuken. Er was alleen in heel Grommerdam niemand meer te vinden die dacht dat dat klein was.

Op een woensdag in oktober kwam zijn moeder de keuken binnen met één envelop in haar hand, apart van de rest van de post. "Deze is voor jou," zei ze. "En voor Juul. Hij rook naar roet en rabarber, dus ik neem aan dat het belangrijk is."

Op de envelop stond, in spinnig handschrift dat alle kanten op kroop:

Kom zaterdag. Neem lege zakken mee. — A.K.

Twee minuten later stond Juul al in de keuken, rode laarzen aan, stopwatch in de hand. Ze lazen het briefje samen nog een keer, en nog een keer, maar er kwam geen letter bij.

"Lege zakken," zei Pim. "Waarvoor? Goud? Rabarber? Ontplofte theekopjes?"

"Over negenenveertig uur en elf minuten weten we het," zei Juul, en ze klikte haar stopwatch in.

En als jij nu denkt dat je wel kunt raden wat er in die zakken moest — vergeet het maar. Dit was professor Krak. Het werd nooit, maar dan ook nooit, wat je verwachtte.

Hoofdstuk Tweeëntwintig

Het geheim van de professor

✦ ✦ ✦

Zaterdagochtend om tien uur stonden Pim en Juul voor het hek van Dwarsstraat 15b, allebei met een lege zak in de hand. Pim had een jutezak van de post meegenomen. Juul had een zak van stevig zeildoek, want "als je niet weet wat erin gaat, moet je uitgaan van het zwaarste geval".

De wilde tuin was aan het verkleuren. De rabarber van drie meter, die de hele zomer groen als een oerwoud was geweest, stond nu in het geel en het rood, en de bladeren die vielen, vielen niet zomaar — ze kwamen neer als circustenten. Eén ervan zeilde precies boven Juul los.

WOMP.

"Vier seconden valtijd," zei de stem van Juul ergens onder het blad. "Vanaf boven in de plant. Interessant."

De deur van het huisje vloog open voordat ze konden kloppen. Daar stond professor Krak, en er was iets vreemds aan hem. Zijn haar stond alle kanten op, zijn motorbril zat scheef op zijn voorhoofd, zijn labjas zat vol schroeiplekken — dat was allemaal normaal. Maar daaronder, tussen de kraag en de bovenste knoop, zat een vlinderdas. Een echte. Hij was paars.

"Piet!" riep hij stralend. "Puk! Pam! — Pim! En Juul! Jullie zijn precies op tijd voor de plechtigheid."

"Welke plechtigheid?" vroeg Pim.

"Als ik dat verklap, is het geen plechtigheid meer. Kom binnen. Veeg je voeten. Of nee, doe maar niet, dat maakt hier werkelijk niets uit."

In de uitvinderij was opgeruimd. Nou ja — opgeruimd voor Krak-begrippen: je kon de werkbank zíén, en er stonden maar drie dingen op die rookten. Midden op de bank lagen twee grote vellen papier, dik en roomwit, met krullen aan de randen.

"Ga staan," zei Krak. "Rechtop. Dit is een officieel moment en officiële momenten doe je rechtop."

Hij pakte het eerste vel, kuchte twee keer, en las voor met een stem die hij duidelijk speciaal voor deze gelegenheid had geoefend:

DIPLOMA — ASSISTENT-UITVINDER, EERSTE KLAS. Toegekend aan Juul de Wit, voor moed, meetkunst, morse en het juiste gebruik van een naald. Getekend: prof. A. Krak.

Juul nam het diploma aan alsof het van glas was. Onderaan stond een handtekening die op een kleine ontploffing leek, en daarnaast een officiële stempel: een rabarberblad, in groene inkt, met alle nerven erop.

"Zelf gesneden," zei Krak trots. "Uit een gum. Het is de enige officiële rabarberstempel ter wereld, dus dit diploma is niet na te maken."

Toen was Pim aan de beurt. "Toegekend aan Pim Post," las Krak, "voor moed, slimheid en het juiste formaat." Hij liet het papier zakken en keek Pim aan over zijn bril. "Ik heb lang nagedacht over die laatste woorden. Het zijn de belangrijkste van het hele diploma."

Pim keek naar de krulletters. Zijn oren werden een beetje warm. "Dank u wel," zei hij, en omdat dat te weinig voelde, zei hij het nog een keer.

"Zo!" Krak wreef in zijn handen. "Assistent-uitvinders. Eerste klas. Jullie mogen voortaan zelfstandig roeren, gieten en wegduiken."

"Professor," zei Juul, die haar diploma voorzichtig had opgerold, "waarvoor zijn de lege zakken?"

Krak keek naar de zakken. Toen naar het plafond. Toen weer naar de zakken. "Dat," zei hij langzaam, "is een uitstekende vraag. Ik wist het donderdag nog. Het stond in mijn hoofd, en mijn hoofd is helaas geen kladboek." Hij wapperde met zijn hand. "Het komt terug. Belangrijke dingen komen altijd terug. Dat is trouwens precies waar ik het vandaag met jullie over wil hebben."

En toen werd hij stil. Zomaar, midden in de zin, werd professor Krak — die anders praatte zoals andere mensen ademen — helemaal stil.

"Kom eens mee," zei hij ten slotte. "Ik moet jullie iets laten zien. Iets wat ik nog nooit aan iemand heb laten zien."

✦ ✦ ✦

Hij nam ze niet mee naar de schuur, maar het huisje in. Door het gangetje met de stapels tijdschriften, langs de kapstok waar drie dezelfde labjassen hingen, naar de kleine achterkamer. Daar schoof hij een leunstoel opzij, rolde een versleten kleedje op, en wees naar de vloer.

In de hoek, waar de plint niet helemaal aansloot op de oude planken, zat een gat. Een muizengat. Donker, rond, en zo te zien heel erg oud.

"Zestig jaar geleden," zei Krak, "woonde hier een jongetje. Het kleinste jongetje van zijn klas, als je het precies wilt weten. Hij heette Aldo."

Pim keek op. Juul ook. Maar ze zeiden niks, want sommige verhalen moet je niet onderbreken.

"Zijn moeder had een ring. Een dun gouden ringetje, niks bijzonders om te zien, maar het was het enige wat zíj nog van háár moeder had. Als ze brood bakte, deed ze hem af en legde hem op de vensterbank. En op een middag — het regende, de jongen verveelde zich — pakte hij die ring en liet hem over de vloer rollen. Om te kijken hoe lang hij kon rollen. Dat was het hele plan. Het was geen goed plan."

Krak ging op zijn hurken zitten, wat bij hem klonk als een kist vol scharnieren, en legde één vinger naast het gat.

"Achttien seconden heeft hij gerold. Steeds rechter, steeds sneller, alsof hij wist waar hij heen wilde. En toen: floep. Weg. Hierin."

"Wat zei uw moeder?" vroeg Pim zacht.

"'Geeft niet, jongen.' Dat zei ze. 'Geeft niet.'" Krak knikte langzaam. "Maar ik was klein, niet blind. Ik zag haar ogen wel. En die avond heb ik iets beloofd, hardop, met mijn hoofd onder de dekens: ik haal hem terug. Al moet ik er honderd jaar over doen."

Hij stond weer op, scharnier voor scharnier.

"Ik heb alles geprobeerd wat een jongetje kan proberen. Een hengeltje van een breinaald. Kauwgom aan een touwtje. Een magneet — zo leerde ik mijn allereerste natuurkundeles: goud trekt zich van magneten helemaal niets aan. Ik heb zelfs een kever getraind. Drie weken lang. Hij deed het uitstekend, tot hij het gat in liep en besloot daar te blijven wonen. Ik kon hem geen ongelijk geven."

"En toen?" vroeg Juul.

"Toen werd ik ouder, en het gat bleef even klein. Dus dacht ik: als het gat niet groter kan, moet ík kleiner. Zo simpel begon het. Alles wat ik ooit heb uitgevonden — de klapschoenen, de sokkensorteermachine, de zelfroerende soep, en uiteindelijk de krimpelimonade — het begon allemaal bij dat ene gat in die ene vloer." Hij haalde zijn schouders op. "Onderweg ben ik het onderweg-zijn leuk gaan vinden. Dat is het gevaar van uitvinden. Je begint voor één ring en zestig jaar later heb je een schuur vol wonderen en nog steeds geen ring."

"Maar u hád de krimpelimonade," zei Pim. "U had er toch in gekund?"

"Ik bén erin geweest." Krak trok een gezicht. "Eén keer. Vorig jaar. Tien centimeter groot, lantaarntje mee — een halve lucifer. Drie meter ver gekomen. Toen ging mijn lucifer uit, en stond ik in het donker in een gang die zestig jaar geleden al bouwvallig was, en hoorde ik overal geritsel. Ik ben, dat geef ik eerlijk toe, met grote waardigheid gillend teruggerend." Hij spreidde zijn armen. "Die tunnels zijn een doolhof. Half ingestort. Je hebt er niets aan grootte, en niets aan slimheid. Je hebt er experts voor nodig."

Juul begon te grijnzen. "Experts met staarten."

"Assistent-uitvinder De Wit," zei Krak plechtig, "mag ik u verzoeken de verwarmingsbuis te bedienen?"

Juul knielde bij de gietijzeren buis die door de kamer liep, trok haar mouw over haar knokkels, en tikte. Kort-kort-lang. Lang-kort. De tikken zoemden door de buis, de vloer in, de aarde in, helemaal naar waar ze wezen moesten: SNUF. KOM.

Twintig minuten later — negentien minuten en veertig seconden, hield Juul vol — klonk er gekrabbel in de muur, en uit het muizengat kwam een grijze snuit met één oor. Generaal Snuf stapte de kamer in alsof hij hier elke week kwam, gevolgd door drie jonge ratten die eerbiedig bij de plint bleven wachten.

Krak ging op de vloer zitten, met zijn benen gekruist als een veel jongere professor, en legde het uit. Gewoon, hardop, tegen een rat: het jongetje, de regen, de ring, de belofte. Snuf luisterde met zijn ene oor. Toen stak hij zijn neus in het gat, snoof drie keer diep, draaide zich om naar zijn drie ratten en tikte een kort, scherp bevel op de plint.

De drie schoten het gat in als water in een putje.

"Stopwatch," zei Juul, en klikte.

Het werd stil in de kamer. Een heel bijzonder soort stil. De professor zat op de vloer van het huis waar hij als jongetje had gewoond, en keek naar een muizengat, en wachtte — en Pim begreep opeens dat hij eigenlijk al zestig jaar zat te wachten, alleen nu voor het eerst mét hoop.

Onder de vloer klonk gestommel. Gepiep. Eén keer iets wat verdacht veel op ruzie leek. Toen gestommel de andere kant op.

"Vier minuten," fluisterde Juul, "en zes seconden."

Uit het gat kwam de eerste rat, achterstevoren, trekkend. De tweede duwde. De derde liep er belangrijk naast, zoals dat gaat bij verhuizingen. En tussen hen in, grijs van zestig jaar stof, rolde een dun gouden ringetje de kamer in, wiebelde twee rondjes, en viel om. Vlak voor de knieën van professor Krak.

Niemand zei iets.

Krak raapte de ring op met twee vingers, zo voorzichtig alsof hij van sneeuw was. Hij poetste hem op met de mouw van zijn labjas — de enige schone plek zat aan de binnenkant — en het stof ging eraf, en daaronder was hij nog precies zo goud als toen. Zestig jaar donker hadden er niets aan kunnen doen.

"Dank je, generaal," zei Krak. Zijn stem deed drie dingen tegelijk en geen ervan was gewoon praten.

Snuf ging rechtop staan en salueerde. De drie jonge ratten deden hem na, waarvan er één omviel.

En Wervel — die op de kastrand zat en alles had gezien, en die nu op nog geen meter afstand was van het glimmendste, goudste, rondste ding dat ooit in dit huis had gelegen — Wervel stal helemaal niets. Hij keek ernaar. Hij boog zijn koppetje een keer, heel licht. Wie Wervel kende, wist wat dat was: dat was zijn diepste buiging.

"Ik zei het toch," zei Krak zacht, tegen niemand in het bijzonder. "Belangrijke dingen komen altijd terug."

✦ ✦ ✦

Ze bleven nog lang in de kleine kamer. Mevrouw Post zou later vragen wat ze die middag toch hadden gedaan, en Pim zou zeggen: "Niks bijzonders", wat de grootste leugen van het jaar was.

Krak haalde een dun kettinkje uit een la (de la met het opschrift KETTINKJES, wat voor zijn doen wonderbaarlijk logisch was), schoof de ring eraan en hing hem om zijn nek, onder de vlinderdas, boven zijn hart. Daarna betaalde hij zijn schulden: de drie jonge ratten kregen elk een blokje kaas, en Generaal Snuf kreeg een hele jonge Goudse, die door zes ratten het muizengat in werd gewerkt op een manier die alle natuurwetten tartte.

"O ja!" riep Krak opeens, halverwege de gang. "De zakken! Nu weet ik het weer!" Hij verdween de uitvinderij in en kwam terug met zijn armen vol flessen Bliksemlimonade, die hij in de jutezak en de zeildoekzak begon te stapelen. "Voor thuis. Voor jullie moeders. Winnende limonade moet je delen, anders wordt hij zuur. Dat is hoofdstuk eenendertig van mijn kladboek."

Bij de deur bleef hij staan. Hij poetste de ring nog één keer op, ook al glom die al, en stopte hem onder zijn kraag. Toen keek hij Pim en Juul aan, en in zijn ogen begon iets te twinkelen wat ze allebei maar al te goed kenden.

"Zo," zei professor Krak. "En nu iets heel anders. Wie van jullie heeft er zin in nog één laatste slok?"

Hoofdstuk Drieëntwintig

De laatste slok

✦ ✦ ✦

Er moest natuurlijk eerst toestemming komen, en die kwam van mevrouw Post, aan de keukentafel, na een heel lang verhaal van professor Krak waarin de woorden "volstrekt veilig", "wetenschappelijk verantwoord" en "picknick" opvallend vaak voorkwamen.

"Eén keer nog," zei Pims moeder ten slotte. Ze keek van de professor naar Pim en weer terug. "Eén keer. En denk erom: boeren na afloop."

"Mevrouw," zei Krak plechtig, "het boeren is bij ons een erezaak."

En zo stonden Pim en Juul die zondagmiddag in de tuin van nummer 15b, terwijl de professor met zijn kladboek — het echte, teruggehaalde, leren Kladboek met het elastiek eromheen — een lijst afwerkte die hij DE VEILIGHEIDSLIJST noemde. Hij las hem hardop voor, want lijsten die je niet hardop voorleest tellen niet.

"Punt één: koekjes." Hij hield een blikje omhoog. "Verse groeikoekjes, gebakken afgelopen woensdag, met gecontroleerde lachtraan van de poffertjesman, die moest huilen van het lachen om zijn eigen nieuwe schort. Punt twee: reservekoekjes." Een tweede blikje. "Punt drie: reserve-reservekoekjes." Een derde blikje, dat hij demonstratief in zijn borstzak stak. "Punt vier: nood-koekje."

Het nood-koekje was het mooiste van allemaal: een kruimel groeikoekje in aluminiumfolie, vastgemaakt aan de poot van Wervel, die daarvoor twee flessendoppen vooruitbetaald had gekregen en er nu bij zat als een pakketbezorger die vindt dat hij te weinig verdient.

"Punt vijf: begeleiding. Ondergetekende blijft groot en houdt alles in de gaten. Punt zes: lijfwacht." Krak wees naar de putdeksel bij het hek, waar Generaal Snuf al klaarzat, medaille om, snorharen strak vooruit, met twaalf ratten in het gelid achter zich. "Punt zeven: het weer." Hij keek omhoog naar het dunne gouden herfstlicht waar oktober patent op heeft. "Uitstekend. Lijst compleet."

Hij pakte de fles. Er zat nog een klein laagje in, giftig groen, met gouden belletjes die traag omhoog kropen, en toen hij de dop eraf draaide rook de hele tuin heel even naar perendrups en onweer.

"De laatste slok," zei Krak. "Voor de laatste keer. En deze keer niet om iets te redden, niet om ergens in te breken, niet omdat het moet." Hij schonk twee vingerhoedjes vol. Echte vingerhoedjes; hij vond glazen zonde. "Maar gewoon — omdat het kan. Dat is namelijk de allerbeste reden die de wetenschap kent."

Pim pakte zijn vingerhoedje. Juul keek naar hem, grijnsde, en klikte haar stopwatch in.

"Proost, Duimpje," zei ze.

"Proost, laarzen," zei Pim.

Ze dronken tegelijk.

FLOEP. FLOEP.

Het kriebelde achter zijn knieën, de wereld schoot omhoog als een raket die vergeten was hem mee te nemen, en drie seconden later stond Pim tot zijn middel in het mos tussen grassprieten zo hoog als vlaggenmasten. Naast hem stond Juul, tien centimeter klein, rode laarzen en al.

"Drie komma nul seconden," zei ze tevreden. "Persoonlijk record."

Boven hen, heel hoog, verscheen het hoofd van professor Krak, groot als een roze luchtballon met een witte wolkenkrans. "Alles in orde daar beneden?" bulderde hij zachtjes. Zachtjes bulderen is heel moeilijk. Hij deed het uit beleefdheid.

"Alles in orde!" riepen twee stemmetjes.

En toen begon de mooiste middag van het hele avontuur.

✦ ✦ ✦

De tuin was in de herfst nog mooier dan in de zomer, als je tien centimeter groot was. De gevallen rabarberbladeren lagen als rode en gele circustenten over het gras, en daaronder was het warm en rook het naar aarde en thee. De ratten hadden onder het grootste blad de picknick al klaargezet: eikeldopjes als kommen, een halve walnootschaal vol appeltaartkruimels (mevrouw Post had gebakken, "voor onderweg", en niet gevraagd hoe groot de kruimels moesten zijn), en in het midden, op een sokkel van drie aan elkaar geplakte flessendoppen, een blokje kaas.

Het werd een feest zoals alleen ratten dat kunnen organiseren. Er werd kruimelgeworsteld (Juul werd derde, en eiste een herkansing). Twee jonge ratten voerden een toneelstukje op waarin één rat heel dun en boos was en de andere hem onder een eikeldopje ving; iedereen herkende het meteen en piepte van het lachen. Generaal Snuf deed nergens aan mee. Hij stond op wacht bij de rand van het blad, met zijn medaille om, en weigerde te ontspannen tot Pim hem persoonlijk een stukje kaas kwam brengen. Toen at hij het op — militair, in drie happen — en stond daarna gewoon weer op wacht, maar je zag aan zijn ene oor dat hij het naar zijn zin had.

Halverwege de middag gingen ze bij Meneer Traag langs. De slak woonde nog precies waar hij in de zomer ook gewoond had, drie tegels verderop, wat voor Meneer Traag neerkwam op wonen in een heel groot land. Hij zat op zijn blad en deed waar hij het beste in was: bijna niets.

"Hij herkent ons," zei Pim.

"Hij herkent waarschijnlijk zichzelf niet eens," zei Juul. Maar ze klopte hem vriendelijk op zijn huisje, en Meneer Traag zwaaide heel langzaam met één voelspriet, wat in slakkentaal van alles kan betekenen, en die middag betekende het duidelijk iets aardigs.

Ze reden een stukje op zijn rug, voor oude tijden. "Eén meter," meldde Juul na een eeuwigheid, "in veertien minuten en negen seconden. Hij is langzamer geworden."

"Hij is in vorm," zei Pim. "Dit is zijn wintersnelheid."

Er was maar één spannend moment, en zelfs dat was eigenlijk een cadeautje. Bij de heg verscheen geluidloos een enorme witte kop met twee gele ogen: Sultan, de kat van de buren, die tien centimeter kind nog altijd beschouwde als iets tussen speelgoed en lunch in. Hij zakte al door zijn voorpoten voor de sprong — en toen zag hij het ontvangstcomité. Generaal Snuf, rechtop, medaille glimmend in de zon. Twaalf ratten in slagorde. Wervel, die op de schutting kwam aanzeilen en er eens goed voor ging zitten. En helemaal achteraan het reusachtige hoofd van professor Krak, dat vriendelijk zei: "Ik zou het niet doen, beste kater."

Sultan keek één keer naar Snuf. Snuf keek terug, en tikte met zijn achterpoot iets kort en dreigends op de tegel. Wat het betekende wilde Juul niet vertalen waar de jongere ratten bij waren.

Ergens diep in Sultans kattenhoofd werd toen iets verstandigs gedacht — het gebeurde daar niet vaak, maar het gebeurde — en hij draaide zich om, ging demonstratief drie tuinen verderop liggen en begon zich te wassen alsof dat altijd al het plan was geweest.

"Vier komma vier seconden," zei Juul. "Zo snel heeft een kat nog nooit van gedachten veranderd."

✦ ✦ ✦

En toen, toen de zon laag stond en de lucht boven Grommerdam oranje werd als limonade waar je niet aan mag komen, kwam het mooiste.

Wervel landde midden op het picknickblad — de ratten stoven beledigd uiteen — en boog zijn rug. Krak had het zadeltje al vastgemaakt: een lapje leer met twee lussen, plus het nood-koekje aan de poot. Pim klom voorop, Juul achterop, armen om zijn middel.

"Eén rondje," zei het verre hoofd van de professor. "Het góéde rondje. Hij weet de weg."

Wervel zette af.

Eerst kwam de misselijkmakende zwiep waarbij je maag ergens bij je enkels blijft hangen — en toen waren ze los, boven de heg, boven de rabarber, boven het schuine dak van 15b, en heel Grommerdam vouwde zich onder hen open in het avondlicht.

Ze vlogen over de Dwarsstraat, waar de lantaarns net aangingen, één voor één, alsof iemand kralen aan een ketting reeg. Nummer 11 had licht in de keuken; heel klein zag Pim zijn moeder staan, aan het aanrecht, en hij zwaaide, ook al kon ze onmogelijk een jongen van tien centimeter op een ekster zien. Ze keek net op dat moment naar buiten. Je weet nooit alles, met moeders.

Ze vlogen over het kanaal, dat in de laatste zon een lint van goud was, precies zoals goud eruit hoort te zien en bijna nooit uitziet. Over de Grote Markt, waar in de goten nog steeds hier en daar een snipper festivalconfetti glinsterde, en waar de frietkraam van Ludo een warme gele stip was met een geur die zelfs op vlieghoogte langskwam. Ludo zelf stond ervoor en zwaaide naar de ekster, gewoon voor de zekerheid, want je wist tegenwoordig maar nooit wie erop zat.

Ze vlogen langs de Scheve Sint, zo dichtbij dat ze de haan op de torenspits konden aanraken. De oude kerk helde, zoals altijd, alsof hij net iets grappigs had gehoord en opzij boog om het aan de huizen naast hem door te vertellen.

En helemaal aan de rand van de stad stond de fabriek, hemelsblauw met geschilderde bubbels, ramen vol licht, en zelfs die zag er vanavond uit als iets om blij van te worden.

Pim keek naar beneden en dacht aan het begin. Aan de deurpost, en het potloodstreepje, en één meter vierentwintig. De stad daar beneden was ooit te groot geweest — te grote jongens, te grote woorden, te grote wereld. Nu lag ze onder hem als iets wat je in twee handen kon houden. En het gekke was: hij wist dat het morgen weer andersom zou zijn, dat hij weer gewoon de kleinste van groep zeven zou zijn die tegen iedereen op moest kijken. Het kon hem niets meer schelen. Grommerdam had precies de goede maat. Hij ook.

"Waar denk je aan?" riep Juul tegen de wind in.

"Nergens aan," riep Pim terug. "Aan alles."

"Dat dacht ik al," zei Juul, en ze klikte, heel zachtjes, haar stopwatch uit. Sommige dingen wilde zelfs zij niet meten.

Wervel maakte nog één extra rondje boven de markt. Dat hoefde niet van de route. Hij deed het gewoon.

✦ ✦ ✦

De landing in de tuin was zoals alle landingen van Wervel: technisch gezien een botsing, maar wel een zachte. Ze rolden door het mos, kwamen lachend overeind, en daar stond de professor al klaar met het blikje.

"Dames en heren," zei hij, "het slotnummer."

Ze kregen elk een kruimel groeikoekje, vers, hard, goudbruin, ruikend naar oma's zolder. Ze aten hem tegelijk, want na alles wat er gebeurd was deed je zoiets samen.

Het bekende gevoel borrelde omhoog, van heel diep, als een onderzeeër die haast heeft.

BOEEEER! BOEEEER!

De dubbele terugboer rolde over de Dwarsstraat, ketste af tegen de gevels, en drie straten verderop zei een mevrouw tegen haar man dat het toch wel weer eens ging onweren.

KA-DOEM. KA-DOEM.

En daar stonden ze, groot en wel, hijgend en grijnzend in het donker wordende gras. Krak klapte. "Een acht komma vijf," oordeelde hij. "De echo telt mee. Het blijft," voegde hij er tevreden aan toe, "óók de honderdste keer een schitterend geluid."

Daarna gebeurde er iets plechtigs. De professor pakte de fles en hield hem schuin boven een piepklein flesje, niet groter dan een pink. Er kwamen nog precies drie druppels uit, giftig groen, met in elke druppel één gouden belletje. Hij deed er een dopje op, verzegelde het met kaarsvet, en schreef met zijn kleinste pen op een etiketje:

VOOR ALS HET ECHT NODIG IS

Het flesje ging in de kast. Niet zomaar een kast: dé kast, achter in de uitvinderij, met zeven sloten, die Krak speciaal voor deze gelegenheid had gemaakt. Het afsluiten ging met zeven sleutels, zeven keer knars-klik, van groot naar klein.

"Ziezo," zei Krak. "Veiliger kan niet." Hij deed de zeven sleutels in zijn linkerzak, toen in zijn rechterzak, en legde ze ten slotte "ergens waar ik het onthoud".

Drie minuten later was hij ze kwijt.

Ze zochten met zijn drieën de halve uitvinderij door, tussen de trechters en onder de sokkensorteermachine, terwijl Wervel op de kast van de zeven sloten zat en zó onschuldig voor zich uit keek dat iedereen meteen wist waar minstens één sleutel was.

"Laat maar," besloot Krak ten slotte opgewekt. "Een kast die zelfs ík niet open krijg — dat is pas veilig. Dat is trouwens hoofdstuk negenenveertig van mijn kladboek: het beste slot is een verstrooide eigenaar."

Hij bracht ze naar het hek. De eerste sterren stonden al boven de rabarber, en uit de keuken van nummer 11 kwam de geur van avondeten.

"En daarmee," zei de professor tevreden, "is dit avontuur officieel voorbij."

Maar professors vergissen zich weleens.

Hoofdstuk Vierentwintig

Het volgende experiment

✦ ✦ ✦

En toen werd het lente in Grommerdam.

De kastanjes op de Grote Markt staken hun witte kaarsen aan, het kanaal rook weer naar water in plaats van naar winter, en in de tuin van Dwarsstraat 15b kwam de rabarber uit de grond met een snelheid die je bijna kon horen. Juul had gemeten dat de grootste plant elf centimeter per dag groeide. "Dat is sneller dan ik," had ze gezegd, met iets van respect.

Het leven was goed, en het was op een prettige manier gewoon geworden.

In het postkantoor hing de voorpagina van de Grommerdamse Courant in een gouden lijst — KLEINSTE HELD VAN GROMMERDAM, met daaronder een foto van Pim en Juul op het podium — en mevrouw Post had hem zó gehangen dat je er onmogelijk langs kon lopen zonder hem te zien. De meeste klanten kregen hun postzegels pas nadat ze de foto hadden bewonderd. Sommigen bewonderden hem inmiddels voor de veertigste keer, maar dat hielden ze wijselijk voor zich.

Brigadier Klos gaf elke dinsdagavond een lezing in het buurthuis, getiteld "Hoe ik de Prikkel-zaak oploste". De lezing duurde twee uur en Klos kwam er zelf in voor als hoofdpersoon, speurder, held én verrassingsgetuige. Op de vraag hoe hij alles zo vroeg had doorzien, antwoordde hij steevast: "Dat wist ik allang." Er kwamen elke week minder mensen, en dat vond Klos alleen maar een bewijs dat de zaak was opgelost.

Ludo's frietkraam had er een tweede bakwand bij, de ratten onder de markt hadden er blijkens het Frietverdrag een glanzende vacht aan overgehouden, en op school gebeurde in maart iets wat Pim nooit had zien aankomen. Boris kwam naar hem toe, haalde zijn map met voetbalplaatjes tevoorschijn en schoof er één over de tafel: de zilveren keeper. Het zeldzaamste plaatje van het hele land. Boris had er twee jaar over gedaan om hem te krijgen.

"Ruilen," zei Boris.

"Waartegen?" vroeg Pim voorzichtig.

"Tegen niks. Ruilen tegen niks."

Dat sloeg nergens op, en het was tegelijk volkomen duidelijk. Pim zocht in zijn zak, tussen het touwtje en de knikker, en vond zijn halve koekje. Hij legde het naast de zilveren keeper. "Dan ruil ik ook tegen niks," zei hij. Boris at het koekje in één hap op, knikte tevreden, en daarmee was de belangrijkste transactie van groep zeven gesloten.

✦ ✦ ✦

Op een zaterdag in april klonk er om tien voor elf een KNAL uit de tuin van nummer 15b, gevolgd door een wolk rook die niet paars was, zoals vroeger, maar goudgeel.

Pim en Juul stonden binnen dertig seconden bij het hek. Sommige geluiden zijn een uitnodiging.

"Piet!" riep professor Krak toen ze de uitvinderij binnenkwamen. "Puk! Parapluutje! — Pim en Juul!" Hij straalde. "Ik wist het bijna meteen. Kom binnen, kom binnen, en raak vooral niets aan wat plakt."

Er plakte nogal veel. Midden op de werkbank stond een grote glazen pot met goudgele stroop, dik en traag, met heel af en toe een belletje dat niet omhóóg ging, zoals belletjes horen te doen, maar omlaag. Op het etiket stond in spinnig handschrift:

VLIEGSTROOP — proef 1 t/m 39: mislukt. Proef 40:

Daarachter stond niets. Dat beloofde wat.

"Dames en heren," zei Krak, en hij pakte een theelepeltje. "Al eeuwen droomt de mens ervan te vliegen. Vliegtuigen: te groot. Ballonnen: te langzaam. Eksters: te eigenwijs." (Wervel, op de kast, deed beledigd zijn ogen dicht.) "Maar niemand — níémand — heeft ooit gedacht aan het ontbijt. Waarom vliegen leren als je het kunt smeren? Eén boterham met vliegstroop, en de zwaartekracht is de rest van de ochtend vrij."

Hij doopte het lepeltje in de pot en hield het omhoog.

Het lepeltje was het er niet mee eens dat het werd vastgehouden. Het trok zich rustig maar beslist los uit Kraks vingers, steeg op, wentelde één keer sierlijk om zijn as, en dreef naar het plafond, waar het tegen een balk tikte en bleef hangen als een heel klein zilveren zeppelinnetje.

"Aha," zei Krak.

Toen begon de pot te wiebelen.

"O jee," zei Krak.

De pot kwam los van de werkbank, statig als een opstijgende maan, en zweefde omhoog met deksel en al. En omdat er stroop langs de buitenkant was gelopen, en omdat die stroop aan de werkbank had gezeten, kwam er ook een hoek van de werkbank omhoog. De tafel helde. Drie reageerbuisjes gleden in slow motion naar de rand. Juul ving ze op — één, twee, drie — zonder haar ogen van de vliegende pot af te halen.

En toen zag Wervel het lepeltje.

Een glimmend, zilver, zwevend lepeltje, onbewaakt, op plundervlieghoogte. Wervel schoot van de kast als een zwart-witte pijl. Het lepeltje, dat door de luchtstroom in beweging kwam, dreef speels opzij. Wervel miste, keerde, dook opnieuw. Het lepeltje wentelde weg achter een balk. Wat volgde was de eerste luchtachtervolging in de geschiedenis van Grommerdam tussen een ekster en een stuk bestek, en het bestek lag op punten voor.

"Professor," zei Pim, "de pot."

Maar de professor had de pot zelf willen pakken, en daarbij had hij zijn hand vol stroop gekregen, en wie één hand vol vliegstroop heeft, heeft al snel twee handen vol vliegstroop, want dat spul plakt. Professor Krak steeg op. Langzaam, waardig, met wapperende labjas, als een heel oude engel die zijn diploma nog moet halen. Hij kwam met zijn rug tegen het plafond terecht, draaide traag om zijn as en bleef ondersteboven tussen de balken hangen, met zijn haar naar beneden als een witte kwast.

Hij straalde.

"Zoals jullie zien," zei hij ondersteboven, "werkt het uitstekend. Er zijn nog een paar kleine probleempjes. De landing, bijvoorbeeld. En het sturen. En het stoppen. En" — het lepeltje zoefde langs zijn oor, op de hielen gezeten door een ziedende ekster — "het bestek. Maar het principe! Het principe is af!"

"Hoe komt u naar beneden?" vroeg Pim.

"Uitgewerkte vraag. De stroop is na een uurtje uitgewerkt. Denk ik. Dat is hoofdstuk één van mijn nieuwe kladboek, en dat hoofdstuk is nog niet af." Hij wees, ondersteboven en stralend, naar de pot, die zachtjes tegen het plafond dobberde. "Maar genoeg over mij. Er is stroop over. Er zijn lepeltjes over. En het is toevallig precies het goede weer om het plafond te leren kennen."

✦ ✦ ✦

Pim keek naar Juul. Juul keek naar Pim.

Ze wisten allebei precies wat dit was. Dit was het moment waarop verstandige mensen "nee" zeggen en naar huis gaan. Ze hadden een heel avontuur achter de rug. Ze waren opgejaagd door een kat, beschoten met een vliegenmepper, door een buizenpost geschoten en bijna voor eeuwig klein gebleven. Ze wisten beter dan wie ook in Grommerdam wat er gebeurt met kinderen die "ja" zeggen tegen een professor met een nieuwe uitvinding.

"Nee," zei Pim.

"Echt niet," zei Juul.

Ze klikte haar stopwatch in.

Boven hun hoofden dreef het lepeltje een rustig rondje, met Wervel er hijgend achteraan. De pot dobberde tegen een balk: tok… tok. De professor hing ondersteboven te grijnzen als een verjaardag. Door het raam scheen de lentezon op de goudgele stroop, en die glansde alsof hij wist hoe lekker hij was.

"…Nou ja," zei Pim. "Eén lepeltje dan."

"Eén lepeltje," zei Juul, en klikte haar stopwatch uit. "Vier komma zes seconden. Precies."

Waar hadden ze die tijd eerder gehoord? Ach ja. Sommige getallen komen altijd terug.

Ze pakten elk een lepeltje — Juul plukte het vluchtende exemplaar gewoon uit de lucht, tot diepe verontwaardiging van Wervel — en doopten ze in de pot, en proefden.

De stroop smaakte naar honing, en naar zomer, en heel in de verte naar wolken. De vloer liet hen los, zo zachtjes dat het leek of de vloer het zelf jammer vond. Ze stegen op tussen de trechters en de slingers en de sokkensorteermachine door, langzaam wentelend, en hun hoofden botsten zachtjes tegen het plafond van de uitvinderij, precies tussen de dobberende pot en een ondersteboven hangende professor in.

"En?" riep Krak. "Hoe is het daarboven?"

Pim deed zijn mond open om antwoord te geven.

Er kwam een boertje uit. Een kleintje maar.

"Nul komma zeven seconden," zei Juul.

"Perfect," zei de professor.

En dat kleine boertje, hoog boven de vloer van de uitvinderij, in de lentezon, was het allerlaatste geluid van dit verhaal.

Einde
Geschreven voor firdaws.me · Boek 2 · Alle personen, ratten en limonades in dit boek zijn verzonnen.