✦ ✦ ✦

De Magische
Chocoladereep & Tom

Een avontuur in tien hoofdstukken
Een verhaal voor jonge avonturiers

Inhoud

  1. Tom Vermeer1
  2. De Zoete Schemering2
  3. Het Eerste Stukje3
  4. Sanne van de Overkant4
  5. Het Geheim Ontvouwt Zich5
  6. De Man in de Grijze Jas6
  7. De Lange Achtervolging7
  8. Wat Tom Vergat8
  9. De Echte Magie9
  10. Wat Daarna Kwam10
Hoofdstuk Een

Tom Vermeer

✦ ✦ ✦

Tom Vermeer was tien jaar oud en wenste die dinsdagochtend dat hij nog tien minuten in bed mocht blijven. Misschien wel tien dagen. Misschien wel tot na de gymles, na het rekenproefwerk, en eigenlijk tot voorbij de hele maand november, die buiten zijn raam grijs en regenachtig was begonnen.

"Tom! Je ontbijt staat klaar!" riep zijn moeder voor de derde keer vanaf de trap.

Bij het horen van zijn naam blafte Wafel, een grote bruine hond met flapperende oren en een nog flapperender tong. Wafel sliep elke nacht aan het voeteneind van Toms bed en vond elke ochtend opnieuw uit dat Tom de allerleukste persoon in de wereld was. Tom kreunde, gooide het dekbed van zich af, en Wafel sprong meteen tegen hem aan met zoveel enthousiasme dat ze allebei bijna op de grond belandden.

"Goed, goed," lachte Tom zachtjes. "Ik kom al."

Hij was groot voor zijn leeftijd. Niet langer dan de andere kinderen in zijn klas, maar wel breder. Zijn moeder noemde hem 'stevig'. Zijn oma noemde hem 'lekker mollig'. Zijn opa, die vroeger zeeman was geweest en de hele wereld had rondgevaren, zei altijd dat er nooit een goede avonturier had bestaan zonder een tweede portie pannenkoeken. Maar op het schoolplein hadden ze andere woorden voor hem. En die woorden, hoe kort ze ook waren, deden veel meer pijn dan ze zouden mogen doen.

Beneden in de keuken zat zijn moeder al achter haar laptop, met een dampende mok koffie naast zich. Op het houten dienblad lag een sneetje bruin brood met chocoladepasta, een appel die in vier nette stukjes was gesneden, en een glas melk waar het zonlicht door scheen alsof het vloeibaar parelmoer was.

"Goedemorgen, schat. Slecht geslapen?"

"Het ging wel," zei Tom, wat een hele kleine leugen was. Hij had wakker gelegen tot bijna middernacht, denkend aan de gymles van vandaag. Hij haatte gymles. Vooral de klimrek. Vooral de touwen. Vooral als juf Bregman riep: "Kom op, Tom, een beetje doorzetten!" alsof hij niet allang met al zijn kracht aan het doorzetten was.

"Wafel heeft de hele ochtend naar je trap zitten staren," zei zijn moeder met een glimlach. "Volgens mij weet hij dat er vandaag iets bijzonders staat te gebeuren."

Tom keek naar Wafel, die met zijn enorme bruine ogen omhoog staarde alsof Tom het allerbelangrijkste in zijn hele wereld was — en dat was hij ook. Wafel was Toms beste vriend. Eigenlijk Toms enige vriend, als hij eerlijk was.

"Wafel denkt dat ik elke dag iets bijzonders meemaak. Wafel is een hond."

"Honden weten meer dan wij denken," zei zijn moeder geheimzinnig, en ze knipoogde. "Eet je brood op. En vergeet je sjaal niet, het is koud."

✦ ✦ ✦

Het schoolplein lag onder een laag mistige regen, het soort regen die niet echt valt maar gewoon overal hangt. Tom liep met zijn rugzak hoog op zijn schouders door het hek. Hij hield ervan om als eerste te komen, want dan kon hij ongezien naar binnen schieten, voor de andere kinderen er waren.

Maar vandaag was hij niet de eerste. Vandaag stonden Bas en Jonas al onder het afdak.

"Daar is hij!" riep Bas. Bas was de langste jongen van groep zeven en hij wist het. "Tom Patatkop! Heb je vannacht weer de hele koelkast leeggegeten?"

Tom voelde zijn wangen warm worden. Hij liep door alsof hij niets had gehoord, maar zijn schoenen leken plotseling tweemaal zo zwaar. Hij had geprobeerd te leren hoe je niet kon luisteren naar wat mensen zeiden. Het werkte nooit.

"Hé! Tom!" Jonas rende achter hem aan. "Mijn vader zegt dat als je groep zeven niet kunt klimmen, je niet eens groep zeven mag heten."

"Laat me met rust," zei Tom zachtjes, zonder zich om te draaien.

"Wáát zeg je?" lachte Bas. "Kunnen we je niet verstaan? Spreek eens harder!"

Op dat moment ging de bel. Tom dook de hal in. Hij wilde dat hij onzichtbaar was. Dat hij door muren kon lopen. Dat hij Bas en Jonas op een hoge tak kon zetten zoals zijn opa de katten van de buurvrouw weleens op een hoge tak zette — niet om hen pijn te doen, gewoon om te laten zien dat hij sterker was dan zij dachten.

✦ ✦ ✦

De dag duurde, zoals slechte dagen altijd doen, ongeveer drie keer zo lang als normale dagen. Bij rekenen ging het nog wel. Tom was goed in rekenen, vooral in breuken, en juf Mulder gaf hem een stickertje. Maar bij gym was er de klimrek. En bij geschiedenis stootte Bas 'per ongeluk' tegen zijn arm tijdens het schrijven, zodat zijn schrift vol inkt zat. En bij de pauze ging hij maar alleen op het bankje achter het schuurtje zitten, met zijn boek over Vikingen.

Hij hield van boeken over Vikingen. Hij hield van boeken over piraten. Hij hield van boeken over jongens die de wereld redden en grote bergen beklommen en draken versloegen met niets meer dan een zwaard en een goed idee. Het waren bijna nooit jongens zoals hij. Maar in zijn hoofd waren ze dat wel.

Toen de schoolbel om kwart over drie ging, was Tom de eerste die door het hek liep. Hij koos vandaag een andere weg naar huis. Niet langs het park, waar Bas en Jonas voetbalden. Hij zou een omweg maken door de oude wijk, langs de Krombachstraat, waar de huizen scheef stonden en de stoeptegels los lagen. Het was tien minuten verder, maar het was tien minuten veilig.

Hij wist niet, terwijl hij zijn capuchon over zijn natte haar trok, dat die omweg de belangrijkste beslissing van zijn hele leven zou worden.

Hoofdstuk Twee

De Zoete Schemering

✦ ✦ ✦

De Krombachstraat was vreemder dan Tom zich herinnerde. Hij was er weleens met opa langsgelopen, toen ze samen naar de bibliotheek waren gegaan, maar toen had de zon geschenen en hadden ze gepraat over schepen. Vandaag, in de schemering van een natte novembermiddag, leek de straat uit een ander boek te komen. De huizen leunden tegen elkaar als oude vrienden die elkaar steunden. De vensters waren klein en goudkleurig verlicht. Boven elke deur hing een ander bord: een kromme schaar boven een kapper, een gouden brilletje boven een opticien, en daar — daar was iets dat Tom helemaal niet eerder had gezien.

Een houten uithangbord, donker van ouderdom, met daarop in sierlijke gouden letters geschreven:

De Zoete Schemering
— Chocolatier sinds altijd —

Tom bleef staan. De winkel had één enkel raam, niet groter dan een poster, en daarachter was het zo donker dat hij niets kon zien — behalve één ding. Eén ding dat zachtjes, als een sterretje aan de hemel, gloeide.

Het was een chocoladereep. Hij lag op een kussentje van rood fluweel, in het midden van de etalage. Hij was niet bijzonder groot — net zo groot als de repen die Tom kende uit de supermarkt — maar er klopte iets niet aan. Hij gloeide. Niet als een lamp, niet fel, maar zoals warm goud gloeit wanneer de zon eraan komt. Alsof er een klein vuurtje in zat dat heel diep en heel rustig brandde.

Tom voelde, voor het eerst die hele dag, geen verdriet. Hij voelde nieuwsgierigheid. En nieuwsgierigheid is een van de allerbeste gevoelens, want het is het tegenovergestelde van bang zijn.

Hij duwde tegen de deur. Een belletje boven zijn hoofd rinkelde — niet 'ting-ting' zoals normale winkelbellen, maar een kleine, kristallen melodietje van vijf noten, alsof iemand op een piepklein piano-tje had gespeeld.

Binnen rook het zo lekker dat Tom zijn ogen even sloot. Het rook naar warme chocolade en gebrande noten en sinaasappelschil, en heel zachtjes, ergens onderin, ook naar vanille en oude boeken. De winkel was klein. Eén toonbank van donker hout. Drie planken aan de muur met glazen potten vol bonbons en truffels en geverfde lolly's. En achter de toonbank, op een houten kruk, zat een vrouw.

Ze was de oudste vrouw die Tom ooit had gezien. Haar haar was zilverwit en in een lange vlecht over haar schouder gelegd. Haar ogen waren bruin, niet dof bruin maar dat warme bruin dat chocolade heeft als je hem laat smelten. Ze droeg een schort vol oude vlekken, en op haar borst hing een gouden ketting met een hangertje in de vorm van een sleuteltje, niet groter dan een rijstkorrel.

"Aha," zei ze, en ze keek op alsof ze hem al verwacht had. "Daar ben je dan."

Tom keek achter zich. Er was niemand anders.

"Bedoelt u mij?"

"Wie anders?" Haar stem was vriendelijk en een beetje kraakte, als een goed boek dat al vaak gelezen was. "Ik ben Mevrouw Marsepein. En jij, denk ik, bent Tom."

"H— hoe weet u dat?"

Mevrouw Marsepein glimlachte zo'n glimlach die helemaal door haar gezicht heen liep, tot in haar wenkbrauwen aan toe. "Mijn jongen, ik weet veel dingen. Dat komt ervan als je heel oud bent en heel weinig praat. Kom binnen. Sluit de deur. Het tocht."

Tom deed wat ze zei. De winkel voelde plotseling warmer aan, alsof er ergens een haardvuur brandde dat hij niet kon zien.

✦ ✦ ✦

"Wat is dat voor reep?" vroeg Tom, en hij wees naar de etalage. "Die — die gloeit."

"Aha." Mevrouw Marsepein knikte langzaam, alsof hij iets heel slims had gezegd. "Dat heb je goed gezien. Dat is een Schemerreep. Heel zeldzaam. Ik maak er ongeveer één per honderd jaar."

"Eén per honderd jaar?"

"Misschien twee. Het hangt ervan af of de kakaobonen meewerken." Ze stond op van haar kruk. Ze was kleiner dan Tom had gedacht — niet veel groter dan hij zelf. "En weet je voor wie ik die laatste heb gemaakt?"

Tom schudde zijn hoofd.

"Voor jou." Ze zei het alsof ze het over het weer had. "Daarom is hij hier."

"Voor mij? Maar — u kent me niet eens."

"Niet echt, nee." Ze schuifelde naar het raam, pakte het rode kussentje voorzichtig op alsof er een slapend vogeltje op lag, en kwam terug. "Maar de Schemerreep kent jou. Hij heeft op je gewacht. Ik wist alleen niet wanneer je zou komen. Vandaag, dus. Een dinsdag in november. Hm. Goed om te weten."

Ze legde het kussentje op de toonbank. Tom keek naar de reep. Hij gloeide nu iets sterker, alsof hij blij was. De wikkel was van bruin papier, zacht en oud, met daarop in dezelfde gouden letters als boven de winkel: De Zoete Schemering.

"Mag ik 'm aanraken?"

"Hij is van jou, jongen. Je mag hem doen wat je wil."

Voorzichtig pakte Tom de reep op. Hij was warm. Niet heet — warm, zoals een hand die net uit een wante komt. En hij was zwaarder dan hij eruitzag.

"Hoeveel kost hij?" vroeg Tom verlegen. Hij had drie euro in zijn jaszak. Hij hoopte dat het genoeg was.

"Niets." Mevrouw Marsepein hief haar hand op voor hij kon protesteren. "Hoor goed. Eén regel, Tom. Slechts één. Er zitten zeven stukjes in deze reep. Zeven, geen acht, geen zes. Je mag ze opeten, één voor één, wanneer je wilt. Maar —" en hier ging haar stem zachter — "je mag er nooit, nooit, een stukje vanaf snijden om voor iemand anders te bewaren. En je mag hem nooit aan iemand verkopen. Magie wordt zuur als er geld bij komt kijken. Snap je dat?"

Tom knikte, hoewel hij eerlijk gezegd helemaal niets snapte. Magie? Ze sprak over magie alsof het iets gewoons was, zoals melk, of huiswerk.

"En de zevende, Tom. De zevende stuk." Ze keek hem doordringend aan. "Daar moet je goed mee oppassen. De zevende is de belangrijkste. Niet voor jou. Voor iemand anders."

"Voor wie?"

"Dat weet ik niet. Dat weet jij ook nog niet. Maar als het moment komt, dan zul je het weten. Dat is alles." Ze knikte zoals iemand knikt die een lange brief net heeft afgesloten. "Ga nu. Het wordt donker, en je moeder maakt zich zorgen."

Tom liep half achteruit naar de deur, de reep stevig in zijn beide handen.

"Mevrouw Marsepein?"

"Mhm?"

"Waarom ik?"

De oude vrouw glimlachte weer, en dit keer was het een trieste glimlach, en een lieve, allebei tegelijk. "Omdat je 't nodig hebt, jongen. En omdat — geloof het of niet — je 'r meer mee kunt dan je nu weet."

De belletje rinkelde toen hij naar buiten stapte. De regen was opgehouden. De lucht boven de daken was paars geworden, met één enkele ster boven de schoorstenen.

Tom keek nog één keer om. De winkel was er nog. Het bord was er nog. Maar in het raam stond nu geen kussentje meer. Alleen leegte.

Hoofdstuk Drie

Het Eerste Stukje

✦ ✦ ✦

Tom rende bijna naar huis. Hij had de reep diep in zijn jaszak gestopt en hield zijn hand er de hele weg overheen, alsof hij bang was dat hij anders zou wegvliegen. De straatlantaarns gingen één voor één aan terwijl hij langs ze rende, en hij voelde zich, voor het eerst in lange tijd, alsof er iets ging gebeuren. Iets dat van hem was. Iets dat Bas en Jonas niet hadden.

Thuis stond zijn moeder al in de keuken met een schort om. Het rook naar uien en bouillon.

"Daar ben je! Ik begon me zorgen te maken. Was de bus laat?"

"Ik ben gelopen," zei Tom snel. "Door de Krombachstraat."

"O? Da's een omweg."

"Ik wilde de lucht."

Zijn moeder keek hem aan met die blik die moeders hebben, de blik die zegt: ik weet dat er meer aan de hand is, maar ik ga er niet naar vragen. Niet nu. "Ga maar even boven je huiswerk doen. Het eten is over een halfuur."

Tom rende de trap op met twee treden tegelijk, iets wat hij eigenlijk nooit deed omdat de derde tree krakte. Maar vandaag was geen gewone dag. Wafel kwam achter hem aan met dolle sprongen, alsof hij wist dat er iets bijzonders was. Honden weten dingen. Misschien had zijn moeder daarin gelijk.

Op zijn kamer deed hij de deur dicht. Hij ging op zijn bed zitten, met Wafel zwaar tegen zijn been geleund, en haalde de reep tevoorschijn.

In het zachte licht van zijn bureaulamp gloeide hij nog steeds. Niet veel, niet fel, gewoon — alsof hij ademhaalde.

Tom rolde voorzichtig het bruine wikkelpapier open. Eronder zat de chocolade, en die zag eruit zoals chocolade eruit moet zien: donker, glanzend, in zeven vakjes verdeeld door dunne lijnen. Op elk vakje stond een klein symbooltje in nog donkerder chocolade ingeperst. Een rennend persoontje. Een hand. Een veer. Een sleuteltje. Een oog. Een vlam. En het zevende — het zevende was leeg. Geen symbool. Alleen glad.

"Wat denk je, Wafel?" fluisterde Tom. "Zou ik er eentje moeten proeven?"

Wafel kwispelde driftig. Voor Wafel was het antwoord op de vraag "Zou ik dat moeten eten?" altijd ja.

Tom haalde diep adem. Hij brak het eerste vakje af — dat met het rennende persoontje. Het stukje brak schoon af, alsof het wist waar het mocht breken. Hij hield het even tussen zijn vingers, en zonder verder na te denken, voor hij ervoor kon weglopen, stopte hij het in zijn mond.

De chocolade smolt onmiddellijk. En oh — oh, wat was hij lekker. Hij smaakte naar van alles tegelijk: naar diepe pure chocolade, en naar een vleugje karamel, en naar iets bloemigs zoals viooltjes, en op het eind, helemaal aan het eind, naar warme melk met honing zoals oma die maakte op koude avonden.

Tom slikte. Hij zat doodstil op zijn bed.

"Hm," zei hij hardop, een beetje teleurgesteld. "Lekker."

Was dat alles? Hij wist niet wat hij had verwacht. Misschien dat hij in een draak zou veranderen. Of in een vliegende jongen. Maar hij voelde — hij voelde niets bijzonders. Gewoon de smaak van de allerlekkerste chocolade die hij ooit geproefd had.

En toen, in zijn kuiten, voelde hij het. Een prikkeling. Alsof er heel kleine sterretjes door zijn benen liepen. Het kriebelde in zijn dijen, in zijn knieën, in zijn enkels. Het was niet onaangenaam. Het was alsof zijn benen iets wilden. Iets doen.

Wafel sprong van het bed af, blafte één keer, en rende naar de deur.

"Wat is er, jongen?"

Wafel keek hem aan, knipperde, en blafte weer. Het was Wafels manier om te zeggen: opschieten.

✦ ✦ ✦

Beneden riep zijn moeder dat ze even snel naar de buren moest, of Tom op het eten wilde letten. Dat was de gelegenheid. Tom trok zijn jas weer aan, deed Wafel zijn riem om, en stapte naar buiten.

"We gaan even een rondje," zei hij. "Heel snel."

Hij wist niet waarom hij dat zei. Hij wist niet waarom zijn benen, daar net nog moe van het schoolplein, nu zo wilden bewegen. Maar ze wilden, en hij liet ze.

Tom rende. Hij rende eerst voorzichtig, want hij hield niet van rennen. Hij was nooit een renner geweest. Op school werd hij altijd hijgend laatste in de cooper-test, met de juf die hem aanmoedigde alsof hij een puppy was die op zijn eerste stapjes leerde lopen.

Maar nu — nu was het anders. Zijn voeten raakten de stoep en stuiterden meteen weer omhoog, alsof de stoep zelf zacht was geworden. Hij ademde in en het was niet zwaar. Hij ademde uit en hij was twee huizen verder. Wafel rende naast hem, met zijn tong uit zijn bek, en — en Wafel had moeite om hem bij te houden!

"Wáát is dit?" lachte Tom hardop. Hij rende sneller. De rij huizen schoot voorbij. De koplampen van een auto wreven over zijn gezicht. Hij rende langs de bakker, langs het pleintje met de fontein die in de winter altijd uitstond, langs de stoep waar hij vorig jaar gevallen was op zijn knie.

Hij voelde zich licht. Niet 'minder zwaar'. Gewoon licht, alsof het verschil tussen zijn voeten en de wolken er ineens niet meer toe deed. Hij voelde zich snel — niet alleen sneller dan normaal, maar zoals een vis snel is in water, of een vlieger snel is in de wind. Alsof rennen iets was waarvoor hij gemaakt was.

Hij rende een hele rondje door de wijk. Twee rondjes. Drie. Wafel kwam huilend van bewondering hijgend achter hem aan, en uiteindelijk bleef Tom staan op het pleintje, met zijn handen op zijn knieën — niet omdat hij moe was, maar omdat hij niet wist hoe je stopt als je benen nog meer willen.

"Wafel," fluisterde hij, en zijn ogen schitterden in het lantaarnlicht. "Wafel, ik denk dat we echt iets bijzonders hebben."

Wafel keek op naar hem, en deed iets wat honden eigenlijk niet kunnen doen. Hij glimlachte.

✦ ✦ ✦

Die avond, toen Tom in bed lag, lag de reep onder zijn kussen. Hij voelde de warmte ervan door de stof heen. Zes stukjes nog. Zes geheimen. Hij wist niet wat ze zouden doen. Maar voor het eerst sinds heel lange tijd was hij niet bang voor morgen. Hij was nieuwsgierig.

Buiten zijn raam, hoog boven het dak, bleef die ene ster — dezelfde die hij gezien had toen hij uit de winkel kwam — naar hem knipogen. Alsof hij ook wist dat de wereld vanaf nu een beetje anders zou zijn.

Hoofdstuk Vier

Sanne van de Overkant

✦ ✦ ✦

De volgende ochtend werd Tom wakker met het gevoel dat hij iets vergeten was. Niet iets slechts — iets goeds. Iets waarvan hij blij was dat het er nog was. En toen herinnerde hij het zich. De reep. De winkel. Het rennen. Zijn hart maakte een sprongetje, en hij stak meteen zijn hand onder zijn kussen. Daar lag hij. Warm. Wachtend.

Hij wilde er meteen weer een stukje van eten. Maar iets in hem zei: nog niet. Iets dat klonk als de stem van Mevrouw Marsepein, ergens diep in zijn geheugen. Eén voor één. Wanneer je het nodig hebt.

Hij stopte de reep zorgvuldig in een oude blikken trommel die ooit speculaaskoekjes had bevat, met een deksel dat klikte als hij dichtging. De trommel stopte hij achter zijn boekenrij, naast zijn lievelingsboeken over piraten. Dat leek hem een goede plek. Daar zouden alleen Tom en Wafel hem ooit zoeken.

Beneden in de keuken zag zijn moeder hem aan met opgetrokken wenkbrauwen.

"Heb je goed geslapen? Je ogen zien er anders uit."

"Hoezo anders?"

"Vrolijker." Ze schonk melk in zijn glas. "Goed."

Op weg naar school nam Tom voor het eerst sinds een hele tijd de gewone route. Niet door de Krombachstraat. Hij wilde Bas niet ontwijken vandaag. Niet dat hij ineens een groot held was geworden — hij wist heel goed dat hij geen held was — maar hij voelde dat er iets veranderd was. Niet aan de buitenkant, hoor. Aan de binnenkant. En soms is het de binnenkant die ervoor zorgt dat de buitenkant minder bibbert.

Hij was nog niet twee straten verder of hij zag haar.

✦ ✦ ✦

Er stond een meisje aan de overkant van de straat. Ze had hem nog niet gezien. Ze stond met haar rug naar hem toe voor het hek van een huis dat al weken te koop had gestaan en blijkbaar net verkocht was. Een verhuiswagen reed in de richting van de hoek. Het meisje had een rugzak op die te groot was voor haar smalle schouders. Haar haar was lang en zo zwart als natte rotsstenen. Ze had geen muts op, hoewel het koud was.

Ze keek naar het bordje van de school dat aan de overkant van de straat hing. En ze huilde. Heel zachtjes, alleen aan haar schouders te zien, maar Tom wist meteen wat hij zag. Hij kende dat soort huilen.

Hij stak over.

"Hoi," zei hij, en hij voelde zich ineens ongelooflijk dom. Wat moest hij nu zeggen? "Ben je verdwaald?"

Het meisje schrok op en veegde meteen langs haar ogen met de mouw van haar jas. "Nee. Ik woon hier."

"O. Ben je nieuw?"

Ze knikte. "We zijn vannacht gekomen. Mijn moeder is binnen, met de spullen. Ik heet Sanne."

"Ik ben Tom. Welke groep?"

"Zeven."

"Ik ook!" Tom probeerde te glimlachen op de manier waarop hij dacht dat een aardige jongen zou glimlachen. "Wil je dat ik je de weg wijs? Het is hier vlak om de hoek."

Sanne keek hem aan, en in haar grijze ogen zag hij wantrouwen, het soort wantrouwen dat je krijgt als je vaak bent uitgelachen. Tom kende dat ook.

"Waarom?" vroeg ze.

"Waarom wat?"

"Waarom zou je me de weg wijzen?"

Het was een eerlijke vraag. Tom dacht erover na.

"Omdat ik 'n nieuwe school heel rot vind," zei hij eerlijk. "En omdat ik weet hoe het is om er alleen heen te lopen."

Sanne keek hem nog een seconde langer aan. Toen knikte ze.

✦ ✦ ✦

Ze liepen samen. Sanne sprak niet veel. Maar Tom merkte dat het soort stilte tussen hen niet zwaar was. Sommige stiltes zijn als een muur. Andere zijn als een wollen deken. Deze was de tweede soort.

"Waar kom je vandaan?" vroeg Tom uiteindelijk.

"Groningen. Mijn pa is overleden, vorig jaar. Mijn ma kon het huis niet meer betalen, dus we zijn hierheen verhuisd, dichter bij oma."

Tom voelde iets in zijn borst zwaar worden. "O. Dat is — dat is heel naar."

"Ja." Ze haalde haar schouders op, maar niet alsof het niet erg was. Meer alsof ze al duizend keer had geprobeerd uit te leggen hoe erg het was, en uiteindelijk had besloten om gewoon niets meer uit te leggen.

Op het schoolplein zag Tom Bas en Jonas meteen staan. Hij voelde zijn maag samenknijpen. Maar Sanne stond naast hem, en hij dacht — ik kan haar niet zomaar alleen laten daar in haar eentje, op de eerste dag.

"Kom mee," zei hij. "We gaan naar de juf om je voor te stellen."

Tijdens het binnenlopen kwam Bas er aan stommelen.

"Hé Tom! Heb je nu eindelijk een vriendinnetje gevonden? Of is het je nicht?"

Tom voelde de oude warmte in zijn wangen opkomen. Maar voor hij iets kon zeggen, draaide Sanne zich om.

"En wie ben jij?" zei ze koel.

Bas knipperde. Niemand had hem ooit zo aangekeken. Vooral geen meisje dat een halve kop kleiner was dan hij.

"Ik — Bas."

"Hm." Sanne keek hem aan alsof hij een vlek was op haar mouw. "Nou, Bas, jij bent niet bijzonder grappig. Niemand lacht."

Dat was waar. Jonas had wel geprobeerd te grinniken, maar nu schoof hij ongemakkelijk met zijn voeten. Bas opende zijn mond, sloot hem weer, en liep weg.

Tom staarde Sanne aan. "Hoe — hoe deed je dat?"

Sanne haalde haar schouders weer op. "Pa heeft me geleerd dat pestkoppen alleen werken als jij gelooft dat ze gelijk hebben. Geloof je niet, dan zijn ze gewoon stomme jongens."

"Maar — wat als je het wél een beetje gelooft?"

Sanne keek naar hem op. Voor het eerst die ochtend glimlachte ze. Het was niet veel — een kleine, scheve glimlach — maar het was er.

"Dan oefen je. Tot je het niet meer gelooft."

✦ ✦ ✦

Sanne werd in Toms klas gezet. Ze kreeg een tafel naast hem, omdat juf Mulder dacht dat dat handig was: "Tom kan je helpen, hij weet alles." Sanne keek even opzij, en Tom kreeg een rood gezicht, maar Sanne glimlachte gewoon en zei: "Mooi."

Bij de pauze gingen ze samen achter het schuurtje zitten. Het was Toms geheime plek. Hij had hem nooit met iemand gedeeld. Maar vandaag deelde hij hem met Sanne, en dat voelde alsof hij iets gaf zonder iets te verliezen.

"Tom?"

"Ja?"

"Waarom zijn ze zo rot tegen je?"

Tom haalde adem. Hij keek naar zijn knieën. "Omdat ik dik ben."

Sanne dacht hierover na. Niet snel, niet gehaast. Ze had die manier — alsof ze elk woord eerst in haar hand woog voor ze het uitsprak.

"Ik denk dat dat een excuus is," zei ze. "Ik denk dat ze rot tegen je doen omdat ze geleerd hebben dat ze daarmee groter worden, en jij kleiner. Dat heeft niks met dik te maken. Ze zouden iets anders vinden als je dun was. Of als je rood haar had. Of als je een grote neus had."

Tom keek naar haar. "Heb jij ook —"

"Mhm." Ze knikte zonder hem aan te kijken. "Ik ben drie keer per week ziek geweest, daar in Groningen. Buikpijn. Hoofdpijn. Heel veel pijn die niemand kon vinden. Mijn moeder dacht eerst dat ik loog. Maar het was — het was van binnen pijn."

"En nu?"

Sanne haalde diep adem. "Nu doet 't nog steeds soms pijn. Maar minder. Omdat ik weg ben. En —" Ze keek hem snel aan en dan weg. "En misschien omdat ik nu een vriend heb."

Tom keek naar zijn handen. Hij had een vriend gehoord. Niet 'jongen' of 'klasgenoot'. Een vriend.

Hij dacht aan de reep. Aan de zes stukjes die hem nog wachtten. Aan Mevrouw Marsepein, die had gezegd dat er een zevende was, voor iemand anders. Hij wist nog niet wie. Hij wist nog niet wanneer. Maar plotseling — plotseling dacht hij dat misschien, heel misschien, het ook iets met dit moment te maken zou hebben.

Hij stak zijn hand niet in zijn jaszak. Niet vandaag. Maar hij wist één ding zeker: vanaf nu was de reep niet alleen meer van hem. Hij was van hen.

Hoofdstuk Vijf

Het Geheim Ontvouwt Zich

✦ ✦ ✦

Vrijdagmiddag — drie dagen na hun ontmoeting — kwam Sanne voor het eerst bij Tom thuis. Zijn moeder had haar uitgenodigd om te komen eten, en Sannes moeder, die nog dozen aan het uitpakken was, had bijna geweend van dankbaarheid. "Ik weet niet hoe ik je moet bedanken, mevrouw Vermeer. Het was zo'n moeilijke maand." Toms moeder had alleen maar geglimlacht en gezegd: "Ik weet 't. Wij zijn ook een keer verhuisd."

Boven in zijn kamer, terwijl het eten beneden stond te pruttelen, deed Tom de deur dicht. Wafel duwde zijn neus tegen zijn knie. Sanne keek nieuwsgierig rond. Zijn kamer was niet groot. Een bed, een bureau, een muur met posters van schepen en walvissen. Maar het was netjes, en Sanne knikte goedkeurend.

"Ik moet je iets vertellen," zei Tom. "Iets dat je niet gaat geloven."

"Probeer het maar."

Tom haalde de blikken trommel uit zijn boekenrij en zette hem op het bed. Hij opende het deksel. Sanne keek naar de reep, en haar mond bleef even openhangen.

"Glooit hij?" fluisterde ze.

"Hij gloeit. Ja."

Tom vertelde haar alles. Over de Krombachstraat. Over Mevrouw Marsepein. Over het eerste stukje, en het rennen waar Wafel niet bij kon. Hij praatte vlug, omdat hij bang was dat hij midden in zijn verhaal door zou krijgen hoe gek het klonk en zou stoppen. Maar Sanne onderbrak hem niet. Ze luisterde met grote ogen, en toen hij klaar was, was het stil.

"Mag ik 'm vasthouden?"

"Natuurlijk."

Sanne pakte de reep voorzichtig op. Ze rook eraan, en haar gezicht ontspande. "Hij ruikt naar mijn pa's truien," fluisterde ze. "Die roken altijd naar bos en koffie."

"Voor mij ruikt 'ie naar opa's pijp en ouwe boeken."

Ze keken elkaar aan. "Ik geloof je," zei Sanne. "Niet omdat ik gek ben. Maar omdat ik 'm voel."

✦ ✦ ✦

"Welk stukje zullen we proberen?" vroeg Tom.

Sanne bekeek de reep zorgvuldig. "Wat zijn al deze symbolen?"

"Geen idee. Er was eentje met een rennend persoontje — die heb ik op. De andere zijn een hand, een veer, een sleuteltje, een oog, een vlam. En eentje die helemaal leeg is. Mevrouw Marsepein zei dat de zevende voor iemand anders is."

"De veer," zei Sanne na een poos. "Een veer is licht. Misschien — kunnen we vliegen?"

"Of zachter lopen."

"Of misschien — onzichtbaar?"

Tom keek haar aan. "Onzichtbaar zou ik wel willen."

"Nee," zei Sanne ineens. "Ik bedacht me. Ik wil niet onzichtbaar zijn. Eens proberen?"

Ze braken het tweede stukje af. Tom hield het tussen zijn vingers. "Eerlijk delen," zei hij. Hij beet het stukje in tweeën. Maar zodra hij dat deed, smolt de chocolade niet — hij gloeide. Eén helft zwol op, werd weer een volledig stuk, hetzelfde groot als ervoor. Het andere half deed hetzelfde in zijn andere hand.

"Hij — hij heelt zichzelf!" fluisterde Sanne.

"Twee stukjes uit één! Dat — dat is —"

"Magie."

Ze stopten ze tegelijk in hun mond.

De chocolade smolt zoals chocolade smelt: traag, breed, vol. Maar deze keer was de smaak anders. Hij was hoger, lichter, met iets dat naar verre wind smaakte — naar wind die hoog boven een berg waait, waar geen vogel komt.

Het eerste wat ze merkten was dat de poster aan Toms muur scheef hing. Niemand had hem aangeraakt. Maar hij hing scheef.

Het tweede wat ze merkten was Toms haar. Het stond rechtovereind, zoals dat van een poes die schrikt.

Het derde wat ze merkten was dat Sannes voeten niet meer de grond raakten.

"AAAH!" gilde ze, en Tom hield haar enkels vast. Maar zijn eigen voeten gingen ook omhoog, en samen zweefden ze, lachend van schrik, ongeveer een halve meter boven Toms tapijt.

"We zweven!"

"Stil, mijn moeder hoort!"

"Ik kan er niks aan doen!"

Ze giechelden en sloegen hun handen voor hun mond. Wafel keek omhoog met een gezicht alsof Tom hem zwaar teleurgesteld had door zonder hem te vliegen.

Het duurde misschien een minuut, misschien twee. Toen zakten ze, zacht als veertjes, terug op de vloer.

Ze keken elkaar aan. Ze hijgden van het lachen.

"Tom," fluisterde Sanne, "ik denk dat we vrij goed gaan worden in dit."

✦ ✦ ✦

Die avond, na het eten, vertelde Tom Sanne over de hand, het oog, de sleutel, de vlam.

"De hand is misschien sterk worden. De vlam — warmte? Of vuur maken?"

"De sleutel is sloten openen, dat is duidelijk."

"En het oog?"

"Zien wat anderen niet zien."

Ze maakten lijstjes. Ze tekenden de reep na in Toms tekenboek. En toen ze samen op het bed zaten, met de reep tussen hen in, gebeurde er iets vreemds. Het was alsof de reep — sneller gloeide. Alsof hij hen kon horen. Alsof hij het leuk vond dat ze hem begrepen.

"Tom?"

"Mhm?"

"Voel jij ook dat 'r iemand naar ons kijkt?"

Tom voelde de kou langs zijn rug lopen. Hij draaide zich om naar het raam. Daar was niets — alleen de avond, en de straatlantaarn die zacht oranje was.

Maar onder de straatlantaarn, half in de schaduw, stond een man. Een lange man in een lange grijze jas. Hij keek omhoog. Hij keek precies naar Toms raam.

Toen Tom even knipperde, was hij weg.

"Heb je 'm ook gezien?" fluisterde Sanne.

"Ja."

Ze pakten allebei automatisch de reep dichter naar zich toe. Hij was warm. Maar nu was het een ander soort warm. Hij voelde, voor het eerst, alsof hij ook bang was.

Hoofdstuk Zes

De Man in de Grijze Jas

✦ ✦ ✦

Zaterdagochtend wilde Tom naar de winkel terug. Hij wilde Mevrouw Marsepein zien. Hij wilde vragen wie die man in de grijze jas was. Hij wilde uitleg.

Sanne kwam mee. Wafel ook. Ze namen dezelfde route die Tom drie dagen eerder had genomen — door de oude wijk, langs de scheve huizen, de Krombachstraat in.

Maar — dit kan niet, dacht Tom. Dit kan helemaal niet.

De winkel was er niet.

Hij was er gewoon niet. Tussen de kapper en de opticien stond nu een leegstaand pand met dichtgespijkerde ramen. Daar was geen houten uithangbord. Geen letters in goud. Geen Zoete Schemering. Alleen oud beton en een paar weggeglipte krantenpagina's voor de stoep.

"Maar — hij was hier!" zei Tom. "Echt, hij was hier!"

"Ik geloof je."

"Maar hij is er niet meer!"

Sanne legde haar hand op zijn arm. "Tom. Ze zei zelf dat ze één reep per honderd jaar maakt. Misschien — misschien was de winkel er ook maar één dag per honderd jaar. Misschien is dat hoe het werkt."

Tom keek naar het lege pand. Hij voelde iets dat hij niet kon benoemen. Niet verdriet, en niet boos. Iets daartussen. Alsof iemand een boek dat hij aan het lezen was, gewoon had dichtgeslagen.

"Kom," zei Sanne. "We gaan terug. Het is hier koud."

Maar toen ze zich omdraaiden, was hij daar.

✦ ✦ ✦

De man in de grijze jas stond aan het einde van de straat, leunend tegen een lantaarnpaal. Zijn jas was bijna tot zijn enkels, en grijs op een manier waarop sommige dingen niet eerlijk grijs zijn — alsof alle kleur er ooit was uitgezogen. Hij had een hoge zwarte hoed op. Hij was lang. Heel lang. En zijn gezicht — Tom kon zijn gezicht niet goed zien, want het stond in de schaduw van de hoed. Hij zag alleen de glinstering van twee ogen.

De man glimlachte. Het was geen vriendelijke glimlach. Het was de glimlach die je hebt als je iets gevonden hebt wat heel lang verloren was.

"Tom Vermeer," zei hij. Zijn stem was zacht, en toch hoorde Tom hem helemaal aan de andere kant van de straat alsof hij naast hem stond. "En zijn vriendinnetje. Wat een geluk."

Wafel gromde. Wafel had nog nooit van zijn leven gegromd. Tom voelde de pluis op zijn nek overeind staan, hond én jongen tegelijk.

"Wie bent u?" vroeg Tom. Zijn stem klonk dunner dan hij hoopte.

"Mijn naam," zei de man, "is meneer Grijs. En ik ben al heel, heel lang aan het zoeken naar iets wat van mij was. En —" hij stapte een pas dichterbij — "ik denk dat jij het hebt."

"Hij weet 't," fluisterde Sanne.

"Natuurlijk weet ik 't, klein vrouwtje. Ik kan het rúiken. Ik ruik die reep al sinds eergisteren. En jullie hebben er al twee stukjes van opgegeten. Dat was zonde. Zonde, zonde, zónde."

"Hij is niet van u," zei Tom. Hij probeerde dapper te klinken. Hij wist niet zeker of het lukte.

"O nee?" Meneer Grijs lachte. Het was een rauw geluid, alsof zijn keel ergens gebroken was. "Lieve jongen. Mevrouw Marsepein heeft mij ook eens zo'n reep gegeven. Lang geleden. Heel lang geleden. Ik was zoals jij. Klein, en alleen, en pestkoppen overal. En zij gaf mij ook een reep. Maar weet je wat ze er niet bij vertelde?"

Tom schudde zijn hoofd, hoewel hij eigenlijk weg wilde rennen.

"Ze vertelde mij niet dat als je maar één stukje bewaart, als je maar één enkele stuk van de zeven achterhoudt — dan word je oud. Niet een beetje oud. Niet rustig oud. Je wordt grijs. Je wordt grijs van binnen. En de magie keert tegen je. En je kunt nooit, nooit meer terug naar hoe je was."

Tom keek de man aan. Hij begreep niet alles, maar hij begreep genoeg. De man had iets gedaan met zijn eigen reep. Iets verkeerds. En nu was hij wat hij was.

"Geef me jouw reep, Tom Vermeer," zei meneer Grijs. Zijn stem was nu zacht, bijna lief. "Geef hem aan mij. Dan kan ik 't goed maken. Ik zal hem helemaal opeten, in één keer. Dan word ik weer wie ik was. En jij — jij krijgt twee miljoen euro. Of een eigen jacht. Of het mooiste huis dat je je voor kunt stellen. Wat je wilt, Tom. Alles wat je wilt."

"Niet doen," fluisterde Sanne.

Tom schudde zijn hoofd. "Ik geef u niets."

Meneer Grijs glimlachte nog steeds. Maar zijn glimlach werd dunner. En kouder.

"Dat dacht ik al. Geeft niet. Geeft niet, hoor. Ik kan ook wachten. Ik ben al heel lang heel geduldig geweest. Maar weet één ding, lieve Tom." Hij boog zich voorover, en plotseling, hoewel hij nog vijf meter verder stond, leek het alsof hij vlak voor Toms gezicht was. "Ik laat jullie geen seconde meer alleen. Niet wakker. Niet slapend. Niet thuis. Niet op school. En vroeg of laat — vroeg of laat — laat je hem ergens vallen. Of je vergeet hem. Of je doet de deur niet op slot. En dan ben ik er. En dan is hij van mij."

Wafel sprong vooruit. Hij blafte vier keer, kort en hard, en meneer Grijs deed één stap achteruit. Even — heel even — zag Tom de schaduw onder zijn hoed terugtrekken. Hij zag een glimp van een gezicht. Bleek. Heel bleek. En heel droevig.

Toen waaide er een windvlaag, en meneer Grijs was — niet weg, niet helemaal — maar niet meer daar waar hij geweest was. Hij was nu aan de andere kant van de straat. En toen achter een muurtje. En toen, alsof hij in de schaduw verdween, weg.

Tom en Sanne hielden elkaar vast zonder dat ze het van elkaar gemerkt hadden. Wafel hijgde.

"We moeten naar huis," fluisterde Sanne. "Nu."

Ze renden. Maar de hele weg naar huis voelde Tom een paar ogen in zijn rug.

Hoofdstuk Zeven

De Lange Achtervolging

✦ ✦ ✦

De zondag was net zo grijs als meneer Grijs zelf. Tom liep niet naar buiten. Sanne ook niet. Ze hadden afgesproken dat ze elkaar elke twee uur een bericht zouden sturen, zodat ze zeker wisten dat alles in orde was. Toms moeder vroeg drie keer of er iets was, en Tom kon niet uitleggen wat hij niet eens zelf helemaal begreep, dus zei hij dat hij hoofdpijn had. Dat was niet eens helemaal gelogen. Bang zijn doet pijn in je hoofd.

Maandagochtend stond hij voor zijn raam te wachten op de juiste hoeveelheid licht om naar school te gaan. Hij wilde niet in het donker lopen. Hij keek naar alle kanten, naar elke schaduw, naar elke deurpost, naar elk gangetje tussen de huizen.

Geen meneer Grijs.

Misschien, dacht Tom hoopvol, was het maar een droom geweest. Soms voelt iets eng heel echt aan, en dan groeit het weg in het daglicht.

Hij stak zijn hand in zijn jaszak. De reep zat er. Hij had hem niet thuis durven laten. De blikken trommel had hij in zijn rugzak gestopt, ingewikkeld in een trui en daarna in een tweede trui, alsof zoveel lagen wol meneer Grijs ervan konden weerhouden om hem te vinden.

Hij stapte het hek uit. En toen, vanachter de bus die net wegreed, kwam meneer Grijs eraan gewandeld alsof hij Toms buurman was.

✦ ✦ ✦

"Goedemorgen Tom," zei hij beleefd. Hij raakte het randje van zijn hoge hoed aan zoals oude mannen op zwart-witte foto's. "Een prachtige ochtend voor een wandeling naar school, vind je niet?"

Tom keek razendsnel om zich heen. De straat was leeg. Het was te vroeg voor de andere schoolkinderen. Zijn moeder was net binnen, achter de voordeur, maar de voordeur was dicht en het was te ver om terug te rennen — meneer Grijs stond tussen hem en de deur in.

"Laat me met rust," zei Tom.

"O, ik laat je met alle rust, hoor. Ik wandel alleen. Toevallig dezelfde kant op."

Tom liep door. Meneer Grijs liep mee. Met grote, langzame stappen. Hij was niet sneller dan Tom. Maar ook niet langzamer.

"Weet je," zei meneer Grijs vriendelijk, "ik vraag me af welk stukje je vandaag zou willen proeven. De hand misschien? Zo sterk worden dat geen pestkop je nog kan aanraken. Of het oog — dan zou je weten wat er in de hoofden van anderen omgaat. Heel interessant, vooral op jouw leeftijd."

"Niet luisteren," fluisterde Tom tegen zichzelf.

"Ik kan je leren hoe je ze gebruikt, Tom. Mevrouw Marsepein vertelt nooit alles. Ik ben de enige die je hierin echt kan helpen. Wij twee, dat is heel —"

Op dat moment hoorde Tom een fluitje. Het scheelde fluitje van zijn vingers tussen, ergens links van hem. Hij keek op. Sanne stond aan de hoek, met haar fiets, en wenkte hem fel.

Tom rende. Meneer Grijs deed één stap, maar net één stap te laat. Tom gleed achterop Sannes fiets — ze had het zadel laaggezet, ze had aan alles gedacht — en Sanne trapte zo hard ze kon. Wafel was er ook ineens, alsof Sanne hem onderweg had opgepikt, en samen schoten ze de hoek om.

"Hou je vast!" riep Sanne.

"Sanne, wat doe je hier?"

"Ik wist dat hij vandaag zou komen! Vannacht heb ik 't gedroomd! Eet de vlam, Tom! Nu!"

"Wat? Waarom?"

"Vertrouw me!"

Tom haalde, terwijl ze over de stoeprand stuiterden, de trommel uit zijn rugzak. Niet zo makkelijk op een rijdende fiets. Hij brak de vlam af, gooide hem in zijn mond, en de chocolade smolt warm, brandend, peperachtig — als hete kaneel.

Er gebeurde eerst niets. En toen, achter hen, hoorden ze meneer Grijs schreeuwen.

Tom keek om. Meneer Grijs sleepte zich verder, maar zijn schaduw — zijn schaduw zelf — was achter hem op de stoep blijven liggen. Hij had geen schaduw meer. En zonder zijn schaduw kon hij niet hard rennen. Hij liep alsof hij door dik water waadde.

"Ik wist het!" jubelde Sanne. "De vlam. Vlammen werpen geen schaduw. Hij heeft zijn schaduw kwijt — hij wordt langzamer!"

"Hoe wíst je dat?"

"Ik heb na zitten denken! De hele nacht!"

Ze fietste door rood. Een auto remde toeterend. Wafel jankte en rende achter ze aan, of misschien wel voor ze uit. Tom hield de blikken trommel met beide handen vast.

✦ ✦ ✦

Ze reden niet naar school. School was vandaag onmogelijk. Sanne fietste de oude stad in, langs het kerkje, de heuvel op naar het oude park. Ze zette de fiets neer bij de bank waar Tom altijd zat om te lezen, en ze zaten daar uit te hijgen.

"Hij komt weer," zei Sanne. "Hij komt elke dag, denk ik. Tot we 'm op zijn."

"We hebben er nog vier," zei Tom. Hij telde op de reep. "Hand. Sleutel. Oog. Leeg."

"De zevende, die lege."

"Dat is degene die voor iemand anders is, zei mevrouw Marsepein."

Sanne dacht na. "Tom — denk je dat ze meneer Grijs bedoelde?"

"Wat? Nee. Hij wil 'm hebben om kwaad te doen. Hij wil sterker worden. Ik geef hem geen stukje."

"Maar — hij zei zelf dat hij ooit ook een reep had. Hij zei dat hij grijs werd omdat hij er één bewaarde. Misschien — misschien heeft hij gewoon hulp nodig."

Tom keek haar aan alsof ze gek was. "Heb je niet gezien hoe hij me bedreigde?"

"Jawel. Maar mensen die heel bang zijn doen rare dingen, Tom. Mijn pa heeft 't me uitgelegd. Soms zijn de boze mensen gewoon de gebroken mensen die niemand heeft geholpen."

Tom keek naar zijn voeten. Hij wist niet wat hij ervan moest denken. Hij was bang. Hij was boos. En tegelijk dacht hij — heel even, heel kort — aan dat ene moment, toen Wafel had geblaft en hij onder de hoed dat bleke, droevige gezicht had gezien. Heel oud. En heel verloren.

"Misschien heb je gelijk," zei hij langzaam. "Maar dan nog. Ik weet niet hoe."

"We hebben tijd," zei Sanne. Ze pakte zijn hand vast. Hij had niet eerder iemands hand vastgehouden, behalve die van zijn moeder. Het voelde — gewoon goed. Heel gewoon goed. "We hebben elkaar."

Wafel duwde tegen Toms andere knie. Hij hield niet zo van als ze hem vergaten.

"En Wafel," voegde Sanne toe.

"En Wafel."

Tom haalde diep adem.

Hij wist niet hoe ze meneer Grijs zouden tegenhouden. Hij wist niet hoe dit zou aflopen. Maar voor het eerst sinds zaterdag voelde hij niet meer alleen alleen bang. Hij voelde ook iets anders. Iets bijna als — een plan. Een plan dat nog vaag was, en heel ver weg, maar dat in zijn binnenste zachtjes glomde, net als de reep.

Hoofdstuk Acht

Wat Tom Vergat

✦ ✦ ✦

Het werd dinsdag, en dinsdag werd woensdag, en de dagen begonnen op elkaar te lijken. Tom en Sanne gingen overal samen. Zelfs naar de wc op school, althans tot aan de deur. Op het schoolplein zaten ze samen achter het schuurtje. Op weg naar huis fietsten ze om de beurt voor en achter, om elkaar in de gaten te houden. Meneer Grijs verscheen niet weer in het volle daglicht, maar Tom zag hem soms — een grijze flits in de spiegel van een winkelraam, een schaduw die heel kort op de muur tegenover zijn slaapkamer viel.

Toen, op donderdagavond, gebeurde er iets dat Tom zich zijn hele leven zou herinneren met spijt.

Het was Sannes verjaardag. Ze werd elf. Haar moeder had geen geld voor een echte taart, maar Toms moeder had er één gemaakt — chocoladetaart, want dat was Sannes lievelingstaart — en samen aten ze hem op bij Sanne thuis. Toen Tom om half acht naar huis liep, was het al donker. Hij had de reep niet in zijn jaszak — hij had hem in zijn rugzak gelaten, op Sannes kamer. Dat was de fout.

Hij was nog niet halfweg of hij realiseerde het zich. Hij stopte midden op straat.

"O nee."

Hij draaide zich om en rende terug. Maar hij was te laat. Toen hij Sannes huis bereikte, stond de voordeur op een kier. Sannes moeder stond op de gang. Ze keek verbaasd.

"Tom? Je rugzak? Hij is er net mee weggegaan."

"Wie? Wie?"

"De — een meneer. Hij zei dat hij van school was, dat je hem vergeten was, hij zei het zo aardig. Hij had een zwarte hoge hoed, niet?"

Tom kreeg geen lucht. Hij rende de straat op. Hij keek naar links, hij keek naar rechts. Hij zag hem niet. Hij zag niemand. De straatlantaarns waren aan. De wereld was leeg en koud en hij voelde de tranen prikken.

Sanne kwam achter hem aan.

"Tom?"

"Hij heeft 'm, Sanne. Hij heeft de reep. Hij is — hij is —"

Sanne hield hem stevig vast. "Het komt goed."

"Hoe kan het goedkomen? Hij heeft hem!"

"Hij heeft hem nog niet opgegeten. Anders had het al — anders zou het al gebeurd zijn. Hij is bezig hem ergens te brengen. We kunnen hem nog vinden."

"Hoe?"

Sanne keek hem aan met die rustige grijze ogen, en even leek ze veel ouder dan elf.

"Wafel."

✦ ✦ ✦

Wafel had één keer geslapen op de reep, in Toms bed. Wafels neus was niet bijzonder slim voor een hond — Wafel hield meer van eten dan van speurwerk — maar magie ruikt zoeter dan worst, en het was het enige idee dat ze hadden.

Ze haalden Wafel op. Tom liet hem aan de chocoladereep-trommel ruiken, die nog leeg op Sannes bed lag, maar nog warm rook naar wat erin gezeten had. Wafel snuffelde. Hij snuffelde langer. Hij keek op met grote ogen, alsof hij wilde zeggen "Echt? Nu?", en toen blafte hij één keer en rende de straat op.

"Volg hem!" riep Sanne.

Ze renden. Door straten die Tom kende, dan door straten die hij niet kende. De wind sneed in zijn wangen. Sanne hield zijn hand vast. Wafel rende voor hen uit, met zijn neus de hele weg op de stoep, zigzaggend, soms aarzelend, dan weer met nieuwe overtuiging.

Ze kwamen uit op een pleintje aan de rand van de stad. Tom had hier nooit eerder gestaan. Het was een verlaten plein met één enkele oude fontein in het midden, droog en vol bladeren. Aan de overkant stond een gebouw dat eruitzag als een verlaten badhuis. De ramen waren met planken dichtgespijkerd. Boven de deur stond, in afbladderende verf: Stoombaden, sinds 1898.

Wafel ging bij de deur staan. Hij keek om naar Tom. Hij blafte zacht, één keer.

"Hierin," fluisterde Sanne.

"Hoe komen we erin?"

Sanne keek hem aan. Toen zei ze één woord: "Sleutel."

Tom haalde de trommel niet uit zijn rugzak — die was weg. De reep was weg. Hij had geen sleutelstukje meer om op te eten. Voor het eerst zag hij hoe slecht ze ervoor stonden.

"Ik heb niks," fluisterde hij. "Ik heb niks meer."

"Je hebt mij," zei Sanne rustig. "En je hebt Wafel. En je hebt jezelf, Tom. De magie van de reep — dat ben jij ook, weet je. Het zijn niet alleen de stukjes. Het zit ook hier." Ze tikte tegen zijn voorhoofd. En dan zijn borst. "En hier."

"Maar de deur is op slot —"

"Probeer 'm."

Tom liep op de deur af. Hij voelde zich klein, kleiner dan hij ooit had gevoeld. Hij was alleen Tom Vermeer. De jongen die niet kon klimmen. De jongen die elke ochtend voor pestkoppen wegliep. Wat dacht hij hier wel te kunnen, in dit oude badhuis, tegen iemand als meneer Grijs?

Hij legde zijn hand op de deurknop.

En heel zachtjes, in zijn binnenste — niet in zijn jaszak, niet in zijn rugzak, maar in zijn binnenste — voelde hij iets warms. Iets gloeiends. Iets dat een beetje deed denken aan chocolade. Of misschien aan kaneel. Of misschien gewoon aan hoe het voelde toen Sanne zijn hand had vastgehouden op de bank in het park.

Hij draaide. De knop draaide mee. De deur klikte open.

Sanne knikte hem toe. Wafel duwde tegen zijn knie.

Tom stapte naar binnen.

Hoofdstuk Negen

De Echte Magie

✦ ✦ ✦

Het oude badhuis was binnen veel groter dan het van buiten leek. Een lange gang met betegelde wanden, half kapot, half mooi nog. Het rook naar oud water en steen. Hun voetstappen weerklonken alsof er nog tien andere mensen meeliepen. Ergens, ver weg in de diepte van het gebouw, brandde een licht. Geel. Zacht. Een kaars misschien. Of een lantaarn.

Tom liep voorop. Niet omdat hij dapper was. Maar omdat het Sannes verjaardag was en Wafel zijn hond, en omdat hij dat dacht dat je voor de mensen die je liefhebt voorop loopt, zelfs als je bang bent.

De gang leidde naar een grote ronde zaal. In het midden stond een bad — leeg, droog, met scheuren in het marmer. Eromheen waren acht zuilen, en bij één van die zuilen stond meneer Grijs. Hij had zijn hoed afgenomen. Voor het eerst zag Tom zijn hele gezicht.

Hij was niet zo oud als Tom had gedacht. Hij was niet zo lang. Hij was zelfs niet zo grijs. Onder de hoed was hij gewoon een man — een middelbare man met dunner wordend zwart haar, met diepe rimpels rond zijn mond, met ogen die ooit blauw geweest waren maar waar de kleur uit was getrokken zoals kleur uit een spijkerbroek die te vaak gewassen is.

In zijn hand hield hij de reep. De vier overgebleven stukjes, blinkend in het lantaarnlicht.

"Ah," zei meneer Grijs. "Daar zijn jullie eindelijk."

"Geef hem terug," zei Tom.

"Nog niet. Ik ga eerst zeggen wat ik moet zeggen, en daarna kunnen we praten." Hij ging op de rand van het bad zitten. "Ga maar zitten. Echt waar. Het is hier veiliger dan thuis. Ik heb niemand verteld waar ik ben."

Tom en Sanne keken elkaar aan. Ze gingen niet zitten. Wafel ging wel zitten, want Wafel ging altijd zitten als iemand "zit" zei.

"Toen ik tien was," begon meneer Grijs zacht, "kreeg ik een reep. Net als jij. Mijn moeder was dood. Mijn vader dronk. Ik werd op school in de kast gestopt door drie jongens die dachten dat dat hilarisch was. En toen ik op een avond hopeloos door de stad liep, kwam ik in een straat die ik niet kende, en stapte ik in een winkeltje, en daar zat ze." Hij glimlachte heel even. "Mevrouw Marsepein. Met haar gouden sleuteltje. Met haar zilveren vlecht. Ze zei tegen mij precies wat ze tegen jou zei: zeven stukjes, één voor één, en de zevende voor iemand anders."

"En u heeft hem bewaard," fluisterde Sanne.

Meneer Grijs knikte. "Ik was te bang. Ik dacht — als ik 'm hou, dan heb ik altijd nog iets. Iets achter de hand. Voor het geval het slechter wordt. Voor het geval ik iets heel ergs nodig heb."

"En toen?" vroeg Tom.

"Toen werd ik volwassen. En de reep zat in mijn kast. Hij ging niet weg. Andere magie ging weg — ik werd niet meer snel, niet meer sterk, niet meer lichter dan lucht. Maar dat ene stukje, dat ik bewaarde — dat begon mij op te eten in plaats van andersom. Beetje bij beetje. Dat is grijs worden, Tom. Niet wat ouwelui doen. Iets anders. Iets dat van binnen begint, wanneer je iets niet durft te geven aan een ander, of aan jezelf. Dan word je grijs. En dan wil je alleen nog maar meer. Steeds meer. Want je vergeet hoe je iets weg moet geven."

Tom keek naar de man. Hij voelde, voor het eerst sinds hij hem had ontmoet, iets anders dan angst. Hij voelde verdriet. Niet voor zichzelf. Voor meneer Grijs.

"Maar — als u nu de hele reep opeet, dan komt het toch weer goed?"

Meneer Grijs schudde zijn hoofd. "Nee. Daar heb ik me vergist. Vandaag wist ik 't. Ik kan de reep niet opeten. Hij is niet van mij. Hij is van jou. Magie die je steelt smaakt naar as." Hij keek naar de chocoladestukjes in zijn hand. Heel zacht voegde hij eraan toe: "Bovendien — ik vergat 't bijna — ik heb mijn eigen oude stukje toch nog. Diep in de la van mijn nachtkastje. Sinds vijftig jaar."

Hij haalde uit zijn binnenzak een verfrommelt stukje wikkelpapier. Hij vouwde het open. Daarin lag een heel klein vierkantje chocolade, niet groter dan een nagel, gerimpeld en oud.

"De magie zit hierin, Tom. Mijn hele leven achter de hand gehouden."

✦ ✦ ✦

Tom stapte naar voren. Eén stap. Twee. Hij stond nu vlak voor meneer Grijs. Hij was natuurlijk kleiner dan de man, ook zittend. Maar hij voelde zich niet klein. Hij voelde zich helemaal Tom Vermeer.

"Geef 'm aan mij," zei Tom.

"Wat?"

"Geef me uw oude stukje. En de reep. Allebei."

Meneer Grijs' hand trilde. "Maar dat is mijn — dat is alles wat ik —"

"Ik weet 't. Geef het toch."

"Tom." Sanne kwam naast hem staan. Ze hield zijn arm vast. Maar ze sprak hem niet tegen.

Heel langzaam, heel aarzelend, legde meneer Grijs het oude verfrommelde stukje in Toms hand. Toen, na een lange, lange seconde, ook de reep met de vier resterende vakjes.

Tom hield ze allebei. Hij keek ernaar. Hij dacht na. Hij voelde de stilte van de oude zaal om hem heen.

En toen wist hij wat hij moest doen.

Hij brak de twee delen samen. De vier nieuwe stukjes en het ene oude. Ze pasten in elkaar alsof ze er altijd al bij hadden gehoord — alsof ze al die jaren naar elkaar hadden gezocht. Ze gloeiden bij elkaar. En één voor één veranderden ze: het vakje van de hand werd opnieuw vol en glad. De sleutel. Het oog. De vlam. En het laatste — het zevende, dat altijd leeg was geweest — het zevende werd niet leeg. Er verscheen een symbool. Een hart.

"Mevrouw Marsepein zei dat de zevende voor iemand anders was," zei Tom zachtjes. "Niet voor mij. Voor iemand anders."

Hij brak het zevende vakje af. Het hart.

Hij hield het op tussen duim en wijsvinger. En hij stak het uit naar meneer Grijs.

"Eet 'm op," zei Tom.

Meneer Grijs keek hem aan alsof hij niet begreep wat hij hoorde.

"Maar — die kan ik niet aanpakken. Mevrouw Marsepein zei —"

"Mevrouw Marsepein zei dat ík 'm niet mocht houden voor mezelf. Dat hij voor iemand anders was. Iemand die hem nodig had. En dat bent u." Tom haalde adem. "U heeft hem nodig. Dus pak aan."

Sanne knikte. "Het is goed zo, meneer Grijs."

"Maar als ik 'm opeet, dan — dan blijven er nog vijf voor jullie over."

"Dat is genoeg," zei Tom.

"En —" meneer Grijs' stem brak — "wat als ik 'm niet verdien? Wat als ik 'm te lang heb gestolen om hem nog te mogen krijgen? Wat als — wat als ik te grijs ben?"

Sanne stapte naar voren. Ze was kleiner dan Tom. Maar ze stond plotseling heel groot daar in het schemerlicht.

"Niemand is te grijs," zei ze. "Dat heeft mijn pa altijd gezegd. Niemand is ooit te grijs voor één enkel stukje meer."

Met trillende vingers nam meneer Grijs het stukje aan. Hij hield het lang voor zijn gezicht. Toen, voorzichtig, alsof het van glas was, stopte hij het in zijn mond.

Het smolt.

En meneer Grijs begon te huilen.

Hij huilde stil, zonder geluid. De tranen liepen over zijn rimpels, en waar ze raakten begon zijn huid zachter te lijken, niet jonger maar warmer, alsof de winter eruit liep. Zijn haar werd niet meer zwart, maar het werd ook niet meer grijs. Het werd grijs zoals haar van een man wordt die vrede heeft met grijs. Zijn ogen kleurden zachtjes blauw, alsof iemand de kleur er voorzichtig in goot. En zijn schouders zakten naar beneden, zoals schouders zakken als ze iets heel zwaars eindelijk neer mogen leggen.

"O," zei hij zacht. Het was geen klacht. Het was bijna een dankjewel.

Hij keek Tom aan. En glimlachte. En het was een echte glimlach.

"Dankjewel."

Tom voelde zelf ook iets warms in zijn keel. Maar hij sprak niet. Hij wist niet zeker of hij kon.

Sanne wel. "Hoe heet u eigenlijk? Eigenlijk?"

"Maarten," zei meneer Grijs zachtjes. "Maarten Heinemann. Ik heb 't bijna vergeten. Maar ja. Ik heet Maarten."

Hoofdstuk Tien

Wat Daarna Kwam

✦ ✦ ✦

Het was na elven toen Tom thuiskwam. Zijn moeder stond in de gang met haar handen in haar haar.

"TOM VERMEER! Waar — waar — ik dacht — ik heb de politie gebeld — ik —"

"Het komt goed mam," zei Tom rustig. Hij omhelsde haar lang, en zij hem nog langer. "Ik leg het uit. Niet alles tegelijk. Maar ik leg het uit."

"Sanne is hier — ze zit in de keuken — haar moeder ook —"

"Ik weet 't. We hebben samen — er is iemand die we hebben geholpen."

Zijn moeder ging op de onderste tree zitten en keek naar hem zoals ze hem niet vaak eerder had aangekeken. Niet als een kind. Niet als iemand om voor te zorgen. Maar als iemand die ze zelf nog moest leren kennen.

"Tom," zei ze langzaam, "wat is er met je gebeurd deze weken?"

"Een hele hoop, mam." Hij ging naast haar zitten. "Een hele hoop."

"Vertel het me morgen. Vandaag — ga slapen. En je krijgt huisarrest. Maar niet vandaag. Vandaag krijg je een knuffel. En morgen ook nog wel."

"Goed."

✦ ✦ ✦

Een paar weken later — toen het had gesneeuwd, en de wereld grappig veel zachter was geworden — gingen Tom en Sanne nog één keer naar de Krombachstraat. Niet om mevrouw Marsepein te zoeken. Ze wisten allang dat ze haar niet meer zouden zien. Maar om langs het lege pand te lopen. Om te kijken.

De winkel was niet teruggekomen. Maar voor de deur, op de stoep, lag een dingetje in een laagje sneeuw. Tom raapte het op. Het was een gouden ketting. Met daaraan een sleuteltje, niet groter dan een rijstkorrel.

Op het sleuteltje, in heel kleine lettertjes, stond gegraveerd: Voor de volgende.

"Mevrouw Marsepein," fluisterde Sanne.

"Voor de volgende," herhaalde Tom.

Hij wist dat ergens, ooit, een andere jongen of een ander meisje hetzelfde zou meemaken als hij. Misschien volgend jaar. Misschien over honderd jaar. En misschien — heel misschien — zou hij ze ooit zelf tegenkomen. En dan zou hij ze niet de weg wijzen naar de winkel. Want de winkel zou er niet zijn. Maar hij zou ze, dat wist hij zeker, een kop chocolademelk geven en zeggen: het komt goed.

Want zo werkt magie. Niet één keer. Niet voor één persoon. Steeds opnieuw, doorgegeven, van hand tot hand.

✦ ✦ ✦

Bas en Jonas waren overigens niet ineens lieve jongens. Pestkoppen veranderen niet zomaar omdat een verhaal toevallig eindigt. Maar Tom was anders. En anders zijn maakt dat anderen op den duur ook iets anders moeten doen, omdat het oude niet meer werkt. Toen Bas op een ochtend riep "Hé Patatkop!", draaide Tom zich rustig om en zei: "Mijn naam is Tom. Ik denk dat je dat eigenlijk al wist." En hij liep door. Bas zei daarna niet zoveel meer. Het was niet leuk meer, voor hem. Pesten is alleen leuk als de andere stil is.

Tom werd niet plotseling sportief. Bij gymles haatte hij de klimrek nog steeds. Maar hij viel niet meer dood neer van schaamte. Hij deed wat hij kon, en als hij niet boven kwam, klom hij in elk geval. En één keer — één enkele keer — kwam hij wél boven. Sanne klapte zo hard dat de juf moest zeggen "Sanne, geen geluid graag." Maar Sanne lachte gewoon door.

Meneer Heinemann — niet meer meneer Grijs — kwam soms langs. Hij woonde drie straten verderop, in een huisje dat hij had laten verkleuren van grijs naar een licht olijfgroen, met een rode voordeur. Hij maakte chocoladewerk, niet magisch, gewoon erg, érg lekker. Sanne en Tom hielpen 'm soms op woensdagmiddag, en kregen voor hun werk een bonbon mee naar huis.

De vijf overgebleven stukjes van de reep aten Tom en Sanne nooit allemaal op. Eén ervan gaven ze aan Maartens nichtje, die ook gepest werd. Eén aten ze samen op Sannes twaalfde verjaardag, niemand wist meer welk symbool het was, en wat het deed weet ik ook niet, maar Sanne lacht er nog steeds om als je 't vraagt. Twee bewaarden ze in een blikken trommel. Voor later. Voor als het echt nodig was. En één — één gaven ze veel later weg aan een onbekend meisje op een verlaten station, dat huilde alsof haar wereld voorbij was. Maar dat is een ander verhaal.

✦ ✦ ✦

Op een avond, toen Tom in bed lag, met Wafel zwaar aan zijn voeten en de wind tegen het raam, dacht hij na. Hij dacht aan de eerste keer dat hij had gerend, op die avond, toen zijn benen het ineens wilden. Hij dacht aan het zweven met Sanne. Aan de vlam, en aan de schaduw die meneer Grijs verloor.

En hij dacht: was dat het, de magie? Het rennen en het zweven? Of was 't iets anders?

Hij dacht aan de Krombachstraat, aan mevrouw Marsepein, aan haar zachte ogen. Hij dacht aan wat ze had gezegd: "Omdat je 't nodig hebt, jongen. En omdat je 'r meer mee kunt dan je nu weet."

Hij begreep het nu, denk ik. Misschien wel.

De magie zat in de chocolade. Een beetje. Maar de magie zat vooral in het delen ervan. Dat hij niet alleen had gerend, maar Wafel had meegenomen. Dat hij niet stilletjes had gezweefd, maar zijn enige stukje had verdubbeld voor Sanne. Dat hij — toen hij verloren had — toch het laatste stukje had weggegeven aan de man die hem had bedreigd.

Dat was magie. Niet wat je krijgt. Wat je doorgeeft.

En als hij dat eenmaal wist — dan zou hij die magie zijn hele leven nog kunnen maken. Met of zonder reep. Want elke keer dat iemand vriendelijk doet voor iemand die het niet verwacht, is er een klein stukje magie in de wereld. Een klein vakje chocolade dat smelt waar je het niet ziet.

Tom glimlachte. Hij draaide zich om. Wafel zuchtte diep in zijn slaap, zoals alleen tevreden honden dat kunnen.

Boven het dak van hun straat scheen, hoog tussen de wolken, één enkele heldere ster.

Zij knipperde, denk ik. Maar dat zou ik je niet met zekerheid kunnen zeggen.

Einde
Geschreven met warmte, voor iedereen die ooit alleen op het schoolplein heeft gestaan.
Onthoud — magie zit niet in wat je krijgt, maar in wat je doorgeeft.